GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.105.912 (zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, 735593) arrest van de derde kamer van 13 mei 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fermacell B.V., gevestigd te Nijmegen, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: Fermacell, advocaat: mr. U.W.G. Thöle, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. G.W.J.M. van Mierlo. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 augustus 2013 hier over. 1.2 Ingevolge dat tussenarrest heeft [geïntimeerde] bij akte zich uitgelaten. 1.3 Hierna heeft Fermacell bij antwoordakte zich uitgelaten en daarbij producties overgelegd. 1.4 Vervolgens heeft [geïntimeerde] bij akte zich uitgelaten over de door Fermacell overgelegde producties. 1.5 Ten slotte heeft Fermacell de stukken weer overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald op één dossier. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep in het principaal hoger beroep 2.1 Zoals het hof in rechtsoverweging 4.19 van het tussenarrest van 13 augustus 2013 heeft overwogen, heeft Fermacell in haar memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep haar stelling dat de bedrijfs-CAO sinds 2004 niet meer van toepassing is op [geïntimeerde] verder uitgewerkt door te verwijzen naar de paragrafen 1 en 18 van de nieuwe arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde]. 2.2 [geïntimeerde] stelt daartegenover dat Fermacell zelf in deze procedure zich op het standpunt heeft gesteld dat op deze arbeidsovereenkomst de ondernemings-CAO van toepassing was, hetgeen vervolgens ook door de kantonrechter is overwogen. 2.3 Volgens Fermacell vloeit die toepasselijkheid echter, anders dan [geïntimeerde] betoogt, niet voort uit een daarop gericht aanbod van haar kant dat door [geïntimeerde] stilzwijgend is aanvaard, maar uit de uit artikel 14 Wet CAO voortvloeiende op haar rustende verplichting jegens [geïntimeerde] die CAO toe te passen. 2.4 Met Fermacell moet het hof vaststellen dat [geïntimeerde] zijn stelling dat hem ter zake een aanbod is gedaan (dat hij stilzwijgend zou hebben aanvaard), niet dan wel onvoldoende heeft geconcretiseerd. Evenmin heeft [geïntimeerde] in het gesprek waaraan hij onder 8 in de akte houdende uitlating producties van 19 november 2013 refereert, erop gewezen dat zijn recht op vakantietoeslag voortvloeide uit de zijns inziens toepasselijke CAO. 2.5 Het hof verstaat de stelling van Fermacell aldus dat zij ingevolge artikel 14 Wet CAO tot 2004 feitelijk de CAO jegens [geïntimeerde] heeft moeten toepassen en dan ook heeft toegepast. De tekst van de artikelen 1 en 18 van de arbeidsovereenkomst geven inderdaad geen aanknopingspunt voor de opvatting dat Fermacell jegens [geïntimeerde] gehouden was de CAO te blijven toepassen. 2.6 Het hof ziet geen aanleiding terug te komen op hetgeen in rechtsoverweging 4.12 van het arrest van 13 augustus 2013 is overwogen. De inhoud van de producties 1 en 5 bij de antwoordakte na tussenarrest tevens overlegging producties van 8 oktober 2013 is, mede gelet op de reactie van [geïntimeerde] daarop, niet concludent voor de stelling van Fermacell dat tussen partijen schriftelijk is afgesproken dat de vakantietoeslag zou worden vervangen door een eindejaarsuitkering van tenminste een maand. 2.7 In aansluiting op hetgeen onder 4.15 is overwogen in het arrest van 13 augustus 2013 moet de conclusie zijn dat [geïntimeerde] niet op grond van één van de bedrijfs-CAO’s vanaf 2004 aanspraak kan maken op 8% vakantietoeslag. De kantonrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat [geïntimeerde] deze aanspraak ontleent aan artikel 15 Wmm. Grief 1 in het principaal hoger beroep faalt. 2.8 Met betrekking tot de tot 20% gematigde wettelijke verhoging leest het hof de overweging van de kantonrechter aldus dat hij tot deze matiging is overgaan op billijkheidsgronden. Ook het hof komt, na zelfstandig onderzoek, tot het oordeel dat enerzijds [geïntimeerde] aan art. 7:625 BW op goede gronden de aanspraak op wettelijke verhoging ontleent, maar anderzijds dat aanleiding bestaat tot matiging, nu ook [geïntimeerde] Fermacell jarenlang in het ongewisse heeft gelaten omtrent zijn aanspraken ter zake van vakantietoeslag, hetgeen evenwel niet de - kennelijk - door Fermacell met grief 2 beoogde matiging tot nihil rechtvaardigt. Ook het hof komt onder deze omstandigheden tot een matigingspercentage van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.