GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.114.430/01 (zaaknummer rechtbank Leeuwarden 346854 CV EXPL 11-889) arrest van de tweede kamer van 25 maart 2014 in de zaak van 1 [appellant 1], wonende te [woonplaats], hierna: [appellant 1], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], hierna: [appellant 2], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek, tegen [geïntimeerde], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. J. Bonnema, kantoorhoudend te Leeuwarden. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 november 2012 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 In het tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Op eenparig verzoek van partijen heeft deze comparitie geen doorgang gevonden. 1.2 Het verdere verloop van de procedure is als volgt: - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 1.4 De vordering van [appellant 1] luidt: "te vernietigen de vonnissen d.d. 7 december 2011 en 4 juli 2012 van de rechtbank te Leeuwarden, sector Kanton, locatie Heerenveen, tussen partijen gewezen onder zaaknummer / rolnummer 346854 CV EXPL 11-889, en, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende: de door geïntimeerde ingestelde vorderingen alsnog af te wijzen; met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties." 2De verdere beoordeling: de feiten 2.1 In dit hoger beroep kan als gesteld en onvoldoende gemotiveerd bestreden van het volgende worden uitgegaan. 2.2 [appellant 1] heeft een café in [plaats] geëxploiteerd. Zijn huisleverancier, [geïntimeerde], heeft op hem uit hoofde van een geldlening een restantvordering van € 2.957,52, inclusief vervallen rente berekend naar 4.25% boven de depositorente van de Europese Centrale Bank. 2.3 In 2007 heeft [appellant 1] zijn bedrijf(sactiviteiten) met de bedrijfsinventaris voor € 35.000,- overgedragen aan mevrouw [de koper] (hierna koper te noemen), die de koopsom in twee termijnen diende te betalen. De eerste termijn van € 20.000,- werd op of omstreeks 1 juni 2007 tijdig voldaan. De tweede termijn diende uiterlijk op 1 juli 2007 te zijn betaald. Het lag op enig moment in de bedoeling van partijen en van koper dat laatstgenoemde daartoe € 15.000,- van [geïntimeerde] of (onder borgtocht van [geïntimeerde]) van een bank zou lenen. Tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] is de mogelijkheid besproken dat de hiervoor onder 2.2 genoemde schuld van [appellant 1] met de betaling aan hem van de tweede termijn zou kunnen worden verrekend. Dit een en ander is afgestuit op een door [geïntimeerde] uitgevoerde BKR-toets van de vermogenspositie van de koper op grond waarvan [geïntimeerde] deze niet wenste te financieren. De tweede termijn van de koopsom is door koper nooit voldaan. 2.4 [appellant 1] is na aanvang van het hoger beroep, op 21 december 2012, overleden. 2.5 Grief I heeft betrekking op de vraag wanneer de eerste termijn is voldaan en wanneer de tweede termijn diende te worden betaald. Deze grief, die door [geïntimeerde] als terecht wordt aangemerkt, is met het voorgaande gehonoreerd. 3De vordering en de beslissing in eerste aanleg 3.1 [geïntimeerde] heeft voldoening gevorderd van de nog openstaande schuld, vermeerderd met rente en kosten. Naar aanleiding van het daartegen gevoerde verweer heeft de kantonrechter [appellant 1] opgedragen te bewijzen, zakelijk weergegeven, dat de vertegenwoordiger van [geïntimeerde] hem heeft meegedeeld garant te staan voor de betaling van de tweede termijn ad € 15.000,- en dat deze [X] hem heeft toegezegd dat, indien dit bedrag onverhoopt niet mocht worden betaald, [appellant 1] het nog resterende bedrag van zijn eigen lening niet (meer) aan [geïntimeerde] zou hoeven voldoen. De kantonrechter heeft na het horen van getuigen dat bewijs niet geleverd geacht, en heeft de vordering met inbegrip van de gevorderde kosten toegewezen. 4. De grieven II en III 4.1 [appellant 1] handhaaft door middel van de tweede en derde grief zijn in eerste aanleg gedane beroep op verrekening. Daartoe stel hij primair dat [geïntimeerde] voor de betaling van de tweede termijn van de koopsom ad € 15.000,- garant stond. Hij mocht er althans gerechtvaardigd op vertrouwen dat daartoe de wil aan de zijde van [geïntimeerde] bestond. Zijn vordering op [geïntimeerde] uit dien hoofde wenst hij met de vordering van [geïntimeerde] te verrekenen. 4.2 Het voor dit verweer vereiste bewijs is volgens [appellant 1] blijkens de toelichting op zijn grieven geleverd door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], gelezen in het licht van de omstandigheden van het geval. Beiden hebben kort gezegd verklaard dat [X] tegen hun moeder heeft gezegd dat zij niet over de betaling van de tweede termijn moest inzitten en dat dit bedrag snel op de bank zou staan. Partij [appellant 1] heeft verklaard dat [X] zich tegenover hem in vergelijkbare zin heeft uitgelaten. In aanvulling hierop heeft [getuige 2] verklaard dat [X] hem heeft gezegd dat de vraag of het bedrag van € 15.000,- betaald zou worden het risico van [geïntimeerde] was. Volgens [appellant 1] vond [X] het bovendien ‘logisch’ dat de resterende geldlening door hem niet zou kunnen worden betaald als de tweede termijn niet zou worden voldaan. 4.3 Bij de beoordeling van dit onderdeel van de grieven stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 3:35 BW tegen hem die eens anders verklaring overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met die verklaring overeenstemmende wil. Voor de beoordeling van de grieven is dus bepalend (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.