← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2014:330

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.116.475 (zaaknummer rechtbank Arnhem 221548) arrest van de zesde kamer van 21 januari 2014 in de zaak van de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Interpolis, gevestigd te Apeldoorn, appellante, hierna: Interpolis, advocaat: mr. M. Bouman, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidRotra Forwarding B.V., gevestigd te Doesburg,geïntimeerde, hierna: Rotra, advocaat: mr. R.W.J.M. te Pas. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Voor het verloop van het geding tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 24 september

  1. 1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van comparitie van partijen van 28 november
  2. 1.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Kern van het geschil tussen partijen is of in de onderhavige zaak de aanvang van de verjaring moet worden bepaald aan de hand van artikel 32 lid 1 sub a of sub c CMR. Het hof heeft in de tussenarresten overwogen dat voor toepasselijkheid van artikel 32 lid 1 onder a CMR nodig is dat aflevering feitelijk heeft plaatsgevonden. 2.2 Ter zitting heeft Interpolis nadere inlichtingen verstrekt over de positie van de oorspronkelijk geadresseerde T&T. Na het ongeval is direct contact opgenomen met T&T. T&T heeft medegedeeld dat zij na herstel aflevering wilde van de chassis. De chassis zijn op 15 april 2010 en 18 juni 2010 alsnog geleverd aan T&T. Rotra heeft dit niet betwist. Hieruit volgt dat T&T geen afstand heeft gedaan van de lading en de geadresseerde van de lading niet is gewijzigd. Het enkele feit dat de chassis voordat zij uiteindelijk zijn afgeleverd aan T&T voor expertise en herstel bij Pacton aanwezig zijn geweest - al dan niet met stilzwijgende instemming van T&T - brengt niet mee dat Pacton heeft te gelden als gewijzigde geadresseerde of plaats van aflevering van de lading. Hierop strandt het betoog van Rotra in zoverre. 2.3 Het hof ziet zich naar aanleiding van de comparitie geconfronteerd met het feit dat de chassis met vertraging aan de geadresseerde zijn afgeleverd. Daarom lijkt de verjaringsvraag niettemin te moeten worden beslist aan de hand artikel 32 lid 1 sub a CMR, echter met dien verstande dat de verjaringstermijn aanvangt vanaf de dag van de vertraagde aflevering aan T&T. Nu geen van partijen deze variant heeft bepleit en het hof wil voorkomen te beslissen op een onjuiste feitelijke grondslag, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om hun stellingen hierop aan te passen. Daarbij overweegt het hof dat voor het eerste chassis de afleverdatum van 15 april 2010 en voor de chassis 2 en 3 de afleverdatum 18 juni 2010 geldt (proces-verbaal van 28 november 2013). De verjaringstermijn is vervolgens geschorst in de periode 4 november 2010 tot de verwerping van de aansprakelijkheid op 13 december
  3. Vervolgens heeft Interpolis Rotra op 25 juli 2011 gedagvaard (vergelijk rov. 4.3 eerste tussenarrest). Slotsom 2.4 Partijen zullen zich bij akten uitlaten over hetgeen onder 2.3 is overwogen, eerst Rotra als degene die het verjaringsverweer heeft gevoerd. Verder houdt het hof iedere beslissing aan. 3De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de roldatum 18 februari 2014 voor akte uitlaten aan de zijde van Rotra voor het onder 2.3 omschreven doel; verstaat dat Interpolis op deze akte mag reageren; houdt verder iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, K.J. Haarhuis en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.