GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.122.497 (rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, zonder nummer) beschikking van de eerste civiele kamer van 11 maart 2013 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Overijssel, locatie De Karelskamp, appellant, advocaat: mr. M.M.A.J. Goris. 1. Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 28 november 2012 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. A.E. Zweers en is tot curator aangesteld mr. P.H.K. Ruding. 1.2 Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 17 december 2012 is op voordracht van de rechter-commissaris bevolen dat [appellant] op grond van artikel 87 Faillissementswet (Fw) in verzekerde bewaring zal worden gesteld in het Huis van Bewaring te Almelo of elders. 1.3 Op 11 februari 2013 is voornoemd bevel tot in verzekerde bewaringstelling ten uitvoer gelegd. Ingevolge het bepaalde in artikel 87 lid 3 Fw is dat bevel voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen vanaf de dag waarop het ten uitvoer is gelegd. 1.4 Bij ter griffie van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, op 18 februari 2013 ingekomen verzoekschrift heeft [appellant] de rechtbank verzocht hem uit zijn verzekerde bewaring te ontslaan. Op 20 februari 2013 is [appellant] door de rechtbank gehoord. 1.5 Bij beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, van 20 februari 2013 is het hiervoor onder 1.4 genoemde verzoek van [appellant] afgewezen. Het hof verwijst naar laatstgenoemde beschikking. 1.6 Ter zitting van het hof heeft de curator desgevraagd verklaard dat de rechtbank nog niet is verzocht om voornoemd onder 1.3 vermeld bevel te verlengen, maar dat hij vast van plan is een dergelijk verzoek in te dienen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 26 februari 2013 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 20 februari 2013 en heeft hij het hof verzocht die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het eerder gegeven bevel tot inbewaringstelling van 17 december 2012 te vernietigen, althans te bevelen dat dit eerder gegeven bevel tot inbewaringstelling met onmiddellijke ingang wordt opgeheven. 2.2 Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief met bijlagen van 1 maart 2013 van de curator, het faxbericht met bijlagen van 4 maart 2013 en het faxbericht met als bijlagen de ter zitting voorgedragen (pleit)aantekeningen van 6 maart 2013 en de vragenlijst van de curator, beide van mr. Goris. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Goris, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Tevens is verschenen de curator, die eveneens het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. 3. De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De rechtbank heeft bij haar beschikking van 17 december 2012 de inbewaringstelling van [appellant] bevolen, omdat [appellant] bij voortduring weigert de curator inlichtingen te verschaffen omtrent de tot de faillissementsboedel behorende goederen. 3.2 De rechtbank heeft vervolgens, na in verzekerde bewaringstelling en na verhoor van [appellant] op 20 februari 2013, bij beschikking van 20 februari 2013 geoordeeld dat de omstandigheden die hebben geleid tot de in verzekerde bewaringstelling van [appellant] nog onverminderd aanwezig zijn en het door [appellant] verzochte ontslag uit de in verzekerde bewaringstelling afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. 3.3 Op grond van artikel 105 Fw is [appellant] als eerste in staat, aangewezen en gehouden de rechter-commissaris en de curator mondelinge en schriftelijke informatie te verschaffen die deze behoeven voor een goede, rechtvaardige afwikkeling van het faillissement. Bedoelde informatie wordt echter niet door [appellant] verschaft en dat is aanleiding geweest hem in verzekerde bewaring te doen stellen. [appellant] verstrekt nog steeds geen informatie en daarmee voldoet hij nog immer niet aan de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 105 Fw. De gronden voor de in verzekerde bewaringstelling zijn dan ook nog onverminderd aanwezig, aldus de rechtbank. Het is goed voorstelbaar dat door de curator en de rechter-commissaris in zijn faillissement verlangde informatie [appellant] strafrechtelijk (verder) kan belasten, maar hij bevindt zich niet in de positie dat hij als verdachte wordt verhoord in de zin van artikel 29 Wetboek van Strafvordering (Sv). [appellant] wordt immers niet door een opsporingsambtenaar of verhorende rechter als verdachte vragen gesteld betreffende zijn betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit en hij kan zich dan ook niet beroepen op het zwijgrecht van een verdachte. Dat zou - nog steeds volgens de rechtbank - alleen anders zijn als de rechter-commissaris of de curator zouden optreden onder regie van politie/justitie om de waarborgen van artikel 29 Sv te omzeilen. Daarvan is echter geen sprake, omdat de curator te kennen heeft gegeven dat de gedragingen van [appellant] zouden kunnen leiden tot een strafrechtelijke aangifte, maar dat het op dit moment nog niet zover is. Het betoog van [appellant] dat de informatieplicht als bedoeld in artikel 105 Fw zich niet zou verdragen met het nemo tenetur-beginsel, ontslaat [appellant] niet van zijn uit artikel 105 Fw voortvloeiende inlichtingenplicht. Als [appellant] al strafrechtelijk zal worden vervolgd, zal de strafrechter moeten beoordelen of vanwege de gestelde schending van voornoemd beginsel de door [appellant] in het kader van deze in verzekerde bewaringstelling verstrekte informatie in dat strafproces mogelijk niet als bewijs kan worden gebruikt. [appellant] kan zich - zo heeft de rechtbank tot slot overwogen - met een beroep op artikel 6 EVRM evenmin aan zijn verplichtingen onttrekken, omdat de faillissementsprocedure in het kader waarvan hij inlichtingen moet verschaffen niet gericht is op een strafrechtelijke aangifte tegen hem. Het gaat immers om inlichtingen die de curator redelijkerwijs nodig denkt te hebben voor een adequate uitoefening van zijn taak en dat wordt door [appellant] belemmerd, aldus de rechtbank. 3.4 Het hof overweegt naar aanleiding van het hoger beroep als volgt. 3.5 De in verzekerde bewaringstelling op grond van artikel 87 Fw (hierna ook wel: de faillissementsgijzeling) strekt ertoe om de tenuitvoerlegging van een wettelijke verplichting, meer in het bijzonder de informatieplicht van artikel 105 Fw, te garanderen en om de inlichtingenplichtige ertoe te bewegen aan die verplichting te voldoen. Het niet-naleven van de uit artikel 105 Fw voortvloeiende informatieplicht is krachtens artikel 5 lid 1 sub b EVRM een rechtvaardigingsgrond voor detentie. Het hof heeft, mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM, te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken gronden aanwezig zijn die de (voortduring van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.