GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.100.905 (zaaknummer rechtbank Arnhem 202338) arrest van de derde kamer van 23 april 2013 in de zaak van
(51)overlegrondes, die tussen gemeente en RiverStone hebben plaatsgevonden. 4.14 Naar het oordeel van het hof heeft RiverStone met de verwijzing naar de stukken – tegenover de stelling van de gemeente daaruit slechts volgt dat B&W inspanningen heeft verricht om te komen tot een haalbaar en uitvoerbaar plan voor een nieuwe invulling van terrein RiverStone – niet, althans onvoldoende onderbouwd dat de gemeente haar heeft aangeboden de in rechtsoverweging 4.8 vermelde woningbouw op terrein RiverStone te ontwikkelen. In dit kader overweegt het hof het volgende. 4.15 De motie van de raad van 26 februari 2008, waarin zij uitspreekt “voor de verdere planontwikkeling als kader mee te geven dat woningbouw en recreatie op het terrein van RiverStone het uitgangspunt moet zijn”, is gericht aan B&W. Een aan RiverStone gericht aanbod kan daaruit niet worden afgeleid. De brief van 26 mei 2008 bevat geen aanbod, maar een toelichting op de motie van de raad van 26 februari 2008 van B&W aan RiverStone, zo blijkt uit de in de brief opgenomen passage “In uw brief van 31 maart jl. verzoekt u om een nadere uiteenzetting van het raadsbesluit over de toekomst van de locatie RiverStone. In antwoord hierop berichten wij het volgende.” Uit de brief van 26 november 2008, de verklaring van [wethouder 1] en de verzoeken, die B&W aan RiverStone zou hebben gedaan, is zonder nadere toelichting – die ontbreekt – evenmin een aanbod af te leiden. Dat tussen partijen vele gespreksrondes hebben plaatsgevonden betekent op zichzelf niet dat tussen hen wilsovereenstemming is ontstaan. Van een overeenkomst is geen sprake. Daarmee faalt grief VI. 4.16 De hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder sub 1 vermelde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Onrechtmatige daad 4.17 RiverStone stelt subsidiair dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens haar verkeerden de onderhandelingen tussen partijen tot het sluiten van de in rechtsoverweging 4.8 vermelde wilsovereenstemming tot ontwikkeling van woningbouw met recreatie op terrein RiverStone in een dermate vergevorderd stadium dat het afbreken daarvan onrechtmatig was, meer subsidiair dat het afbreken daarvan zonder een al dan niet gehele kostenvergoeding onrechtmatig was. De gemeente betwist deze stellingen van RiverStone. 4.18 Het hof verwerpt ook nu het verweer dat de vordering niet voldoende bepaald is en verwijst naar hetgeen in rechtsoverweging 4.9 is overwogen. Bevoegdheid civiele rechter 4.19 Ten aanzien van het verweer van de gemeente dat RiverStone in onderhavige zaak niet de civielrechtelijke weg had moeten bewandelen, maar een verzoek tot bestemmingsplanwijziging had moeten indienen, overweegt het hof als volgt. 4.20 De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 juli 2011, LJN: BP3057, overwogen: “(…) 3.6.
- Wenst de wederpartij van de gemeente nakoming van de uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende verplichting tot het nemen van het besluit, dan dient zij zich, na eventueel bezwaar, tot de bestuursrechter te wenden (in geval van een bestemmingsplan: langs de weg van beroep tegen het goedkeuringsbesluit van een hoger orgaan), als de rechter die bevoegd is ten aanzien van het besluit. (…) 3.6.
- Ter zake van een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie is de burgerlijke rechter evenwel de bevoegde rechter. Dat geldt ook in het zich hier voordoende geval dat de wederpartij schadevergoeding wenst in plaats van nakoming, welke keuze haar vrijstaat. De wederpartij kan weliswaar bij de bestuursrechter vernietiging van een naar aanleiding van de overeenkomst genomen besluit vragen wegens strijd met die overeenkomst, en in geval het beroep bij de bestuursrechter gegrond is, tevens schadevergoeding verzoeken op de voet van art. 8:73 Awb dan wel een schadebesluit van het overheidslichaam uitlokken. Maar deze mogelijkheid brengt niet mee dat de burgerlijke rechter niet langer bevoegd zou zijn kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie. (…).” 4.21 Toepassing van dit criterium op onderhavige zaak brengt mee dat RiverStone zich met een eventuele wens tot nakoming van de volgens haar tussen partijen overeengekomen, althans uitonderhandelde verplichting tot het nemen van een besluit van de raad ter ontwikkeling van woningbouw en recreatie op terrein RiverStone niet met succes tot de burgerlijke rechter kon wenden. In het onderhavige geval beoogt RiverStone met haar vordering echter geen nakoming te bewerkstellingen, maar een schadevergoeding wegens het op onrechtmatige wijze afbreken van onderhandelingen van de gemeente te verkrijgen. Op basis van voornoemd criterium stond deze keuze RiverStone vrij. In dat geval diende zij de vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen, hetgeen zij ook heeft gedaan. Het verweer van de gemeente dat de burgerlijke rechter van de rechtmatigheid van de motie van 19 januari 2010 moet uitgaan, nu RiverStone geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het hiervoor in rechtsoverweging 3.29 vermelde besluit op bezwaar heeft de gemeente ter zitting laten varen, zodat deze geen bespreking behoeft. Het hof zal op de subsidiaire vordering van RiverStone beslissen. Afbreken van onderhandelingen 4.22 Bij de beoordeling van de subsidiaire vordering stelt het hof voorop dat de vraag of de gemeente onrechtmatig jegens RiverStone heeft gehandeld door in een vergevorderd stadium de onderhandelingen tussen B&W en RiverStone af te breken beoordeeld moet worden op basis van de maatstaf in het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, LJN: AT
- Deze maatstaf luidt als volgt: “(…) dat als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 23 oktober 1987, nr. 12999, NJ 1988, 1017, rov. 3.1; HR 4 oktober 1996, nr. 16062, NJ 1997, 65, rov. 3.5.2.2; HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481, rov. 3.6). (…).” De vraag of de gemeente in strijd met een toezegging of een ongerechtvaardigd opgewekt vertrouwen jegens RiverStone heeft gehandeld, zal op basis van deze maatstaf, anders dan de gemeente in hoger beroep stelt, aan de orde dienen te komen. Het hof overweegt als volgt. 4.23 Vast staat dat in 2005 tussen RiverStone en B&W gesprekken zijn begonnen over de wijze waarop terrein RiverStone zou kunnen worden ingevuld. De aanleiding daartoe, zo is door de gemeente met stukken onderbouwd, was tweeledig. RiverStone was blijkens het rapport “Ontwikkeling locatie [X]” van Royal Haskoning van 28 november 2005 met ontwikkelaars in gesprek over een mogelijke recreatieve invulling van het terrein. Daarnaast had zij een gepatenteerd proces voor het ontwikkelen van stenen uit vervuild baggerslib ontwikkeld. De gemeente achtte de wijze waarop RiverStone van het terrein – dat was gelegen in de “groene wig” – gebruik maakte, in strijd met het bestemmingsplan en legde ter beëindiging van dit gebruik een last onder dwangsom van € 800.000,- aan RiverStone op. Met deze last kon RiverStone zich niet verenigen. De impasse van de discussie ter zake van de opgelegde last onder dwangsom, die tussen partijen ontstond, en het gezamenlijke belang dat partijen bij een nieuwe invulling van terrein RiverStone hadden, bracht toenmalig wethouder [wethouder 1], blijkens zijn als productie 37 bij de conclusie van repliek overgelegde verklaring, ertoe met RiverStone in gesprek te treden. Alvorens deze gesprekken konden beginnen werd de uitvoering van de last onder dwangsom, op verzoek van RiverStone, opgeschort. De gesprekken tussen B&W en RiverStone hebben geleid tot de zogenaamde verkennings- en uitwerkingsfase, die zijn vastgelegd de intentieovereenkomsten van 22 december 2005 en 22 juni
- Het gemeenschappelijk belang van partijen komt tot uitdrukking in sub e van de eerst genoemde overeenkomst, waar staat vermeld “De gemeente Rheden en Spacelift zijn overeengekomen dat voortzetting van regie op basis van dwangmiddelen voor beide partijen (onderstreping hof) niet wenselijk is ”. 4.24 In de verkennings- en uitwerkingsfase is blijkens de formulering van de intentieovereenkomsten geen sprake geweest van een onderhandeling strekkend tot enige resultaatsverplichting aan de zijde van B&W. Partijen zijn in de artikelen 7 respectievelijk 1 lid 5 van deze intentieovereenkomsten uitdrukkelijk een inspanningsverplichting overeengekomen. 4.25 Na afloop van voornoemde fases hebben de gesprekken tussen partijen zich toegespitst op de ontwikkeling van woningbouw en recreatie. Ten behoeve van de vergadering van 12 september 2006 hebben B&W het initieel concept voor de ontwikkeling van terrein RiverStone, waarin “wonen” centraal staat, aan de raad voorgelegd. In de kadernotitie van 4 december 2007 is vastgelegd dat B&W de raad zal verzoeken de functies “wonen, werken, natuurontwikkeling, water en recreatie” als kader voor de planontwikkeling vast te stellen. In de motie van 26 februari 2008, waarin de raad voor het eerst een standpunt over de invulling van terrein RiverStone inneemt, heeft de raad naar B&W uitgesproken “voor de verdere planontwikkeling als kader mee te geven dat woningbouw en recreatie op het terrein van RiverStone het uitgangspunt moet zijn”. Het hof is, anders dan de gemeente, van oordeel dat daarmee voldoende is aangetoond dat partijen met elkaar in onderhandeling zijn getreden en wel met het oog op het sluiten van een overeenkomst ter ontwikkeling van woningbouw en recreatie op terrein RiverStone. Op basis van voornoemde maatstaf van de Hoge Raad stond het de gemeente vrij deze onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van een gerechtvaardigd vertrouwen of in verband met andere omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. 4.26 Aan het enkele feit dat de raad tijdens de vergadering van 12 september 2006 geen opmerkingen bij het initieel concept heeft geplaatst, mocht RiverStone niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de overeenkomst tot ontwikkeling van het terrein RiverStone tot stand zou komen. Het concept is, blijkens de agenda van die vergadering, slechts ter kennisneming aan de raad voorgelegd, waaraan niet afdoet dat in die agenda onder 2A.7 is vermeld “Instemming met het initieel concept voor de ontwikkeling van terrein Riverstone: Wonen Centraal.” 4.27 In de brief van 26 mei 2008 hebben B&W het in de motie van 26 februari 2008 opgenomen standpunt van de raad jegens RiverStone een positievere uitleg gegeven dan het hof in de motie leest. B&W schrijven dat “de raad zich in principe positief uitspreekt over woningbouw en recreatie op het terrein van RiverStone, maar dat zij drie haalbare en wezenlijk verschillende kwalitatief hoogwaardige ontwerpen willen terugzien ” en dat “Dit betekent dat u door kunt met de planvorming voor RiverStone”, terwijl de raad in de motie heeft uitgesproken “de voorliggende Kadernotitie, het Masterplan en de Gebiedsvisie Groene Wig nog niet vast te willen stellen” en “dat de uitwerking van het Groenfonds en de plannen voor natuurontwikkeling en -beleving en de keuze voor een van de drie varianten, waarop de uiteindelijke bestemmingsplanprocedure zal zijn gebaseerd, tegelijkertijd ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd”. Desgevraagd heeft de gemeente ter zitting geen eenduidige verklaring voor deze incongruentie gegeven. De brief vormt een door B&W gegeven interpretatie van een veeleisende onduidelijke motie van de raad, aldus de gemeente. Wat daarvan zij, RiverStone mocht afgaan op deze uitleg van B&W, die haar gesprekspartner was, nu zij op dat moment geen reden had aan de juistheid daarvan te twijfelen. 4.28 Vervolgens is op 13 november 2008 RiverStone Gebiedsontwikkeling B.V. opgericht. Ter zitting heeft de gemeente bevestigd dat deze samenwerkingsvorm tussen RiverStone B.V, ASR en C&I op initiatief van B&W tot stand is gekomen, waarmee grief III slaagt. Met de oprichting werd beoogd ter waarborging van de kwaliteit een professionele projectontwikkelaar bij de planvorming te betrekken. Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat de oprichting ertoe heeft gestrekt een kapitaalkrachtige derde partij bij de uitvoering van de plannen te betrekken. Tegenover de stelling van RiverStone dat in de van de zijde van de gemeente opgestelde kadernotitie van 4 december 2007 onder het kopje “Uitvoering” niet slechts staat “RiverStone wordt ondersteund door een professionele ontwikkelende partij”, maar ook “RiverStone en de ontwikkelaar voeren de grond- en opstalexploitatie voor haar rekening en risico”, heeft de gemeente haar stelling dat bij de oprichting slechts de kwaliteit van de planvorming een rol speelde onvoldoende toegelicht. 4.29 Met de in rechtsoverweging 4.27 genoemde (te) positieve uitleg van de motie van de raad en het in rechtsoverweging 4.28 vermelde initiatief tot oprichting van RiverStone Gebiedsontwikkeling B&W, heeft de gemeente naar het oordeel van het hof bij RiverStone de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat enige vorm van woningbouw en recreatie op terrein RiverStone zou worden toegestaan. De gemeente heeft RiverStone ertoe aangezet drie woningbouwontwerpen op te stellen, een professioneel projectontwikkelaar in te schakelen en een kapitaalkrachtige derde partij te benaderen. Dit zijn vergaande en concrete stappen ter ontwikkeling en uitvoering van het plan te komen tot woningbouw en recreatie op terrein RiverStone. De gemeente moet zich gerealiseerd hebben dat zij dat vertrouwen heeft gewekt. Dat zij zich dit heeft gerealiseerd lijkt ook uit de overgelegde latere reacties van de voormalige wethouders [wethouder 1] en [wethouder 2] te volgen. In de verklaring van [wethouder 1] staat: “Ik ging en ga ervan uit dat [medewerker geïntimeerde sub 4] (opmerking hof: tijdens de onderhandelingen gesprekspartner namens RiverStone) op basis van die motie er zonder meer op mocht vertrouwen dat woningbouw ontwikkeld zou worden, op basis van een van de ontwerpen waarover later beslist zou worden.” [wethouder 2] heeft volgens het verslag van de vergadering van de raad van 19 januari 2010 gezegd: “Hij vindt dat nu ook de consistentie en de betrouwbaarheid van het bestuur in het geding is. Hierover kunnen vragen worden gesteld. Als de raad nu een andere koers kiest, liggen daar geen nieuwe informatie of overwegingen aan ten grondslag. Hij wijst erop dat er mogelijk consequenties aan zijn verbonden.” Indien de gemeente, zoals zij thans stelt, van mening was dat gezien de aard van projectontwikkelingsbranche een reële kans bestond dat het plan niet zou worden uitgevoerd en dat de kosten daarvan voor rekening van RiverStone behoorden te komen, had het op haar weg gelegen dit aan RiverStone mee te delen. Dat zij dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. 4.30 Voornoemde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, brengen mee dat de onderhandelingen tussen partijen vanaf 26 mei 2008 niet (langer) vrijblijvend konden worden afgebroken. De bekendheid van RiverStone met het feit dat voor de uiteindelijke verwezenlijking van het plan instemming van de raad noodzakelijk was, kan daartegenover niet tot een ander oordeel leiden. RiverStone mocht ervan uitgaan dat de raad zich akkoord had verklaard met enige vorm van woningbouw en recreatie en zij behoefde niet te verwachten dat de raad daar zomaar op terug zou komen. 4.31 Bij brief van 26 november 2008 hebben B&W aan RiverStone laten weten dat zich “wezenlijke veranderingen” hebben voorgedaan. B&W schrijven dat een gedeputeerde heeft aangegeven “vraagtekens te zetten bij een relatief omvangrijke woningbouwontwikkeling” en “bestuurlijk draagvlak op provinciaal niveau verre van zeker is”. B&W hebben “het draagvlak bij bevolking en instellingen en andere overheden gepeild” en “ De onzekerheden zijn groot; tendensen gaan eerder en sterker in de richting van toenemende nadruk op natuur, landschap en water dan op bebouwing”, aldus B&W in de brief. 4.32 Naar het oordeel van het hof had RiverStone op basis van deze brief kunnen en moeten begrijpen dat er politiek en maatschappelijk veel weerstand bestond tegen de uitvoering van het plan tot woningbouw en recreatie en dat deze weerstand mogelijk in de weg zou staan aan de realisatie van dat plan en aan de gerede kans dat tussen partijen een overeenkomst ter ontwikkeling van woningbouw en recreatie op terrein RiverStone tot stand zou komen. Dat zij dit heeft begrepen lijkt te worden bevestigd door het feit dat RiverStone, na ontvangst van de brief, aan onderzoeksbureau TNS Nipo opdracht heeft gegeven een onderzoek naar de publieke opinie met betrekking tot de plannen in te stellen. Het hof acht daarom geen grond aanwezig voor vergoeding van de door RiverStone gevorderde gederfde winst, die met de realisatie van het masterplan zou zijn behaald en de eventuele schade, die verband houdt met het feit dat gedurende 5 jaar geen industriële exploitatie op terrein RiverStone heeft plaatsgevonden. 4.33 De in de brief geformuleerde waarschuwing behoefde echter niet in de weg te staan aan de voortgang van het onderhandelingproces tussen partijen. Het hof is met het oog daarop van oordeel dat het op de weg van de gemeente had gelegen om aan RiverStone mee te delen dat RiverStone de, op initiatief van de gemeente in gang gezette, oprichting van de in rechtsoverweging 4.28 vermelde samenwerkingsvorm en uitvoering van de in rechtsoverweging 4.29 vermelde stappen diende te staken, althans dat de kosten verbonden aan de verdere voortzetting van die oprichting en die uitvoering voor rekening en risico van RiverStone zouden komen. Nu de gemeente dit heeft nagelaten, acht het hof het gerechtvaardigd dat zij de, na de brief van 26 november 2008 door RiverStone gemaakte kosten, tenminste gedeeltelijk aan RiverStone dient te vergoeden. Dit geldt temeer gelet op het feit dat partijen in de intentieovereenkomsten, voor het geval de samenwerking tussen hen voortijdig beëindigd zou worden, een vergoeding voor gemaakte kosten zijn overeengekomen, welke intentieovereenkomsten partijen niet hebben verlengd, terwijl dat blijkens hetgeen zij ter pleidooizitting naar voren hebben gebracht wel hun bedoeling was. Gelet op de ontwikkelingen en het voortschrijden van de tijd geldt hier evenwel niet langer de beperking van artikel 3 lid 8 van de intentieovereenkomst van 22 juni
- 4.34 De conclusie van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.22 tot en met 4.33 is overwogen, is dat de onderhandelingen op onrechtmatige wijze zijn afgebroken. Indien de gemeente de onderhandeling heeft afgebroken, is zij aansprakelijk voor tenminste een deel van de kosten, die Riverstone daaraan voorafgaand, heeft gemaakt. De gemeente betwist echter dat zij de onderhandeling heeft afgebroken. 4.35 Volgens de gemeente heeft RiverStone zelf ervoor gekozen de onderhandelingen te beëindigen. B&W hebben tweemaal naar RiverStone uitgesproken dat zij de motie van de raad van 19 januari 2010 niet zouden uitvoeren, zodat de weg naar woningbouw met de motie niet was afgesneden, aldus de gemeente. 4.36 Het hof oordeelt hierover als volgt. De omstandigheid dat RiverStone, zoals de gemeente stelt en RiverStone niet betwist, ervan op de hoogte was dat het plan ter ontwikkeling van woningbouw en recreatie instemming van de raad behoefde alvorens het kon worden uitgevoerd, maakt reeds dat niet van RiverStone kon worden verwacht dat zij de onderhandelingen na afwijzing door de raad nog verder zou voortzetten. Bovendien volgt uit de van de zijde van RiverStone overgelegde stukken dat ook B&W zich, ondanks haar toezegging de motie naast zich neer te leggen, op het standpunt hebben gesteld dat verwezenlijking van het plan niet aannemelijk meer was. In het verslag van de vergadering van de raad van 19 januari 2010 wordt vermeld: “ (…) [gedeputeerde 2] (GL) begrijpt de wethouder aldus, namelijk dat het nu mogelijk is dat de ontwikkelaar verder gaat met woningbouw. Daarop zegt wethouder [wethouder 2] dat deze dan weet dat de kans op succes, gezien de uitspraak van de raad, niet erg groot is. Op de opmerking van [gedeputeerde 2] dat het nu dus aan de ontwikkelaar is, bevestigt hij dat. Het college heeft een voorstel gedaan, de raad accepteert dat niet en daaruit volgt dat het verhaal uit is. (…).” Bij brief van 22 september 2011 laat de gemeente aan RiverStone weten dat “ (…) op dit moment geen enkel uitzicht meer bestaat op een andere invulling van het terrein(…).” De conclusie is dat de motie van de raad van 19 januari 2010 ertoe heeft geleid dat het plan feitelijk onuitvoerbaar was geworden, zodat de raad met het aannemen van die motie de onderhandelingen tussen partijen op onrechtmatige wijze heeft afgebroken. De gemeente is voor de mogelijk daaruit voortgevloeide schade aansprakelijk. 4.37 Grief VII slaagt hiermee deels. De in rechtsoverweging 2.1 onder sub 2 vermelde verklaring voor recht zal als na te melden gedeeltelijk worden toegewezen. Schade 4.38 De als gevolg van de onrechtmatige handelswijze van de gemeente geleden schade bestaat volgens RiverStone uit 4 componenten, te weten: a. gederfde winst, die met de realisatie van het masterplan zou zijn behaald; b. gederfde winst, die verband houdt met het feit dat gedurende 5 jaar geen industriële exploitatie op terrein RiverStone heeft plaatsgevonden; c. kosten ter voorbereiding en totstandkoming masterplan; d. kosten ter oprichting joint venture (oprichtingskosten en overdrachtsbelasting). 4.39 Het hof overweegt als volgt. De onder sub a en b vermelde gederfde winst komt op basis van hetgeen in rechtsoverweging 4.32 is overwogen niet voor vergoeding in aanmerking. De onder sub c en d vermelde kosten dient de gemeente, op grond van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.33 is overwogen, in beginsel wel (gedeeltelijk) aan RiverStone te vergoeden. Omdat het debat van partijen over de omvang van die schade nog onvolkomen is gevoerd, wordt de procedure op dit punt verwezen naar de schadestaatprocedure. De in rechtsoverweging 2.2 onder sub 3 vermelde verklaring voor recht zal in zoverre worden toegewezen. 4.40 In de eerste grief, waarin RiverStone het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorlegt, is onvoldoende kenbaar gemaakt waartegen de gemeente zich dient te verweren (vergelijk Hoge Raad 5 december 2003, LJN: AJ3242, rechtsoverweging 3.4.3 en 3.4.4). De grief faalt op die grond. 4.41 Nu het hof hiervoor onder 4 zelfstandig de feiten heeft vastgesteld, heeft RiverStone geen belang bij de behandeling van de tweede grief dat terrein RiverStone geen onderdeel van de provinciale EHS-structuur vormt. Grief II faalt daarom. 4.42 Bij behandeling van grief IV dat de architectenbureaus op uitdrukkelijk verzoek van de gemeente zijn ingeschakeld, heeft RiverStone geen belang. Vast staat dat de architectenbureaus in navolging van de brief van 26 november 2008, aldus na de duidelijke waarschuwing van B&W en na de periode ter zake waarvan de gemeente jegens RiverStone schadeplichtig is geworden, zijn ingeschakeld. Grief IV faalt dan ook. 4.43 Grief V inhoudende dat RiverStone voorafgaand aan het sluiten van de intentieovereenkomsten in een vergevorderd stadium was met het ontwikkelen van industriële plannen, maar daarvan op verzoek van de gemeente heeft afgezien, faalt op grond van hetgeen in rechtsoverweging 4.23 is overwogen. 4.44 RiverStone noch de gemeente heeft feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
- Slotsom 5.1 Uit het voorgaande volgt dat de grieven I, II en IV tot en met VI falen. Grief III slaagt. Grief VII slaagt gedeeltelijk. Omwille van de duidelijkheid wordt het bestreden vonnis geheel vernietigd en zal een nieuw dictum worden geformuleerd. 5.2 Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. 5.3 De hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder 4 vermelde vordering van RiverStone de gemeente te veroordelen tot (terug)betaling zal gelet op de proceskostencompensatie worden toegewezen, voor zover RiverStone in eerste aanleg de proceskosten van de gemeente heeft gedragen.
- De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 31 augustus 2011, voor zover tegen ASR en C&I gewezen; vernietigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 31 augustus 2011, voor zover dit is gewezen tegen Riverstone B.V. en Riverstone Gebiedsontwikkeling, en doet opnieuw recht; verklaart voor recht dat de gemeente in de periode van 26 mei 2008 tot 26 november 2008 onrechtmatig heeft gehandeld jegens RiverStone B.V. en RiverStone Gebiedsontwikkeling door te handelen in strijd met de door de gemeente bij RiverStone B.V. en RiverStone Gebiedsontwikkeling gewekte verwachtingen door in de gegeven omstandigheden de onderhandelingen en samenwerking met RiverStone B.V. en RiverStone Gebiedsontwikkeling met betrekking tot de nadere planvorming met betrekking tot het voornoemde, aan RiverStone Gebiedsontwikkeling in eigendom toebehorende perceel af te breken zonder RiverStone B.V. en RiverStone Gebiedsontwikkeling tijdig een adequate vergoeding aan te bieden; veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de door RiverStone B.V. en RiverStone Gebiedsontwikkeling als gevolg van het onrechtmatig handelen als hierboven in rechtsoverweging 4.39 bedoelde schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 februari 2010 tot aan de dag ter algehele voldoening; compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt; veroordeelt de gemeente tot (terug)betaling van de door RiverStone uit hoofde van het vonnis van 31 augustus 2011 gedragen proceskosten van de gemeente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat RiverStone deze betaling aan de gemeente heeft gedaan; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, G.P.M. van den Dungen en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.