GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.105.190 (zaaknummer rechtbank Leeuwarden 68134) arrest van de zesde civiele kamer van 26 maart 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Batavus B.V., gevestigd te Heerenveen, appellante, hierna: Batavus, advocaat: mr. W.B.J. van Overbeek, tegen: Vriend’s Tweewielercentrum [X], gevestigd te [plaats], geïntimeerde, hierna: Vriend, advocaat: mr. J. van Rhijn. 1. Het geding in eerdere instanties Voor het verloop van de procedure tot 16 september 2011 wordt verwezen naar het arrest van die datum dat de Hoge Raad heeft gewezen tussen Batavus als eiseres tot cassatie en Vriend als verweerster in cassatie (niet verschenen). 2. Het geding in hoger beroep na verwijzing 2.1 Bij exploot van 2 april 2012 heeft Vriend Batavus aangezegd: - dat de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 16 september 2011 het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 6 oktober 2009 heeft vernietigd; en - dat bij voormeld arrest van de Hoge Raad het geding ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar het gerechtshof te Arnhem; en voorts Batavus opgeroepen om voort te procederen ten overstaan van het gerechtshof Arnhem met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2011. 2.2 Batavus heeft een memorie na verwijzing genomen en geconcludeerd dat het hof bij arrest het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 4 oktober 2006 zal vernietigen en opnieuw rechtsdoende de vorderingen van Vriend zal afwijzen, met veroordeling van Vriend in de kosten van deze en eerdere instanties. 2.3 Vriend heeft een antwoordmemorie na verwijzing met negen producties genomen en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 4 oktober 2006 met veroordeling van Batavus in de kosten van het geding, waaronder de nakosten, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordelingen wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen arrest, en met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. 2.4 Ter zitting van 11 februari 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Batavus door mr. H.M. Cornelissen, advocaat te Amsterdam en Vriend door mr. J. van Rhijn en mr. J. Hoppe, advocaten te Alkmaar. Ter gelegenheid van dit pleidooi is namens Vriend een akte houdende (tien) producties genomen. 2.5 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest op het ten behoeve van de pleidooien door Batavus overgelegde dossier bepaald. 2.6 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing Omvang van het geding na cassatie 3.1 In dit geding dient met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft overwogen, alsnog te worden beoordeeld of de opzegging door Batavus van de dealerovereenkomst met Vriend op 27 april 2001, die volgens het gerechtshof Leeuwarden onderdeel en sluitstuk vormt van een onderling afgestemde feitelijke gedraging als bedoeld in artikel 6, lid 1 Mededingingswet (Mw.) en de strekking had om de concurrentie tussen de distributeurs te beperken, heeft geleid tot een merkbare beperking van de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan. Daarbij is van belang dat de Hoge Raad in het verwijzingsarrest onder meer de middelen die van de zijde van Batavus zijn voorgesteld tegen het oordeel van het gerechtshof Leeuwarden dat sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging (hierna: oafg of de gedraging) in de zin van artikel 6, lid 1 Mw. met de strekking de mededinging te beperken, heeft verworpen. Het onderzoek in de procedure na verwijzing beperkt zich daarom, waar het de toepassing van artikel 6, lid 1 Mw. betreft tot de merkbaarheid van de vastgestelde oafg met een mededingingsbeperkende strekking, in het licht van grief 10 onder b en c van Batavus. Ontwikkelingen in het (Europese) mededingingsrecht 3.2 Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, wijst het hof op het volgende. Nadat de Hoge Raad het verwijzingsarrest heeft gewezen, heeft het HvJ EU zich in het arrest van 13 december 2012 (zaak C-226/11, Expedia) over de rol van het begrip “merkbaarheid” bij de toepassing van artikel 101, lid 1 VWEU en de (parallelle) toepassing van het nationale mededingingsrecht uitgelaten. Op basis van dat arrest en de in dat kader uitgebrachte conclusie van Advocaat-Generaal J. Kokott kan twijfel rijzen over de vraag of het verwijzingsarrest van de Hoge Raad in de onderhavige zaak nog in overeenstemming is met het geldende EU-recht, zoals door het HvJ EU in het Expedia-arrest is uitgelegd. De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.9.3 van het verwijzingsarrest als volgt overwogen: “Dat bij een doelbeperking de gevolgen daarvan op de relevante markt niet meer of niet meer volledig behoeven te worden onderzocht, rechtvaardigt in zijn algemeenheid niet de conclusie dat het merkbaarheidsvereiste dan in het geheel niet meer zou gelden (….) Het hof heeft in rov.27 van het bestreden arrest, anders dan onderdeel 5.4 tot uitgangspunt neemt, op begrijpelijke en deugdelijk gemotiveerde wijze geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake was van een doelbeperking, doch heeft vervolgens ten onrechte zonder enig kenbaar nader onderzoek geoordeeld dat een concurrentiebeperking altijd reeds als merkbaar dient te worden gekwalificeerd, wanneer sprake is van een doelbeperking, zodat het onderdeel slaagt.” In het Expedia-arrest overweegt het HvJ EU in rechtsoverweging 37: “ Bijgevolg moet worden vastgesteld dat een overeenkomst die de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en een mededingingsbeperkende strekking heeft, naar haar aard en los van elk concreet gevolg ervan een merkbare beperking van de mededinging vormt.” Alhoewel het hof zich ervan is bewust dat de context van het Expedia-arrest een andere is dan die in de onderhavige zaak (de Expedia-zaak betrof de parallelle toepassing van artikel 101, lid 1 VWEU naast nationale -Franse- mededingingswetgeving, terwijl het hier gaat om de toepassing van uitsluitend nationaal mededingingsrecht), heeft het hof, mede in het licht van het door de wetgever geformuleerde uitgangspunt dat de Mw. “niet strenger en niet soepeler” is dan het EU-mededingingsregime en het gegeven dat artikel 1 Mw. voor in die wet gebezigde begrippen als “overeenkomst”en “onderling afgestemde feitelijke gedraging” verwijst naar artikel 81 van het Verdrag (thans: artikel 101 VWEU), partijen gevraagd zich bij pleidooi uit te laten over de mogelijke consequenties van het Expedia-arrest voor de verdere behandeling van deze zaak. Partijen zijn daarover niet eenduidig: Batavus heeft bepleit dat het Expedia-arrest niet dient te leiden tot een andere benadering van de door dit hof uit te voeren toets naar de merkbaarheid van de vastgestelde oafg met een mededingingsbeperkende strekking.Vriend daarentegen is van mening dat in het licht van het Expedia-arrest de merkbaarheid van de oafg met een mededingingsbeperkende strekking is gegeven en dat daarmee vaststaat dat Batavus met de opzegging van 27 april 2001, artikel 6, lid 1 Mw. heeft geschonden. 3.3 Het hof oordeelt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient dit hof met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad de behandeling voort te zetten. Niettemin behoudt het hof ook na verwijzing zijn bevoegdheid om op grond van het bepaalde in artikel 267 VWEU het HvJ EU vragen van uitleg te stellen indien die uitleg noodzakelijk is voor het nemen van zijn beslissing (HvJ EU, 16 januari 1974, zaak 166/77). Hoewel het Expedia-arrest vragen van uitleg naar de rol van het merkbaarheidsvereiste bij een strekkingsbeding of -handeling aan de orde stelt die ook van belang zijn voor de toepassing van het in deze procedure spelende nationale, op het EU-recht geënte mededingingsrecht, acht het hof die uitleg niet noodzakelijk voor het wijzen van zijn arrest, omdat het hof op basis van de feiten en omstandigheden kan vaststellen dat in dit geval aan het merkbaarheidsvereiste is voldaan. Het volgende is daartoe redengevend. Merkbaarheid bij strekkingsbeding: beoordelingskader 3.4 Bij de toetsing aan het merkbaarheidsvereiste moet rekening worden gehouden met de concrete situatie waarin de gedraging effect sorteert, en in het bijzonder met de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen opereren, de aard van de producten of diensten waarop deze overeenkomst betrekking heeft, en de structuur van de relevante markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert (vgl. CBb, 7 december 2005, Secon en G.Star, LJN AU8309). Binnen die context moet worden beoordeeld of het bij de gedraging betrokken deel van de relevante markt van zodanig geringe omvang is dat uitgesloten moet worden geacht dat hiervan betekenisvolle invloed uitgaat of uit kan gaan op de uitkomsten van de markt (vgl. CBb, 12 augustus 2010, T-Mobile, LJN BN3895). Nu op Vriend de stelplicht terzake van de schending van artikel 6, lid 1 Mw. rust, betekent dit dat hij moet stellen en bij voldoende betwisting moet bewijzen dat de bij deze gedraging betrokken ondernemingen geen zodanig zwakke positie op de betreffende relevante markt hebben. Daarbij zal het hof, anders dan Batavus voorstaat, ook de stellingen die Vriend in haar memorie na verwijzing ten aanzien van de merkbaarheid heeft ingenomen en de producties die zij in dat kader heeft overgelegd bij zijn beoordeling betrekken, nu Vriend met die stellingen en producties bij memorie van verwijzing en ter gelegenheid van het pleidooi haar eerdere stellingen (van voor het verwijzingsarrest) nader preciseert en onderbouwt. Er is anders dan Batavus betoogt daarom naar het oordeel van het hof geen sprake van een nieuwe of tardieve stellingname of tardief overgelegde stukken (vgl. HR 25 maart 2011, LJN BP 8991). 3.5 Daarnaast is naar het oordeel van het hof mede van belang, zoals Vriend terecht heeft gesteld, het antwoord op de vraag of de aan Batavus verweten gedraging geschikt (geëigend) was om de mededinging te beperken. Een gedraging die de strekking heeft de mededinging te beperken, maar daartoe niet geschikte middelen inzet, voldoet niet aan het merkbaarheidsvereiste en ontsnapt aldus aan het verbod van artikel 6, lid 1 Mw. (vgl. A-G Kokott in haar conclusie van 6 september 2012 bij het Expedia-arrest, t.a.p, randnummer 49). Relevante markt 3.6 Bij de beoordeling van de standpunten van partijen dienen de product- en geografische dimensie van de relevante markt in de zin van artikel 6, lid 1 Mw. te worden afgebakend.Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU omvat de relevante productmarkt alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd door de afnemer als onderling uitwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd. De relevante geografische markt is het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en welk gebied van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen. Nu partijen, blijkens de door hen na verwijzing ingenomen standpunten, beide van mening zijn dat de relevante markt de markt voor de productie en verkoop van fietsen in Nederland is, neemt het hof de aldus afgebakende markt bij zijn beoordeling tot uitgangspunt. Structuur van de relevante markt, aard van de producten en de economische en juridische context 3.7 Nadat de relevante markt is afgebakend, dient de positie van partijen op die markt te worden vastgesteld teneinde te kunnen bepalen of de bij deze gedraging betrokken ondernemingen geen zwakke positie op de betreffende relevante markt hebben als hiervoor onder 3.4 bedoeld. Door Vriend is gesteld dat het marktaandeel van Accell, de groep van ondernemingen waartoe Batavus in 2001 ten tijde van de verweten gedraging behoorde (en nog steeds behoort), op de (aldus afgebakende) relevante markt rond de 30% bedroeg. Tevens heeft Vriend gesteld dat Batavus, via de Accellgroep, in 2001 marktleider op die relevante markt was. Zij heeft ter onderbouwing daarvan onder meer verwezen naar het als productie 58 overgelegde Decisio-rapport, het als productie 58 overgelegde rapport van het GFK en de door Batavus in de tussen partijen gevoerde kort gedingprocedures (overgelegd als productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) genoemde percentages. Batavus heeft het percentage (van rond
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.