GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem Nummers 12/00371 tot en met 12/00374 Uitspraakdatum: 5 maart 2013 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op de hoger beroepen van X BV, gevestigd te Z (hierna: belanghebbende), en de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 mei 2012, nummers AWB 10/4214 en 10/4215, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur
(2004)te verantwoorden, kan de onttrekking voor de vennootschapsbelasting eerst in 2004 hebben plaatsgevonden. De Inspecteur heeft mitsdien terecht de transactiewinst en onttrekking in 2004 bij belanghebbende in aanmerking genomen. Anders dan belanghebbende betoogt, is belanghebbende niet gehouden de transactiewinst te verantwoorden in het jaar waarin de koopovereenkomst is gesloten. 5.19. Voor de heffing van inkomstenbelasting kan het genietingsmoment van het door de aandeelhouders genoten (reguliere) voordeel in de tijd voorafgaan aan het tijdstip waarop de desbetreffende winst door belanghebbende is verantwoord (winstanticipatie). Voor de inkomstenbelasting wordt het (reguliere) voordeel door de aandeelhouders namelijk genoten op het tijdstip van het sluiten van de koopovereenkomst, en dient dit voordeel betrokken te worden in de inkomstenbelasting over het jaar waarin de overeenkomst tot stand is gekomen (vgl. HR 7 september 1988, nr. 24.884, LJN ZC3892, BNB 1988/319). 5.20. Voor de omvang van de winstuitdeling dient de werkelijke waarde van het perceel aan de A-straat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst te worden onderzocht. 5.21. De Inspecteur stelt dat de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel aan de A-straat is gesloten op de datum van de levering (30 augustus 2004), en dat het perceel op dat moment een werkelijke waarde had van € 2.326.567. Gelet op de toepassing van de bewijsregel van artikel 27e van de AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) dient belanghebbende op overtuigende wijze de onjuistheid van deze feitelijke stellingen aan te tonen. 5.22. Met betrekking tot het tijdstip waarop de koopovereenkomst is gesloten, heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat de koopovereenkomst op 17 december 2003 is opgesteld en dat dit een bijzonder sterke aanwijzing is dat deze overeenkomst kort daarna is gesloten. Het feit dat G op 17 december 2003 een koopovereenkomst heeft geconcipieerd op zijn computer, vormt onvoldoende bewijs dat op die datum de koopovereenkomst ook tot stand is gekomen. Waarbij het Hof meeweegt dat de zuster heeft verklaard in 2002, en dus niet in 2003, een overeenkomst ondertekend te hebben (zie 2.34). Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is zij niet geslaagd in haar (verzwaarde) bewijslast. Het Hof gaat derhalve ervan uit dat de koopovereenkomst is gesloten op 30 augustus 2004. 5.23. Ook met betrekking tot de waarde van het perceel aan de A-straat op 30 augustus 2004, is belanghebbende niet geslaagd in haar (verzwaarde) bewijslast. De Inspecteur heeft voor de door hem voorgestane waarde gewezen op de door de taxateurs E en F getaxeerde waarde van het perceel grond aan de A-straat per 30 augustus 2004 van € 2.326.567. Bij deze taxatie is de jaarhuur per 2005 (€ 232.640) gekapitaliseerd (factor 15,4) – welke factor wordt gestaafd door een verkooptransactie van een AA-pand in Q medio 2006 waaruit een kapitalisatiefactor van 15,5 kan worden afgeleid – hetgeen een getaxeerde waarde van het perceel grond met de nieuwe bedrijfshal meebrengt van € 3.485.000 (afgerond). Op deze waarde zijn vervolgens de werkelijke bouwkosten van de nieuwe bedrijfshal (€ 1.018.838) en de overdrachtsbelasting (€ 139.595) in mindering gebracht. 5.24. Belanghebbende stelt een rapport van taxateur C van 19 november 2012 (zie 2.36) daartegenover. Nu bij deze taxatie is uitgegaan van een andere waardepeildatum (13 december 2003) en daarbij geen rekening is gehouden met het overleg en de correspondentie die met de gemeente Z zijn gevoerd en met de huuronderhandelingen die met AA werden gevoerd, kent het Hof weinig gewicht toe aan deze taxatie. Met deze taxatie is belanghebbende dan ook niet geslaagd in haar (verzwaarde) bewijslast. Het Hof gaat derhalve ervan uit dat het perceel op 30 augustus 2004 een waarde had van € 2.326.567. Dit brengt mee dat de transactiewinst € 2.326.567 minus € 174.067 (fiscale boekwaarde per 30 augustus 2004), ofwel € 2.152.499 heeft bedragen. Van deze transactiewinst heeft belanghebbende reeds € 334.166 aangegeven. De winstcorrectie voor het jaar 2004 bedraagt derhalve € 1.818.333. 5.25. Van een winstuitdeling is sprake als zich een vermogensverschuiving heeft voorgedaan van de vennootschap naar haar aandeelhouders en partijen bij de overeenkomst zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de aandeelhouders werden bevoordeeld. Een vermogensverschuiving heeft zich voorgedaan van belanghebbende naar haar (middellijk) aandeelhouders voor een bedrag van € 2.326.567 (werkelijke waarde perceel grond) minus € 508.233 (koopsom perceel grond), ofwel € 1.818.334. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende en G in dit geval kunnen worden vereenzelvigd en dat aannemelijk is dat G de koopovereenkomst heeft geantedateerd (naar 11 november 2002) teneinde voor te wenden dat zich geen vermogensverschuiving heeft voorgedaan, moeten de bij de overeenkomst betrokken partijen zich van deze vermogensverschuiving bewust zijn geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat de zuster van G – mede-aandeelhouder in belanghebbende – zich van de winstuitdeling niet bewust is geweest. Zo deze stelling al wordt gevolgd – het Hof kan dit in het midden laten - dan nog leidt dat niet tot het door belanghebbende gewenste gevolg, nu dit niet eraan zou afdoen dat de bij de koopovereenkomst betrokken partijen – G en belanghebbende – zich van de vermogensverschuiving bewust moeten zijn geweest (vgl. HR 8 juli 1997, nr. 32.050, LJN AA2193, BNB 1997/295). Derhalve is sprake van een (niet-aftrekbare) onttrekking voor een bedrag van € 1.818.333. 5.26. Tussen partijen is niet in geschil dat een bedrag van € 1.818.333 aan de herinvesteringsreserve kan worden toegevoegd, zodat het door de Rechtbank vastgestelde verlies van € 592.085 gehandhaafd blijft. Evenmin is in geschil dat de reguliere afschrijving op de onroerende zaak in 2004 geen correctie behoeft, nu deze correctie in een later jaar plaatsvindt. Verrekening voorlopige teruggaaf 5.27. Op grond van artikel 21, derde lid, laatste volzin, van de Wet Vpb, wordt een voorlopige teruggaaf verrekend met de verliesverrekeningsbeschikking(
- en)dan wel, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige teruggaaf heeft geleid, is aangegeven. 5.28. De Inspecteur heeft tot een bedrag van € 1.295.400 voorlopige verliesverrekening toegepast met winsten over de jaren 2001 tot en met 2003. Dit heeft geresulteerd in voorlopige teruggaven ten bedrage van € 450.334. 5.29 De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2004, waarin impliciet een verliesvaststellingsbeschikking van nihil is begrepen, op grond van artikel 21, derde lid, laatste volzin, van de Wet Vpb de voorlopige teruggaven volledig teruggenomen. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur dit ten onrechte heeft gedaan, omdat het verlies voor het jaar 2004 blijft gehandhaafd op € 592.085 (zie 5.26). 5.30. Nu de Rechtbank de belastbare winst heeft berekend op een negatief bedrag van € 592.085 en tot datzelfde bedrag het verlies heeft vastgesteld, heeft de Rechtbank impliciet tevens de beslissing tot verrekening van de voorlopige teruggaven vernietigd voor zover meer verliezen voorlopig zijn verrekend dan het door haar vastgestelde bedrag. 5.31. Het bepaalde in artikel 21, derde lid, laatste volzin, van de Wet Vpb brengt mee dat de voorlopige teruggaaf moet worden verrekend bij de zogenoemde verliesverrekenings-beschikking(
- en)en dat verrekening bij de aanslag slechts is toegestaan indien geen verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld (vgl. HR 21 oktober 1998, nr. 33.579, LJN AA2281, BNB 1998/397). De Inspecteur heeft bevestigd dat de voorlopige teruggaaf op deze wijze dient te worden verrekend . Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat artikel 21, derde lid, van de Wet Vpb wordt beperkt door tijdsverloop, faalt dit betoog, nu dit geen steun vindt in het recht. 5.32. Het Hof leest de beslissing van de Rechtbank aldus, dat de voorlopige teruggaven met de aanslag worden verrekend tot het bedrag dat deze niet bij verliesverrekenings-beschikkingen worden verrekend. Slotsom Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende inzake de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 ongegrond te worden verklaard, dient het hoger beroep van de Inspecteur inzake die navorderingsaanslag niet-ontvankelijk te worden verklaard, dient het hoger beroep van belanghebbende inzake de aanslag vennootschapsbelasting 2004 ongegrond te worden verklaard, dient het hoger beroep van de Inspecteur inzake die aanslag ongegrond te worden verklaard, en dient de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004, zij het met verbetering van gronden, te worden bevestigd. 6. Proceskosten 6.1. Belanghebbende heeft ter zitting haar verzoek om een integrale proceskostenvergoeding ingetrokken. 6.2. Nu het hoger beroep van de Inspecteur inzake het jaar 2003 niet-ontvankelijk is verklaard, en inzake het jaar 2004 ongegrond, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat deze zaken samenhangen met die van LL (nrs. 12/00360 en 12/00361), G (nrs. 12/00363 tot en met 12/00366) en L (nrs. 12/00367 tot en met 12/00370). De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.124 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 472, wegingsfactor (zwaarte) 1,5, samenhangende zaken factor 1,5). 6.3. Verder komen ook de kosten van het door belanghebbende in het geding gebrachte taxatierapport ten bedrage van € 750 voor vergoeding in aanmerking. Dat het taxatierapport geen bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van het Hof, doet daaraan niet af (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, LJN BY2770 en HR 30 november 2012, nr. 12/00778, LJN BY4617). 6.4. De Inspecteur wordt derhalve veroordeeld in de totale kosten van € 2.874. Aan iedere partij genoemd in 6.2 kent het Hof een vierde deel hiervan toe, ofwel € 718,50. 7. Beslissing Het Hof: – bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met verbetering van de gronden; – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende ten bedrage van € 718,50. Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2013. De griffier, De voorzitter, (J.H. Riethorst) (A.J.H. van Suilen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.