GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Leeuwarden nummers 11/00232 en 11/00233 uitspraakdatum: 16 april 2013 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2011, nummer AWB 10/1807, in het geding tussen Inspecteur en X te Z (hierna: belanghebbende) 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.504 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.685. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 5.501. 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.492 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.685, en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 4.297. 1.3 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.611 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.642. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 5.147. 1.4 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.158 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.642, en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 3.139. 1.5 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 juni 2011, verzonden op 6 juli 2011, gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de bestreden navorderingsaanslagen vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt. 1.6 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.7 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft. 1.8 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. B namens de Inspecteur. 1.9 De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. 1.10 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is geboren op 13 augustus 1939 en is gehuwd met C. 2.2 Belanghebbende is rond 2000, vanwege gezondheidsredenen, gestopt met zijn slagerij, die zijn zoons hebben voortgezet. 2.3 Belanghebbende houdt 300 van de 1.800 aandelen van D B.V.. 2.4 Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren in groepsverband, waarbij de groep wisselde van samenstelling, op veilingen onroerende zaken gekocht en deze nadien weer verkocht. Deze aan- en verkopen kwamen voor rekening van belanghebbende naar gelang het breukdeel van zijn gerechtigheid in de desbetreffende onroerende zaken. De “groep” van gezamenlijke kopers werd steeds ad hoc gevormd naar aanleiding van de ter veiling aangeboden onroerende zaken. Zij bestond uit belanghebbende en één of meer van de vijf overige aandeelhouders van D B.V., al dan niet aangevuld met derden dan wel uit belanghebbende en uitsluitend één of meer derden. Voor wat betreft de onderhavige onroerende zaken werd door de desbetreffende natuurlijke personen, waaronder belanghebbende, op eigen naam en voor eigen rekening gehandeld en dus niet op naam van of voor rekening van één of meer. 2.5 In 2003 is belanghebbende bij tien van dergelijke transacties met vastgoed betrokken geweest en in 2004 is belanghebbende bij vijf van dergelijke transacties met vastgoed betrokken geweest. Daarnaast heeft belanghebbende twee van de in 2004 op de bedoelde wijze aangekochte onroerende zaken in verhuurde staat aangehouden. 2.6 In 2003 ging het om de volgende onroerende zaken: - a-straat 335 te L (1/4) - b-straat 38 te M (1/4 ) - c-straat 3 te N (1/2) - d-straat 16 te O (1/6) - e-straat 159 te P (1/2) - f-straat 43 te Q (1/6) - g-straat 29b te Z (1/6) - h-straat 194 te R (1/3) - i-straat 11 te S (1/3) - j-straat 52 te T (1/5). 2.7 In 2004 ging het om de volgende onroerende zaken: - Boerderij E in Duitsland (1/3) - k-straat 33 te Z (1/6) - l-straat 35 te U (1/3) - m-straat 99te U (1/5) - n-straat 47 te V (1/13). 2.8 Naast de opbrengsten uit de participatie in de bedoelde vastgoedtransacties ontving belanghebbende ook uitkoopsommen. Het rapport vermeldt in dat verband: “In de lijn van het aan- en verkopen van de woningen ontvangt dhr. X ook strijk- en plokgelden en uitkoopsommen (welke ontvangen worden ter compensatie van het afzien van deelname als groepslid in de verkoopopbrengst van het aangekocht pand)”. Hij ontving in de onderhavige jaren onder de noemer “strijk- en plokgelden en uitkoopsommen” verschillende bedragen. In 2003 ontving belanghebbende uit dien hoofde in totaal € 2.043 en in 2004 in totaal € 5.925. 2.9 Bij belanghebbende is op 8 januari 2009 een boekenonderzoek ingesteld, waarvan de uitkomsten op 19 oktober 2009 in een rapport zijn vastgelegd. Daarin schrijft de Inspecteur onder meer: "Op basis van bovenstaande bevindingen zijn wij van mening dat dhr. X meer dan incidenteel woningen aan- en verkoopt dan wel via een groep meedeelt in de aan- en verkoop van woningen. Hierbij is het niet de bedoeling er zelf te gaan wonen, maar wel om winst te realiseren. Dhr. X is door eigen ervaring en deskundigheid, alsook de ervaring en deskundigheid van zijn relaties, er van op de hoogte dat de door hem betaalde koopprijzen voor onroerende zaken lager zijn dan de prijzen die hij bij de voorgenomen verkoop kan bedingen. In de lijn van het aan- en verkopen van de woningen ontvangt dhr. X ook strijk- en plokgelden en uitkoopsommen (welke ontvangen worden ter compensatie van het afzien aan deelname als groepslid in de verkoopopbrengst van het aangekochte pand). Ter zake van deze gelden geldt naar onze mening hetzelfde als omschreven ten aanzien van de handel in onroerende zaken. Standpunt belastingdienst Inkomstenbelasting: ROW (Box1): Op basis van het vorengaande zijn de activiteiten te kwalificeren als Resultaat uit Overige Werkzaamheden (hierna ROW) op grond van artikel 3.90 Wet IB 2001. De opbrengsten zijn belast in BOX 1. Voor de "plokgeld/strijkgeldschrijvers" gold in het verleden, dat die werden belast via art. 22-1-b Wet op de inkomstenbelasting 1964. De opvolger hiervan is ROW paragraaf 3.4.1 in de huidige wet inkomstenbelasting 2001. Op dit punt heeft de wetgever niets willen veranderen. (…) Overzicht correcties jaar 2003 jaar 2004 Opbrengst panden € 58.266 € 71.039 plokgelden/uitkoop € 2.043 € 5.925 € 60.309 € 76.964 berekende rente € 6.600 --/ € 5.148 --/ stelpost kosten € 2.000 --/ € 1.000 --/ Totaal correcties € 51.709 € 70.816 (…) 2003 2004 Vastgesteld inkomen uit werk en woning (box 1) € 9.126 € 16.741 Correctie inkomsten uit overige werkzaamheden € 51.709 € 70.816 Correctie OB € - 326 € - 946 Correctie aftrek buitengewone uitgaven € 2.995 € Gecorrigeerd inkomen uit werk en woning € 63.504 € 86.611". 2.10 De Inspecteur heeft belanghebbende in zijn brief van 25 juni 2010 inzake de motivering van de uitspraken op bezwaar onder meer als volgt geïnformeerd: “Uit het vorenstaande volgt dat uw bezwaren gedeeltelijk worden toegewezen, en wel als volgt: -correctie IB 2003 opbrengst panden lager € 8.104; Volgcorrectie buitengewone lasten 2003: 11,2% van € 8.104 = € 908 -correctie IB 2004 opbrengst panden lager € 12.453; Geen volgcorrectie buitengewone lasten 2004;". 2.11 De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift onder meer geschreven: "Voor wat betreft de factor deskundigheid/voorkennis kan onder meer worden gewezen op: -de jarenlang opgedane kennis en ervaring met vastgoedhandel (vanaf 2001); -de samenwerking met vastgoeddeskundigen (bij veilingen en in D BV); -binnen het 'wereldje' van veilinghandelaren is belanghebbende geen onbekende; -belanghebbende is goed op de hoogte van de (wijze van) financiering van het verhandelde vastgoed; -de gerealiseerde omzetten en winsten over de jaren 2003 tot en met 2007 zijn positief; -hij deed regelmatig al dan niet direct mee met biedingen op veilingen, waarvan het algemeen bekend is dat aldaar vastgoed tegen lagere dan marktprijzen kan worden verkregen.". 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de opbrengsten van de vastgoedtransacties waarin belanghebbende participeerde in de onderhavige jaren voor hem resultaat uit overige werkzaamheid vormen. 3.2 De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.3 Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 - gestelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 4. Beoordeling van het geschil 4.1 Ingevolge artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) is belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. 4.2 Onder werkzaamheid wordt ingevolge artikel 3.91, eerste lid, onder c, van de Wet IB mede verstaan het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis. 4.3 De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld dat de (participatie in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.