GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.154.605/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 3148739 \ VV EXPL 14-46) arrest van de eerste kamer van 30 december 2014 in spoed kort geding in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.P. Kleefstra, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit. tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. H.M. Lenting, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 17 juli 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Assen (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 augustus 2014 met grieven, - de memorie van antwoord tevens van (voorwaardelijke) grieven in incidenteel hoger beroep, - de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, - het gehouden pleidooi waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 2.2 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] luidt: "(…) te vernietigen het op 17 juli 2014 door de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen onder zaak- en rolnummer 3148739 / VV EXPL 14-46 gewezen vonnis, tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, en, opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de oorspronkelijke vordering van appellante (onder II. van de inleidende dagvaarding), inhoudende veroordeling van geïntimeerde om zich binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te onthouden van vestiging van en/of op enigerlei wijze betrokken te zijn bij een bedrijf zijnde een beautycentrum in de breedste zin des woords op een locatie binnen de gemeente en de stad [woonplaats 2] anders dan op het adres [adres] te [woonplaats 2], op straffe van een onmiddellijk opeisbare en niet verrekenbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerde nalaat aan deze veroordeling gevolg te geven (zulks met een maximum van € 100.000,00), alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties". 2.4 In (voorwaardelijk) incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd: "(…) te vernietigen het onder zaak- en rolnummer 3148739 / VV EXPL 14-46 door de Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [woonplaats 2], gewezen vonnis d.d.17 juli 2014, zulks voor wat betreft het oordeel waartegen incidentele grieven zijn gericht - en opnieuw rechtdoende bij arrest - de vorderingen van [appellant] af te wijzen". 3De beoordeling in hoger beroep De vaststaande feiten 2.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.11 van genoemd vonnis van 14 augustus 2014 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt. 2.1.1 [geïntimeerde] is sinds 1996 als kapster in dienst geweest bij [appellant], die destijds blijkens het overgelegde uittreksel van de kamer van koophandel op het adres aan de [adres], te [woonplaats 2] onder de handelsnaam "[X]" zonnebanken verhuurde en een dames-en herenkapsalon, bewegingsstudio en nagelstudio exploiteerde. 2.1.2 [geïntimeerde] en [appellant] hebben op 29 augustus 1997 een huurovereenkomst gesloten, waarbij [appellant] aan [geïntimeerde] haar bedrijfsruimte aan de [adres], te [woonplaats 2] met inventaris aan [geïntimeerde] is gaan verhuren. 2.1.3 [geïntimeerde] heeft daarnaast de bedrijfsvoering van "[X]" van [appellant] overgenomen. [geïntimeerde] heeft de inrichting aangepast en de naam gewijzigd in "[Y]". 2.1.4 De huurovereenkomst bevat onder het kopje "Bijzondere bepalingen" de volgende bepaling: “Het zal huurder uit oogpunt van concurrentie verboden zijn in de gemeente [woonplaats 2] tot 1 jaar na beëindiging van de exploitatie van het gehuurde zich te vestigen of op enigerlei wijze betrokken te zijn bij een bedrijf hetwelk het zelfde assortiment voert c.q. dezelfde diensten verleend als momenteel geschiedt in onderhavige gehuurde.” 2.1.5 Op initiatief van [geïntimeerde] hebben partijen op 24 augustus 2012 in aanwezigheid van [Z] met elkaar gesproken over de mogelijkheid de huurovereenkomst aan te passen. 2.1.6 [geïntimeerde] heeft hetgeen op 24 augustus 2012 is besproken in een brief van 28 augustus 2012 aan [appellant] vastgelegd. Deze brief is door [appellant] voor akkoord ondertekend. In deze brief is, voor zover hiervan belang, het volgende opgenomen: “(...) In dit gesprek heeft u aangegeven dat de huurovereenkomst weliswaar op papier voor een huurperiode van 5 jaar loopt, maar de huurder tevens de mogelijkheid heeft om eerder op te zeggen en de huurovereenkomst te beëindigen. Om hier geen verwarring over te laten bestaan zouden wij daarom graag met de ondertekening van deze brief vast willen leggen dat de huurovereenkomst vanaf heden voor onbepaalde tijd gaat lopen, waarbij huurder een opzegtermijn heeft van 12 kalendermaanden, zoals u het heeft aangegeven in ons gesprek. Ook hebben wij kort gehad over eventueel onderverhuur van (een deel) van het gehuurde. U heeft aangegeven hier voor open te staan, maar vooraf zicht te willen hebben wat er dan in uw pand komt. We stellen voor dat indien onderverhuur gewenst is en er een kandidaat in beeld is, huurder dit bij u kenbaar maakt en u de onderhuurder kunt beoordelen. Wij gaan er hierbij vanuit dat u uw goedkeuring niet op onredelijke gronden zult onthouden. Graag zouden wij deze punten en het verwijderen van de bijzondere bepaling vandaag nog kort verduidelijken en vastleggen, voordat er een definitieve beslissing voor verlenging van de huurovereenkomst door [Y] wordt genomen. Er vanuit gaande een en ander correct te hebben verwoord, ontvangt [Y] graag een kopie van deze brief voor akkoord ondertekend retour, zodat deze als allonge aan de huurovereenkomst kan worden gehecht.” 2.1.7 [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst bij brief van 29 juli 2013 tegen 1 september 2014 opgezegd. 2.1.8 De gemachtigde van [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 8 november 2013 erop gewezen dat [geïntimeerde], indien zij elders in de gemeente [woonplaats 2] een beautysalon gaat uitoefenen, in strijd handelt met het daarin opgenomen concurrentiebeding. De gemachtigde heeft [geïntimeerde] daarnaast gesommeerd het gebruik van de handelsnaam "[X/Y]" te staken. 2.1.9 De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft de gemachtigde van [appellant] bij brief van 7 januari 2014 geantwoord dat [geïntimeerde] geen gehoor geeft aan de sommaties van [appellant] omdat partijen op 24 augustus 2012 zijn overeengekomen dat het concurrentiebeding zou worden geschrapt en de handelsnaam met de onderneming van [appellant] in 1997 aan [geïntimeerde] is overgedragen. 2.1.10 De gemachtigden van partijen hebben over en weer voorstellen gedaan met betrekking tot een minnelijke regeling. Die voorstellen hebben niet tot overeenstemming geleid. 2.1.11 [appellant] heeft de benedenverdieping, inclusief de achtergebleven inventaris, inmiddels verhuurd. Het geschil en de procedures in eerste aanleg 2.2 Op 23 mei 2014 heeft [appellant] bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, sector kanton (hierna de kantonrechter) een bodemprocedure jegens [geïntimeerde] aanhangig gemaakt, waarbij - kort gezegd - een verklaring voor recht wordt gevraagd dat [geïntimeerde] tot 1 september 2015 zich niet mag vestigen in de gemeente [woonplaats 2] met een bedrijf dat hetzelfde assortiment voert, c.q. dezelfde diensten verleend als een beautycentrum in de ruimste zin van het woord. Daarnaast is staking van het gebruik van de handelsnaam “[X/Y]” gevorderd. 2.3 Bij inleidende dagvaarding van 24 juni 2014 heeft [appellant] vervolgens de onderhavige kort-gedingprocedure aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van voornoemde rechtbank en daarbij jegens [geïntimeerde] gevorderd, samengevat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.