GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.135.816/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/125165/HA ZA 11-213) arrest van de tweede kamer van 11 maart 2014 in het incident schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats 1], appellante in de hoofdzaak, tevens eiseres in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. G.C.A. Dwarshuis-Doornbos, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde in de hoofdzaak, tevens verweerder in het incident, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. F.H. Kappelhof, kantoorhoudend te Delfzijl. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 14 december 2011, 21 maart 2012, 20 juni 2012 en 24 juli 2013 van de rechtbank Groningen respectievelijk de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 oktober 2013;- een incidentele memorie ex artikel 351 Rv van [appellante]; - een antwoordmemorie van [geïntimeerde]. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante] in het incident luidt: ''Dat appellante de eer heeft te concluderen dat het uw hof moge behagen de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, afdeling privaatrecht van 24 juli 2013 (zaak-/rolnummer C/18/125165/HA ZA 11-213) te schorsen totdat in deze instantie over de deze zaak is beslist, kosten rechtens.'' 3De beoordeling in het incident 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 [appellante] heeft aan [geïntimeerde] een woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 1], verkocht voor een bedrag van € 85.000,-. De koopovereenkomst is door partijen op 5 en 6 januari 2009 ondertekend. Het notarieel transport heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009. 3.1.2 Na de overdracht is [geïntimeerde] begonnen met de verbouwing van de woning. Vervolgens heeft hij een aantal gebreken geconstateerd, ter zake waarvan [appellante] op 3 augustus 2009 in gebreke en aansprakelijk is gesteld. Bij deze gelegenheid is tevens aangegeven dat er asbest in de tuin is aangetroffen. 3.1.3 Op 15 juli 2010 heeft de firma Outline Consultancy in opdracht van [geïntimeerde] een indicatief grondonderzoek op het terrein van de woning verricht, waarover zij op 29 juli 2010 heeft gerapporteerd. Naar aanleiding van dit rapport is tussen partijen gecorrespondeerd, hetgeen niet tot erkenning van aansprakelijkheid door [appellante] heeft geleid. 3.1.4 [geïntimeerde] is vervolgens een procedure gestart bij de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 20 juni 2012 de heer ing. [X] van [B.V. X] te [vestigingsplaats] tot deskundige benoemd. De deskundige heeft op 26 november 2012 een rapport uitgebracht, waarin hij - samengevat - tot de volgende conclusies komt:- er is sprake van een historische verontreiniging van de grond, welke in de loop van de tijd is ontstaan; het is zeer aannemelijk dat de verontreiniging vóór 27 februari 2009 is ontstaan;- omdat de interventiewaarde wordt overschreden, vormt de asbestverontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging; er is hiermee sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren;- de aangetroffen verontreinigingen vormen bij het huidige of toekomstige gebruik geen onaanvaardbare risico's, zodat spoedige sanering niet noodzakelijk is;- de kosten voor functionele sanering van de aanwezige bodemverontreiniging worden geraamd op € 32.700,- exclusief 21% btw;- na sanering is de bodem geschikt voor het bodemgebruik wonen met moestuin. 3.1.5 De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 24 juli 2013 op basis van het deskundigenrapport geoordeeld dat sprake is van een toerekenbare schending door [appellante] van de garantieverplichting van artikel 5.3 van de koopovereenkomst, en heeft [appellante] veroordeeld tot vergoeding van de dientengevolge door [geïntimeerde] geleden schade, welke de rechtbank schattenderwijs heeft begroot op € 32.700,-, te vermeerderen met btw. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.1.6 In het onderhavige incident vordert [appellante] schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis door [geïntimeerde]. 3.2 De vraag waar het in dit incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.