GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Leeuwarden nummer: 12/00002 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V. gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 november 2011, nummer AWB 10/1320, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente De Friese meren, voorheen: gemeente Boarnsterhim (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een nota bouwleges gestuurd van in totaal € 65.554,42 ter zake van het in behandeling nemen van een bouwvergunning in het jaar 2009 (hierna: de legesnota). 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de legesnota gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 november 2011 ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.6 Per 1 januari 2014 is de gemeente Boarnsterhim niet langer een zelfstandige gemeente, maar is zij opgegaan in de gemeente Leeuwarden, welke gemeente haar rechtsopvolgster onder algemene titel is. De onderhavige zaak is voortgezet door de heffingsambtenaar van de gemeente De Friese Meren. 1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B], de directeur van belanghebbende, alsmede mr. [C], namens de heffingsambtenaar. 1.8 Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Op 7 juni 2006 is namens belanghebbende een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van 33 recreatiewoningen op het perceel, plaatselijk bekend als [a-straat] te [L]. Het project is plaatselijk bekend als “[D]”. In de aanvraag is namens belanghebbende als aanneemsom of raming van de kosten (exclusief btw) een bedrag van € 3.000.000 opgegeven. 2.2 Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Boarnsterhim (hierna: het college) de gevraagde vergunning verleend. 2.3 Bij besluit van 3 november 2009 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2006 (hierna: de Legesverordening) een nota bouwleges opgelegd van € 65.554,41. 2.4 De Rechtbank heeft de mondelinge behandeling van de zaak in eerste aanleg aangehouden ten einde de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de geraamde baten van de door de gemeente in het jaar 2006 geheven leges en de geraamde 'lasten ter zake'. Bij brief van 1 juli 2011 aan de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar een overzicht van de exploitatie over 2006 bijgevoegd. 2.5 Nadat belanghebbende in hoger beroep bij het Hof was gekomen en partijen waren uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 27 september 2013, heeft de heffingsambtenaar bij schrijven van 12 september 2013 de “Financiële info betreffende Categorische opbouw producten”, als onderdeel van de gemeentebegroting voor het jaar 2006 op 8 november 2005 vastgesteld door de Raad van de gemeente Boarnsterhim, overgelegd. 2.6 Nadat het Hof de mondelinge behandeling van het hoger beroep om die reden had verdaagd, heeft de heffingsambtenaar bij schrijven van 14 oktober 2013 een nadere toelichting gegeven op de hiervoor – onder 2.5 – overgelegde stukken. 2.7 Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 27 november 2013. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de bestreden legesnota moet worden vernietigd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vragen of de Legesverordening onverbindend is wegens strijd met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet (de zogenoemde “opbrengstlimiet”) en, indien de deze vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord, of de Legesverordening grondslag biedt voor het heffen van de in rekening gebrachte leges. 3.2 Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. Zij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de bestreden legesnota. 3.3 De heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 4Beoordeling van het geschil 4.1 Artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: “Rechten kunnen worden geheven ter zake van (…) b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;.”. 4.2 De raad van de gemeente Boarnsterhim heeft op 8 november 2005 de “Verordening op de heffing en invordering van leges 2006” (hierna: de Legesverordening) vastgesteld en de daarbij behorende tarieventabel vastgesteld. Ingevolge artikel 1 van de Legesverordening worden onder de naam "leges" rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening. Ingevolge artikel 3 van de Legesverordening worden de leges geheven naar de tarieven, zoals weergegeven in de tarieventabel in dit artikel. 4.3 In artikel 3, onderdeel 1.778.511, onder I.1.b van de Legesverordening is bepaald dat voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een reguliere bouwvergunning een bedrag van 21 promille van de naar boven op € 453,78 afgeronde bouwkosten, exclusief btw, is verschuldigd. Voorts is ingevolge artikel 3, onderdeel XI, onder 3a, eerste lid, van de Legesverordening voor het in behandeling van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: WRO) een recht verschuldigd van 6 promille van de aanneemsom met een minimum van € 1.486,55. Voor het opstellen van de welstandsnota is op grond van artikel 3, onder I.1.d, van de Legesverordening een recht van € 14,60 verschuldigd. De kosten voor een advies van de commissie welstandsadvisering en monumentenzorg [E] bedragen - in casu - € 1.045,00, en deze worden geheven op grond van artikel 3, onderdeel XII.2 van de Legesverordening. 4.4 Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige aanvraag van de bouwvergunning (uiteindelijk) is uitgegaan van een geraamde bouwsom van € 3.000.000. Op grond van hetgeen hiervoor – onder 4.3 – is overwogen, zou op basis van de Legesverordening een recht van € 63.008,26 verschuldigd zijn, te vermeerderen met € 18.000 (19 WRO), € 14,60 (welstandsnota) en € 1.045,00 ([E]), in totaal derhalve € 82.067,86. Doordat de heffingsambtenaar per abuis het minimum tarief voor de aanvraag van de vrijstelling op grond van artikel 19 WRO, ad € 1.486,55, in rekening heeft gebracht, bedraagt de bestreden legesnota € 65.554,41. 4.5 Belanghebbende heeft primair gesteld dat de heffingsambtenaar haar niet het gevraagde inzicht in de geraamde baten van de door de gemeente in het jaar 2006 geheven leges en de geraamde 'lasten ter zake' heeft gegeven. Subsidiair stelt belanghebbende dat, zo het Hof tot het oordeel zou komen dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij in hoger beroep heeft overgelegd en toegelicht het bedoelde inzicht wel gegeven zou hebben, zulks te laat is geschied. 4.6 Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. 4.7 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 229b van de Gemeentewet volgt ondubbelzinnig dat de wetgever heeft bedoeld dat de opbrengstlimiet wordt toegepast op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Daarbij gaat het dus niet om de kostendekking per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten (vgl. HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:HR:2005: AP1951). 4.8 De vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet berust voorts op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij die vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. In het kader van een geschil omtrent de naleving van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (vgl. HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112, en HR 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236, BNB 2010/226). 4.9 In HR 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:HR:2009: BI1968, gelezen in samenhang met HR 6 januari 2012, nr. 10/03677, ECLI:HR:2012: BR0689, formuleert de Hoge Raad vuistregels voor de beoordeling van geschillen over de toepassing van het bepaalde in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet (hierna: de opbrengstlimiet).Met hetgeen aldaar is overwogen omtrent de stelplicht van de heffingsambtenaar, heeft de Hoge Raad rekening willen houden met de omstandigheid dat de belanghebbende in de regel geen toegang heeft tot de gegevens die hij nodig heeft om voldoende gemotiveerd feiten te stellen die meebrengen dat de opbrengstlimiet is overschreden. Dit laat onverlet dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust (HR 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:HR:2014: 4.10 De vorenbedoelde vuistregels houden het volgende in. Een geschil over overschrijding van de opbrengstlimiet wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna onder 4.11 en 4.12 omschreven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de opbrengstlimiet is overschreden. 4.11 Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de geraamde baten de geraamde 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Dat inzicht kan verschaft worden op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder gegevens die (nog) niet bekend zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening. Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat het wel moet gaan om gegevens die zijn terug te voeren op baten en lasten die in de gemeentebegroting zijn opgenomen. Gelet op dit uitgangspunt gaat het om de vraag of de toerekening van de kosten aan belaste diensten niet in strijd komt met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften. 4.12 Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een 'last ter zake' en voor zover hij voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van de desbetreffende post(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.