GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 12/00060 uitspraakdatum: 26 maart 2013 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X BV te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 oktober 2008, nummer AWB 07/2234, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur). 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. Tegelijkertijd is op grond van artikel 20b, eerste lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) een verliesvaststellingsbeschikking van € 36.061 vastgesteld. 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de verliesvaststellingsbeschikking nader vastgesteld op € 156.969. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. 1.5 Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. 1.6 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld. 1.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 januari 2012, nr. 10/01694, LJN: BV1386 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. 1.8 Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben een conclusie na verwijzing ingediend. 1.9 Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Hoge Raad ontvangen dossier – waartoe behoort het dossier van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch – dat op deze zaak betrekking heeft. 1.10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [ ] als gemachtigde van belanghebbende en namens de Inspecteur [ ]. 1.11 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is in 1972 opgericht. In het onderhavige jaar waren de aandelen in belanghebbende in handen van A en zijn echtgenote B, die op 1 januari 1976 in dienst van belanghebbende zijn getreden (hierna: de werknemers). 2.2 In 1976 zijn aan de werknemers pensioenaanspraken toegekend. De met de pensioenaanspraken verband houdende verplichtingen zijn ondergebracht in een pensioenstichting (hierna: de Stichting). Ter dekking van de aanspraken zijn jaarlijks pensioenpremies aan de Stichting voldaan. Met ingang van 1 januari 1992 is de pensioenopbouw bij de Stichting gestaakt en zijn geen premies meer betaald. Per 31 december 2002 bedroeg de bij de Stichting opgebouwde pensioenvoorziening volgens haar administratie € 595.049,25. 2.3 Op 16 december 1992 heeft belanghebbende pensioenbrieven aan de werknemers uitgereikt waarin aan elk van hen een pensioen ter grootte van 70 percent van het eindloon is toegezegd (hierna: de pensioenbrieven). In de pensioenbrieven is ervan uitgegaan dat de diensttijd van de werknemers bij belanghebbende is aangevangen op 1 januari 1976. In de pensioenbrieven wordt geen melding gemaakt van de onderbrenging van de hiervoor in 2.2 genoemde pensioenverplichtingen bij de Stichting. Voorzover van belang luiden de pensioenbrieven als volgt: “Geachte A, Hierbij delen wij u mede, dat in de algemene vergadering van aandeelhouders, gehouden op 16-12-1992, door ons ten behoeve van Uzelf en van Uw echtgenote de hierna vermelde pensioenaanspraken zijn toegekend ten laste van onze vennootschap, zulks onder de voorwaarden, zoals deze eveneens hierna vermeld zijn. 1. Omschrijving van de grootte van de aanspraken. a. Een levenslang ouderdomspensioen van Uzelf, ingaande 01-03-2008, groot 70% van de pensioengrondslag. De grootte van deze toezegging is gebaseerd op een totaal te bereiken diensttijd van 32,1666 jaar. Uw dienstverband bij ons is namelijk aangevangen op 01-01-1976.” “Geachte B, Hierbij delen wij U mede, dat in de algemene vergadering van aandeelhouders, gehouden op 16-12-1992, door ons ten behoeve van Uzelf en van Uw echtgenoot de hierna vermelde pensioenaanspraken zijn toegekend ten laste van onze vennootschap, zulks onder de voorwaarden, zoals deze eveneens hierna vermeld zijn. 1. Omschrijving van de grootte van de pensioenaanspraken. a. Een levenslang ouderdomspensioen ten behoeve van Uzelf, ingaande 01-01-2009, groot 70% van de pensioengrondslag. De grootte van deze toezegging is gebaseerd op een totaal te bereiken diensttijd van 33,0833 jaar. Uw dienstverband bij ons is namelijk aangevangen op 01-01-1976.” 2.4 Op 10 december 2003 hebben belanghebbende, de Stichting en de werknemers een overeenkomst gesloten waarbij de Stichting haar pensioenverplichtingen per 31 december 2002 alsmede haar gehele belegde vermogen van € 402.513 heeft overgedragen aan belanghebbende. De overeenkomst hield onder meer het volgende in: “Artikel 1 (De Stichting) draagt per heden de bij haar verzekerde pensioenverplichtingen jegens A en B over aan X B.V., die deze verplichtingen aanvaardt. Deze aanspraken zijn partijen bekend op basis van de in de considerans beschreven pensioenopbouw gedurende de jaren 1976 tot en met 1991, vermeerderd met 3½% indexatie per jaar. (…) Artikel 2 De middels deze overeenkomst over te dragen pensioenaanspraken zullen opnieuw – zonder rekening te houden met de al dan niet toegezegde indexatie tegen nominale waarde – geïntegreerd deel uit gaan maken van de totale pensioenopbouw van A en B bij X B.V., zoals blijkt uit de in de considerans gememoreerde pensioenbrieven. Artikel 3 Door de overdracht en betaling, als in het volgende artikel bepaald, van de pensioenkapitalen wordt C gekweten van haar pensioenverplichtingen jegens A en B, zowel door X B.V. als door A en B. De laatsten verklaren na voldoening van de koopsom geen enkele aanspraak meer te kunnen doen gelden op bestaande pensioenrechten bij C.” In de considerans van deze overeenkomst wordt verwezen naar de pensioenbrieven. 2.5 In verband met de overdracht van het pensioenkapitaal hebben de pensioenaanspraken op dat moment geen verandering ondergaan. 2.6 De door belanghebbende in verband met de overdracht van eerdergenoemde pensioenverplichtingen ten laste van de winst gebrachte (buitengewone) pensioendotatie is door de Inspecteur bij het vaststellen van onderwerpelijke verliesvaststellingsbeschikking tot een bedrag van € 206.452 gecorrigeerd. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur alsnog geaccepteerd dat € 120.908 als pensioendotatie in verband met een onjuiste waardering van de ingebouwde rechten de winst kan verlagen. Per saldo heeft de Inspecteur een bedrag van € 85.544 niet in aftrek toegelaten. Hiertegen heeft belanghebbende tevergeefs beroep ingesteld bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank vervolgens hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. 2.7 Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur geoordeeld dat belanghebbende ten belope van het verschil tussen de hiervoor in 2.2 en 2.4 vermelde bedragen van € 595.049,25 respectievelijk € 402.513 een winstuitdeling heeft gedaan. Hiertegen heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. 2.8 In het verwijzingsarrest overweegt de Hoge Raad dat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ten onrechte belanghebbendes stelling, dat zij in haar hoedanigheid van werkgever uit hoofde van de pensioenbrieven de verplichting had om aan ieder van de werknemers een pensioen uit te keren van 70 percent van het laatstverdiende loon, en dat de werknemers uit dien hoofde de door hen in de jaren 1976 tot en met 1991 opgebouwde pensioenaanspraken tegenover belanghebbende geldend konden maken, niet heeft behandeld. Gelet hierop is de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing in de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. 2.9 Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende als volgt verklaard: “Er kan van worden uitgegaan dat A en B zelfstandige rechten hadden ten opzichte van C. De Hoge Raad lijkt daarvan uit te gaan en ook artikel 1 van de overeenkomst uit 2003 duidt daar op” 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of een pensioendotatie ter grootte van € 85.544, in verband met de van de Stichting overgenomen pensioenverplichtingen, niet als een kostenpost maar als een uitdeling van winst is te beschouwen. 3.2 Belanghebbende beantwoordt voornoemde vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Ter zitting heeft belanghebbende haar verzoek tot schadevergoeding ingetrokken. 3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en tot verhoging van de verliesvaststellingsbeschikking naar een bedrag van € 242.513. 3.5 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Beoordeling van het geschil 4.1 De volgende, in onderdeel 3.2 van het verwijzingsarrest, vermelde feiten en omstandigheden dienen naar het oordeel van het Hof bij de beoordeling of er in dit geval sprake is van een uitdeling van winst betrokken te worden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.