Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5614
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.101.047/01 (zaaknummer rechtbank Groningen 119606/HA ZA 10-585) arrest van de tweede kamer van 26 maart 2013 in de zaak van 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], hierna: [appellant 1], 2. [appellante 2], gevestigd te Balkbrug, hierna: [appellante], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend te Groningen, tegen ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: ING, advocaat: mr. E.C. Netten, kantoorhoudend te Amsterdam.
Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 19 oktober 2011 van de rechtbank Groningen.
Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure is als volgt:
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
De vordering van [appellant 1] in hoger beroep luidt: "Dat Uw Hof het vonnis van de Rechtbank Groningen van 19 oktober 2011 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van ING alsnog afwijst, onder veroordeling van ING in de kosten van de procedure in beide instanties, dat laatste uitvoerbaar bij voorraad."
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
De feiten 1. Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.
1.1 [BTO] (hierna: BTO) heeft bij ING een bankrekening aangehouden.
1.2 [appellante] is enig aandeelhouder en bestuurder van BTO. [appellant 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante].
1.3 Op 25 maart 2008 heeft [appellant 1] ING telefonisch verzocht tot nader order geen betalingsopdrachten uit te voeren ten laste van voornoemde bankrekening.
Naar aanleiding hiervan heeft ING de rekening geblokkeerd voor uitgaande betalingen. Op 27 maart 2008 vertoonde de rekening een creditsaldo van € 19.919,98.
1.4 In de ochtend van 28 maart 2008 heeft BTO (in de persoon van [appellant 1]) het faillissement van BTO aangevraagd. In de door de (toenmalige) advocaat van [appellant 1] opgestelde faillissementsaanvraag (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) staat onder meer: "Namens cliënte verzoek ik u de faillissementsaanvraag met de hoogste spoed te behandelen (…)" en: "Indien op de eerstvolgende reguliere faillissementszitting behandeling plaats zal vinden is de schade voor de crediteuren, waaronder de werknemers, waarschijnlijk groot. Het is daarom van het grootste belang dat de eigen aangifte per omgaand door uw Rechtbank behandeld zal worden en het faillissement wordt uitgesproken."
1.5 Op 28 maart 2008 heeft [appellant 1] namens BTO telefonisch aan ING te kennen gegeven enkele betalingen te willen uitvoeren. Zij maakt daarbij geen melding van de faillissementsaanvraag. Naar aanleiding hiervan heeft ING de blokkade van voornoemde rekening ter zake van uitgaande betalingen opgeheven. Daarop heeft [appellant 1], rond 13.30 uur, opdrachten tot betaling verstrekt voor in totaal € 41.732,16. De betalingen hadden betrekking op lonen en looncomponenten.
1.6 ING heeft deze betalingsopdrachten uitgevoerd en diezelfde dag in totaal € 41.732,16 afgeschreven van de bankrekening van BTO. Als gevolg van deze afschrijvingen (en na enkele bijboekingen door betalingen van derden aan BTO ter grootte van in totaal € 4.876,05) vertoonde de rekening op 28 maart 2008 een debetsaldo van € 16.936,13.
1.7 De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft diezelfde dag om 14.14 uur het faillissement uitgesproken en mr. Manning tot curator aangesteld.
1.8 De curator heeft ING gedagvaard voor de rechtbank Groningen en in die procedure (hierna: de hoofdzaak) gevorderd ING te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.796,03, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het gevorderde bedrag bestaat uit het hiervoor onder 1.3 genoemde creditsaldo van € 19.919,98, vermeerderd met de onder 1.6 genoemde bijboekingen ter grootte van in totaal € 4.876,05. De curator heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat BTO ingevolge art. 23 F. op 28 maart 2008 vanaf 00.00 uur niet meer bevoegd was over het tegoed op de bankrekening te beschikken.
1.9 De rechtbank heeft in deze hoofdzaak de vordering bij vonnis van 14 juli 2010 toegewezen. Zij heeft het beroep van de curator op art. 23 F. gehonoreerd en voorts het verweer van ING verworpen dat zij op grond van art. 52 F. niet gehouden is het gevorderde bedrag aan de boedel te voldoen, omdat zij bevrijdend heeft betaald.
1.10 Het tegen dit vonnis ingestelde (sprong)cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 23 maart 2012, LJN: BV0614, JOR 2012, 236 m. nt. [naam] en NJ 2012, 421 m. nt. [naam].
Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2. De onderhavige vrijwaringsprocedure strekt ertoe dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot al datgene waartoe ING in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. De daartoe aangevoerde gronden zullen hierna bij de bespreking van de grieven aan de orde komen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure veroordeeld.
De bespreking van de grieven 3. Het hof begrijpt grief I aldus dat de primaire grondslag voor toewijzing van de vordering bestreden wordt. Deze primaire grondslag komt erop neer dat [appellante] als gevolg van het faillissement haar vertegenwoordigingsbevoegdheid van BTO heeft verloren. Zij heeft BTO bij het geven van de betalingsopdrachten onbevoegd vertegenwoordigd en dient thans jegens ING in te staan voor het bestaan van haar vertegenwoordigingsbevoegdheid. ING maakt uit dien hoofde aanspraak op vergoeding van het positief contractsbelang. ING beroept zich op artikel 3:70 BW in verbinding met artikel 3:78 BW. ING acht daarnaast [appellant 1] aansprakelijk op grond van artikel 2:11 BW.
4.1 Ingevolge artikel 23 F. verloor BTO de beschikking en het beheer over haar tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen vanaf de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
4.2 Dit betekent echter niet dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen in de eerste zin van r.o. 4.4 van het bestreden vonnis, de bestuurder van BTO per datum faillissement haar bevoegdheid verloor om BTO te vertegenwoordigen (vergl. HR 19 mei 1999, NJ 1999/671).
4.3 Niettemin heeft de rechtbank klaarblijkelijk toch de primaire grondslag voor de vordering gehonoreerd, nu zij overweegt dat [appellant 1] in haar hoedanigheid van indirect bestuurder van BTO niet bevoegd was op 28 maart 2008 betalingsopdrachten te verstrekken ten laste van de bankrekening van BTO en zij vervolgens ingaat op het subsidiaire verweer van [appellanten], inhoudende een beroep op (analogie met) artikel 3:76 BW. Dat de rechtbank klaarblijkelijk de primaire grondslag heeft gehonoreerd valt ook af te leiden uit het feit dat de rechtbank niets zegt over de subsidiaire grondslag voor de vordering, te weten een beroep op onrechtmatige daad.
4.4 Van een ontbrekende vertegenwoordigingsbevoegdheid was echter geen sprake.
De primaire grondslag gaat reeds daarom niet op.
4.5 Gelet op het voorgaande is de in grief I besloten liggende klacht terecht voorgedragen. Of dit leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis zal moeten blijken, omdat het hof zich thans heeft te buigen over de in eerste aanleg niet behandelde subsidiaire grondslag voor de vordering, te weten een beroep op onrechtmatige daad.
4.6 Alvorens daartoe over te gaan, stelt het hof vast dat [appellanten] gelet op het voorgaande geen belang hebben bij bespreking van grief II die betrekking heeft op hun subsidiaire verweer, gebaseerd op artikel 3:76 BW.
Naast [appellant 1] houdt ING ook [appellante] aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad (zoals door mr. Netten, de advocaat van ING, ter comparitie in eerste aanleg is bevestigd).
Dit sluit aan op het in de memorie van antwoord sub 5.3 en volgende gestelde, welke stellingen het hof opvat als nadere onderbouwing van beide onrechtmatige daad grondslagen. Aldaar stelt ING onder meer dat [appellanten] de betalingsopdrachten verstrekten op het moment dat BTO als gevolg van de fictie van artikel 23 F. reeds in staat van faillissement verkeerde en zij derhalve wisten of behoorden te weten dat het ING niet was toegestaan deze betalingsopdrachten ten laste van het creditsaldo van BTO uit te voeren. Voor zover kennis van het faillissement bij [appellant 1] c.s, ondanks de fictie van artikel 23 F. niet aanwezig was, geldt dat zij er in ieder geval ernstig rekening mee dienden te houden dat het faillissement van BTO nog dezelfde dag zou worden uitgesproken, temeer nu in de faillissementsaanvraag uitdrukkelijk werd verzocht het faillissement met spoed uit te spreken, aldus ING. Daaraan voegt zij toe dat [appellant 1] c.s behoorden te begrijpen dat BTO geen verhaal zou bieden voor de door ING te lijden schade.
In afwachting van de nader te verstrekken gegevens houdt het hof ieder verder oordeel aan.
De beslissing Het gerechtshof:
Verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 23 april 2013 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellanten] als bedoeld in rechtsoverweging 16 van dit arrest, waarna ING hierop bij antwoordakte zal kunnen reageren;
Houdt iedere verder oordeel aan.
Dit arrest is gewezen door L. Janse, voorzitter, M.W. Zandbergen en R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 maart 2013.