GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.127.260/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 395036/ CV EXPL 12-2473) arrest van de eerste kamer van 15 april 2014 in de zaak van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven, gevestigd te Amsterdam, appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Bpf Meubel, advocaat: mr. T.M. van Angeren, kantoorhoudend te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], niet verschenen. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 6 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Heerenveen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 mei 2013, - de memorie van grieven. 2.2 Vervolgens heeft Bpf Meubel de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van Bpf Meubel luidt: "het vonnis (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde, [geïntimeerde], oorspronkelijk eiser, alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties." 3De feiten 3.1 Hoewel tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet is gegriefd, ziet het hof reden om de tussen Bpf Meubel en [geïntimeerde] vaststaande feiten, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken, zelfstandig vast te stellen. 3.2 [geïntimeerde] is van 26 februari 1972 tot 10 oktober 1995 als enig werknemer in dienst geweest bij [werkgever], die een woninginrichtingsbedrijf exploiteerde onder de naam '[naam bedrijf]'. Op 29 maart 1995 heeft [werkgever] aan de toenmalige RDA een ontslagvergunning voor [geïntimeerde] gevraagd in verband met de voorgenomen beëindiging van zijn bedrijf, waarin [geïntimeerde], volgens het verzoek, als stoffeerder werkzaam was. [werkgever] is op 7 oktober 2011 overleden. Kort daarvoor heeft [werkgever] via zijn advocaat, bij brief van 27 september 2011, aan de advocaat van [geïntimeerde] laten weten dat hij niet meer beschikte over zijn bedrijfsadministratie. 3.3 Na 10 oktober 1995 is [geïntimeerde] als stoffeerder gaan werken bij [nieuwe werkgever], totdat hij per 1 maart 2004 met VUT ging en een VUT-uitkering ontving van de Stichting Vervroegd Uittreden Wonen. Voorafgaand aan het dienstverband bij [werkgever] heeft [geïntimeerde] elders voor 42 uur per week als timmerman gewerkt van 18 oktober 1971 tot 24 februari 1972, op welke arbeidsovereenkomst de CAO Bouwbedrijf van toepassing was. Eerder heeft hij als meubelmaker bij [vroegere werkgever] gewerkt. 3.4 Bpf Meubel is, evenals het Pensioenfonds Wonen, een verplicht gesteld bedrijfstak-pensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en de daaraan voorafgaande Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds van 17 maart 1949 (de Wet Bpf). 3.5 Bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 19 januari 1955 is met ingang van 1 februari 1955 deelname aan Bpf Meubel verplicht gesteld voor werknemers werkzaam in de meubelindustrie en meubileringsbedrijven, waaronder is te verstaan: "ondernemingen en afdelingen van ondernemingen, waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf wordt uitgeoefend van: a. het vervaardigen of doen vervaardigen of herstellen of doen herstellen van geheel of voor een overwegend deel uit hout bestaande meubelen (…); b. het vervaardigen, plaatsen of herstellen van binnenbetimmeringen voor gebouwen of schepen, voor zover dit niet geschiedt te zamen met de uitoefening van het aannemers- of scheepsbouwbedrijf; c. het bekleden of stofferen van meubelen; d. het bekleden, stofferen of behangen van binnenwanden of vloeren van gebouwen of schepen; e. het vervaardigen of herstellen van bedden, matrassen en stoelkussens, voor zover deze niet uitsluitend uit metaal of rubber worden vervaardigd; f. het vervaardigen van doodskisten; g. het vervaardigen van lijsten voor schilderijen en dergelijke artikelen." Uitgezonderd is kantoor-, winkel- en tekenkamerpersoneel. In de samen met de verplichtstellingsbeschikking gepubliceerde statuten van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de meubelindustrie en meubileringsbedrijven is de bedrijfsomschrijving niet letterlijk hetzelfde, en is de reeks uitgebreid met: h. de detailhandel in meubelen en woningtextiel. Bij beschikking van 24 maart 1958 zijn, met ingang van 1 april 1958, de onder a, d en g gegeven omschrijvingen uitgebreid. Deze uitbreiding is voor het geschil tussen partijen niet van belang. Vanaf januari 1977 is, bij beschikking van 30 november 1976, de uitzondering van kantoor-, winkel- en tekenkamerpersoneel vervallen. Op grond van de beschikking van 16 maart 1988 is kantoor-, tekenkamer- of verkopend personeel weer uitgezonderd, indien zij verplicht deelnemen aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor hetzij detailhandel in meubelen en woningtextiel, hetzij de Detailhandel. 3.6 De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft bij beschikking van 29 december 1969 met ingang van 1 januari 1970 deelneming in het Bedrijfspensioenfonds voor de detailhandel in meubelen en woningtextiel (thans Pensioenfonds Wonen, hierna PF Wonen - hof) verplicht gesteld voor -voor zover hier van belang- werknemers die in dienst zijn bij "een onderneming waarin het bedrijf van het uitsluitend of in hoofdzaak verkopen aan particulieren van meubelen en/of voor woninginrichting bestemde textielgoederen wordt uitgeoefend." De verplichtstelling geldt niet, voor zover hier van belang, voor werknemers die reeds sinds 28 mei 1968 deelnemer zijn in Bpf Meubel, voor zover en zolang de deelneming voortvloeit uit een bestaande dienstbetrekking bij een onderneming, waarin het vervaardigen van meubelen wordt uitgeoefend. 3.7 Het voorgaande bracht mee dat een detailhandel in meubelen en woningtextiel met ambachtelijk personeel in dienst onder Bpf Meubel kon vallen voor wat dat ambachtelijk personeel betreft, en onder PF Wonen viel voor wat betreft het overige personeel. In de toelichting op het verzoek tot wijziging van de verplichtstellingsbeschikking d.d. februari 1993 is dat als volgt verwoord: "De achtergrond hiervan is dat het ambachtelijk personeel reeds verzekerd was bij het Bpf Meubelindustrie toen het Bpf Meubeldetailhandel opgericht werd." Aan deze situatie kwam een einde toen de besturen van Bpf Meubel en PF Wonen, in samenspraak met de betrokken vakorganisaties, overeenkwamen dat ook ambachtelijk personeel, dat in dienst was van ondernemingen die de detailhandel uitoefenden, met ingang van 1 januari 1993 onder PF Wonen zou vallen en genoemd wijzigingsverzoek indienden. De verplichtstellingsbeschikkingen van Bpf Meubel en PF Wonen zijn per 1 januari 1994 aldus aangepast. Vooruitlopend hierop bood Bpf Meubel aan de werkgevers die het aanging de mogelijkheid om met ingang van 1 januari 1993 vrijstelling te verzoeken van de verplichting tot deelneming in Bpf Meubel voor hun ambachtelijk personeel, onder gelijktijdige aansluiting van dit personeel bij PF Wonen. 3.8 [werkgever] heeft zijn boekhouding laten verzorgen door een boekhoudkantoor, waaraan [boekhouder] was verbonden. [boekhouder] heeft, gehoord als getuige in een door [geïntimeerde] geëntameerd voorlopig getuigenverhoor, verklaard dat hij vanaf 1972 totdat een andere afdeling dat in 1984 van hem overnam, de loonadministratie heeft gedaan en tot 1991 ook de BTW-administratie en de algemene controle. Het bedrijf van [werkgever] was aangesloten bij de Detam, en van de Detam kreeg [boekhouder] een lijst met verplichte inhoudingen, waarop volgens [boekhouder] ook pensioenpremies stonden. Van [werkgever] kreeg hij te horen welk netto loon aan [geïntimeerde] betaald moest worden en [boekhouder] bruteerde dat, waarbij hij zich strikt aan de lijst van Detam hield. Loonstroken voor [geïntimeerde] heeft [boekhouder] niet gemaakt. 3.9 [boekhouder] heeft bij brief van 6 mei 2011 aan de advocaat van [geïntimeerde] enkele stukken toegestuurd die hij uit nostalgie had bewaard. Een daarvan is een brief d.d. 23 september 1991 van Detam aan [werkgever], met kenmerk 001.458.17 AVV 30, met een opgave van vermoedelijke brutolonen waarover in 1992 voorlopige premies zullen worden geheven. Daarbij staat: "voor de Ziektewet/Werkloosheidswet F 47.700 Voor de Ziekenfondswet F 47.700 Voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering/WAO F 22.500 BPF DETAILH MEUBEL/WONINGTEXT F 47.700 SF WONINGINR F 47.700 VUT WON.INR. F 47.700" Ook is bijgevoegd een brief van Detam d.d. 6 januari 1993, gericht 'aan de werkgevers in de Detailhandel in Meubelen en Woningtextiel, die (tevens) ambachtelijk personeel in dienst hebben.' Daarin wordt gewezen op de onder 3.7 bedoelde wijziging van de verplichtstellingsbeschikkingen per 1 januari 1994 en de mogelijkheid daarop met ingang van 1 januari 1993 vooruit te lopen via een aanvraag tot vrijstelling van Bpf Meubel en aansluiting bij PF Wonen, waarvoor gemakshalve een formulier is bijgevoegd. De brief besluit met de opmerking dat niet geheel is uit te sluiten "dat deze circulaire ook is gestuurd naar werkgevers die momenteel geen ambachtelijk personeel in dienst hebben. In dat geval behoeft uiteraard geen verzoek om vrijstelling te worden ingediend." [boekhouder] heeft een kopie overgelegd van een dergelijk formulier, waarop de naam- en adresgegevens van [werkgever] alsmede het aansluitnummer van [werkgever] bij Detam reeds machinaal waren ingevuld, en waarop de naam en geboortedatum van [geïntimeerde] met de hand zijn vermeld. 3.10 PF Wonen heeft in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] per 1 januari 1993 deelnemer is geworden. 3.11 Op 30 december 2009 is [geïntimeerde] 65 jaar oud geworden. Sindsdien ontvangt hij ouderdomspensioen van PF Wonen op basis van vanaf 1 januari 1993 bij PF Wonen opgebouwde aanspraken. Tevens ontvangt hij ouderdomspensioen van Bpf Meubel, gebaseerd op 217 weken opgebouwd pensioen bij de onder 3.3 genoemde [vroegere werkgever] 3.12 [geïntimeerde] heeft Bpf Meubel verzocht om hem ook pensioen toe te kennen over de periode 1972 tot 1993 waarin hij bij [werkgever] heeft gewerkt. Bpf Meubel heeft [geïntimeerde] bij brief van 19 november 2009 medegedeeld dat uit haar administratie niet bleek van een dienstverband met [werkgever] en heeft [geïntimeerde] gevraagd aanvullende informatie te verstrekken. [geïntimeerde] heeft twee pro forma loonspecificaties over kunnen leggen (van respectievelijk 26 maart 1992 en een vakantiegeldberekening over de periode juli 1991 - juni 1992). Op beide is vermeld dat pensioenpremie en een bedrag voor VUT is ingehouden op zijn salaris, en ook is vermeld dat de functie 'stoffeerder' is. Bpf Meubel bleef bij zijn standpunt. 3.13 [geïntimeerde] heeft zich vervolgens tot de Ombudsman Pensioenen gewend die namens [geïntimeerde] vragen heeft gesteld aan BPF Meubel en PF Wonen. Bij brief van 15 juni 2010 heeft BPF Meubel de Ombudsman Pensioenen medegedeeld: "Woninginrichtingsbedrijf Fa [werkgever] is (…) bij het Pensioenfonds Meubel niet bekend. (…) Uit de ons verstrekte gegevens maken we op dat Woninginrichtings-bedrijf Fa. [werkgever] een werkgever is met zowel verkopend als ambachtelijk personeel. De werkgever is echter niet aangesloten geweest bij Pensioenfonds Meubel." Voorts heeft BPF Meubel bij brief van 9 juli 2010 aan de Ombudsman Pensioenen medegedeeld: "U vraagt ons aan te geven of de Fa. [werkgever] tot 1 januari 1993 verplicht was zich aan te sluiten bij (…) Pensioenfonds Meubel. (…) Uit de aan ons verstrekte gegevens maken we op dat Fa. [werkgever] een werkgever is met zowel verkopend personeel als ambachtelijk personeel. De Fa [werkgever] was dus tot 1993 verplicht zich bij het pensioenfonds Meubel aan te sluiten en de heer [geïntimeerde] aan te melden.(..)" PF Wonen schreef op 28 juni 2010 aan de Ombudsman Pensioenen over [geïntimeerde]: "(…) bij Pensioenfonds Wonen staat hij op de juiste manier geregistreerd. Volgens het pensioenreglement was het ambachtelijk personeel, zoals stoffeerders, tot 1 januari 1993 uitgesloten van deelname. Het ambachtelijk personeel viel onder de verplichtstelling van (Bpf Meubel - hof)". 3.14 Bij brief van 3 februari 2011 heeft BPF Meubel aan [geïntimeerde] medegedeeld dat, gelet op de loonstrook uit 1992, geheel onverplicht en uit coulance is besloten om [geïntimeerde] over de periode van 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992 pensioen toe te kennen. Bpf Meubel schrijft: "Voor zover wij kunnen achterhalen is de werkgever Fa. [werkgever] (…) niet aangesloten geweest als werkgever bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Meubelindustrie en zijn voor de heer [geïntimeerde] geen pensioenrechten bij dit fonds opgebouwd. Het enige aanknopingspunt dat we ter zake van uw pensioen hebben is een loonstrook uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.