GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.078.558/01 (zaaknummer rechtbank Groningen 107702/HA ZA 09-134) arrest van de eerste kamer van 8 april 2014 in de zaak van Rechtspraktijk RE-AD B.V., mede handelend onder de naam [A], gevestigd te Amsterdam, appellante, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: [appellante], advocaat: mr. J.A. Stal, kantoorhoudend te Amsterdam, die ook heeft gepleit, tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), als rechtsopvolger onder algemene titel van de publiekrechtelijke rechtspersoon Informatie Beheer Groep, zetelend te 's-Gravenhage, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: IBG, advocaat: mr. W.A. Entzinger, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 februari 2013 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Ingevolge het vermelde tussenarrest hebben op 10 april 2013, 3 september 2013 en 16 oktober 2013 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken. 1.2 Vervolgens heeft IBG een akte na enquête, tevens akte overlegging van aanvullend schriftelijk bewijs genomen. Hierop heeft [appellante] van antwoordakte gediend. 1.3 Ten slotte zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 Bij het tussenarrest van 19 februari 2013 is IBG toegelaten tot het bewijs van de in de verklaring van haar Accountmanager Externe Incasso [accountmanager] weergegeven (in rechtsoverweging 7.4 van het arrest geciteerde) volgende gang van zaken: “Omdat de resultaten van [appellante] achter bleven lopen, heb ik op 12 september 2006 opnieuw een bezoek gebracht aan [appellante]. De afspraak werd gemaakt dat indien aan het eind van het jaar geen verbetering te constateren viel, [appellante] alleen nog zogenaamde voorkeurzaken erbij zou krijgen (dat wil zeggen: nieuwe vorderingen (dwangbevelen) op al bij [appellante] in behandeling zijnde debiteuren). [appellante] had daar begrip voor en stemde in.” 2.2 IBG heeft daartoe voornoemde heer [accountmanager] (hierna: [accountmanager]) en [appellante], directeur van [appellante], als getuigen doen horen. Verder heeft zij een gespreksnotitie van [accountmanager] als schriftelijk bewijs in het geding gebracht. [appellante] heeft in contra-enquête haar voormalig werknemer [getuige] als getuige voorgebracht. 2.3 De verklaring van getuige [accountmanager] luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “(…) Ter voorbereiding van dit verhoor heb ik de gespreksverslagen die ik voor mijzelf van mijn gesprekken met de deurwaarder gemaakt had nog eens doorgenomen. Daar zit ook een verslag van de bespreking van 12 september 2006 bij. Dat verslag bevindt zich in mijn eigen persoonlijke archief, er is indertijd geen kopie van naar [appellante] gegaan. U houdt mij het in r.o. 7.4 van het tussenarrest cursief opgenomen citaat van mijn verklaring voor. Ik blijf daar nog steeds bij, zo is het in mijn herinnering gegaan. Het gesprek van 12 september 2006 vond plaats bij [appellante] op kantoor, daar waren alleen hijzelf [hof: de getuige doelt op [appellante]] en ik bij aanwezig. (…) Het persoonlijke verslag dat ik van dat gesprek gemaakt heb, waarover ik het zojuist ook al even had, komt ook overeen met wat ik mij van de bespreking herinner. (…) Ik heb daarbij aangegeven dat hij tot het eind van het jaar de tijd zou hebben om zijn resultaten te verbeteren, en dat hij anders daarna alleen nog maar voorkeurszaken zou krijgen. De reactie van [appellante] was dat hij dat logisch vond en hij voegde daar nog aan toe “dat zij dan zo”. Hij zei dat hij hard aan de slag zou gaan om het resultaat te verbeteren. We hebben afgesproken dat ik in het nieuwe jaar weer langs zou komen. Dat is uiteindelijk pas in maart 2007 gebeurd. (…) Het verbaast mij dat [appellante] zegt dat de maatregel hem in het voorjaar van 2007 heeft verrast, want we hadden dit op 12 september 2006 echt duidelijk besproken. Voor zover ik me herinner is de sanctie op andere momenten tussen ons niet aan de orde geweest. (…)” 2.4 [appellante] heeft als getuige bevestigd dat er op 12 september 2006 een gesprek tussen hemzelf en [accountmanager] heeft plaatsgehad. Verder verklaart hij, voor zover hier van belang: “Ik herinner mij de inhoud van het gesprek ook nog. Op de achtergrond was toen mijn kantoorgenoot [getuige] aanwezig, maar die heeft het gesprek zelf niet bijgewoond: [accountmanager] en ik spraken met zijn tweeën. (…) [accountmanager] kwam om te vragen hoe het met de UWV ontwikkelingen ging. Ik heb hem dat uitgelegd (…). De reactie die [accountmanager] daarop gaf was dat hij hoopte dat de zaken zo snel mogelijk weer als vanouds zouden gaan. Daarna is hij vertrokken. Er is in dat gesprek niet over voorkeurszaken gesproken. Er is ook niet besproken wat er zal moeten gebeuren als de zaken niet weer als vanouds zouden gaan of als het resultaat niet zou verbeteren. Van het gesprek is geen verslag gemaakt, maar ik heb de inhoud ervan zoals ik gewend was direct na het vertrek van [accountmanager] met mijn kantoorgenoot [getuige] doorgesproken. U houdt mij voor dat [accountmanager] heeft verklaard dat hij mij toen te kennen heeft gegeven dat wij alleen nog voorkeurszaken zouden krijgen, als de resultaten aan het eind van het jaar niet zouden zijn verbeterd. Zo staat mij dat niet bij, dat is ook dermate ingrijpend dat ik dat zou hebben onthouden en dat het ook op schrift zou staan. Zo’n sanctie zou zo aangrijpend zijn dat ik dat ook meteen aan kantoorgenoot [getuige] zou hebben verteld. U houdt mij voor dat [accountmanager] heeft verklaard dat ik in het gesprek zou hebben gezegd “dat zij dan zo” of woorden van gelijke strekking. Dat klopt niet. [accountmanager] is vertrokken met de mededeling dat hij hoopte dat de zaken snel weer als vanouds zouden zijn. (…) Uit mijn agenda’s blijkt dat het eerstvolgende gesprek tussen mij en IBG op woensdag 14 maart 2007 plaatsvond. (…) In dat gesprek zei [accountmanager]: “IBG wil toch niet verdergaan, je krijgt alleen nog zaken van de debiteuren die je al in behandeling hebt.” Ik weet heel zeker dat dat toen, op 14 maart 2007, pas voor het eerst is gezegd. (…) Ik herhaal dat met mij in maart 2007 voor het eerst over de maatregel alleen-nog-maar-voorkeurszaken is gesproken en die maatregel trad toen ook meteen in.” 2.5 Getuige [getuige] heeft in contra-enquête – voor zover hier van belang – als volgt verklaard: “(…) Ik herinner me nog dat [accountmanager] in het najaar van 2006 ook bij ons op kantoor was. (…) [appellante] vertelde mij direct na afloop van een bezoek van [accountmanager] altijd wat er was besproken. Van die keer in het najaar van 2006 herinner ik mij niet dat daar iets bijzonders over te melden was. Voor zover ik het gesprek via het raam heb kunnen zien zag het er ook normaal, ontspannen uit. [accountmanager] is volgens mij ook gewoon normaal vertrokken: hij kreeg een hand en tot ziens. Ik weet het niet meer exact, maar ik kan mij van die keer niet meer herinneren dat het in het verslag dat [appellante] mij deed over voorkeurszaken ging. Dat zou ik zeker hebben onthouden, want dat zou op ons kantoor een grote impact hebben gehad.(…)” 2.6 IBG heeft het door getuige [accountmanager] bedoelde gespreksverslag als schriftelijk bewijs in het geding gebracht. Dit verslag luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “Datum : 12 september 2006 Aanwezig : [appellante] Aanwezig IB : [accountmanager] (…) Duidelijk gemaakt dat hij ver achterblijft met zijn prestaties (zie dossier) en dit niet kan duren.(…) Afgesproken indien eind dit jaar geen duidelijke verbetering, hij alleen voorkeurzaken krijgt. Hij begrijpt dit en vindt dit ook logisch. (…)”. 2.7 Het hof stelt bij de waardering van het bewijs voorop dat [accountmanager] niet als partij-getuige kan worden aangemerkt en voorts dat de verklaring van [appellante] evenmin aan de in art. 164 Rv bedoelde beperkte bewijskracht onderhevig is, nu het verhoor feiten betreft waarvoor IBG het bewijsrisico draagt. De verklaring van [accountmanager] en het in het geding gebrachte gespreksverslag leveren weliswaar twee verschillende bewijsmiddelen op, echter deze vinden hun oorsprong in één en dezelfde bron, te weten de persoonlijke herinnering van [accountmanager]. Het feit dat hij zijn aantekeningen mogelijk al kort na de bewuste bijeenkomst aan het papier toevertrouwde doet daaraan onvoldoende af, te meer niet nu hij als getuige aangeeft dat verslag ter voorbereiding van zijn verhoor nog te hebben geraadpleegd. Het gesprek wordt door getuige [appellante] bevestigd, echter de maatregel waar het hier om gaat (beperking tot voorkeurszaken) is daarbij, naar getuige [appellante] stellig verklaart, niet aangekondigd. Aldus draagt de verklaring van getuige [appellante] niet bij aan het door IBG te leveren bewijs. Die verklaring is, anders dan IBG klaarblijkelijk meent, ook niet onbetrouwbaar doordat de getuige verklaart dat de maatregel in maart 2007 meteen inging, terwijl die in werkelijkheid pas vanaf 1 april 2007 werd ingevoerd. De tussen deze twee momenten gelegen periode is dermate kort, dat het niet verbaast dat een en ander als met onmiddellijke ingang werd ervaren. Maar ook los daarvan is deze incongruentie onvoldoende beduidend om de gehele verklaring van [appellante] minder betrouwbaar te doen zijn. Daarmee staan de verklaringen van de getuigen [accountmanager] en [appellante] op het beslissende punt lijnrecht tegenover elkaar. Hoewel [getuige] het gesprek tussen [accountmanager] en [appellante] niet heeft kunnen beluisteren, is zijn verklaring naar het oordeel van het hof niet zonder betekenis. Zijn mededeling dat een beperking tot voorkeurszaken voor het kantoor een grote impact zou hebben gehad, is volledig in lijn met de gedingstukken. Zijn verklaring dat het bewuste bezoek van [accountmanager] zonder waargenomen bijzonderheden verliep, is dan ook van belang. Ook de verklaring van [getuige] dat hij het zeker zou hebben onthouden indien [appellante] hem op dat moment verslag van zo'n mogelijke beperking zou hebben gedaan, gecombineerd met de verklaring van [appellante] dat hij de aankondiging van een dergelijke maatregel zeker meteen aan [getuige] zou hebben gemeld, overtuigt in dat opzicht. Het geheel overziend acht het hof IBG niet geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. 2.8 Daarmee staat vast dat de na maart 2007 getroffen maatregel [appellante] op 12 september 2006 niet is aangezegd en dat [appellante] daar eerst medio maart 2007 mee werd geconfronteerd. Dat de vanaf dat moment tot 1 april 2007 verstreken periode de in artikel 7 lid 6 van de overeenkomst voorgeschreven redelijke termijn om alsnog aan de wensen van IBG te voldoen oplevert, kan naar ’s hofs oordeel niet worden volgehouden. Zonder nadere toelichting valt immers niet in te zien dat [appellante] in nog geen drie weken redelijkerwijs in staat zou zijn om verbeterde incassoresultaten te presenteren. Een en ander brengt mee dat het IBG niet was toegestaan om de aanlevering van nieuwe zaken, niet zijnde voorkeurszaken, met ingang van april op te schorten, zoals zij heeft gedaan. In zoverre slaagt grief
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.