GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.109.093/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 192360/ HZ ZA 11-1041) arrest van de tweede kamer van 20 mei 2014 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: [appellante], advocaat: mr. M.A. Knobben, kantoorhoudend te Deventer, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. C.H. Tjabringa, kantoorhoudend te Zwolle. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 april 2013 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 6 mei 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.2 Daarna heeft [geïntimeerde] bij brief van 29 mei 2013 de producties genummerd 11a tot en met 11d, 12a tot en met 12c, en 13 tot en met 18, in het geding gebracht. 1.3 [appellante] heeft op 30 juli 2013 een akte uitlating genomen en [geïntimeerde] op 10 september 2013 een antwoordakte. 1.4 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 1.5 De conclusie van de memorie van grieven luidt: "(…) I. het vonnis van de rechtbank Zwolle, sector Civiel, afdeling Handel, met nummer 192360 / HZ ZA 11-1041 van 9 mei 2012 vernietigt voor wat betreft de punten 4.2 en 4.3 van de beslissing. II. opnieuw rechtdoende bepaald dat geïntimeerde met terugwerkende kracht tot 1 september 2008 tot datum levering van de woning aan een kopende partij de helft van de in totaliteit verschuldigde lasten met betrekking tot de woning dient te voldoen, waaronder begrepen de hypotheeklasten, de premie levensverzekering, de opstal-/brandverzekeringspremie voor de woning, de OZB en de parkkosten; III. geïntimeerde veroordeelt tot voldoening van een bedrag van € 8.768,15 aan de vrouw; IV. geïntimeerde veroordeelt binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan appellante te vergoeden de kosten van het geding in eerste aanleg en appel." 1.6 De conclusie van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel luidt: "A. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar principaal appel, althans de vorderingen van de vrouw in het principaal appel in zijn geheel af te wijzen; B. dat de man uw Gerechtshof verzoekt om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Oost Nederland, Locatie Zwolle, d.d. 09/05/2012 onder kenmerk: 192360 / HZ ZA 11-1041: i. te bekrachtigen, voor zover het betreft de toegewezen vorderingen, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden waarop het berust; ii. te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de vorderingen van de man sub e t/m g uit de conclusie van antwoord/eis d.d. 15/02/2012 en opnieuw rechtdoende: > de man machtigt om, indien de vrouw weigert mee te werken aan alle benodigde handelingen t.b.v. de verkoop en levering van de woning, namens de vrouw ter zake voornoemde woning de verkoopopdracht te verstrekken aan een willekeurige makelaar en alle andere benodigde handelingen t.b.v. verkoop en levering namens de vrouw te verrichten; > te bepalen dat de uitspraak in de onderhavige procedure in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door de vrouw van de koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van voornoemde woning, indien de vrouw weigerachtig is haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan alle verkoophandelingen op eerste verzoek van de makelaar en/of de man; > de vrouw te veroordelen aan de man te vergoeden ex art. 15 sub d van de samenlevingsovereenkomst het bedrag van € 15.580,00 over de periode september 2008 t/m februari 2012, vermeerderd met het bedrag van € 380,00 per maand vanaf februari 2012 voor zover het toekomstige termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot de algehele voldoening hiervan althans een in goede justitie te bepalen vergoeding; C. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in appel." 1.7 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De verdere beoordeling 2De vaststaande feiten Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden: 2.1 Partijen hebben in het kader van een affectieve relatie met elkaar samengewoond. 2.2 Op 28 april 2003 hebben partijen, ieder voor de onverdeelde helft, een perceel bouwgrond met de daarop in aanbouw zijnde recreatiewoning aan [adres], hierna: de woning, in eigendom gekregen. Zij hebben diezelfde dag ten behoeve van de Rabohypotheekbank N.V. en de Coöperatieve Rabobank gemeente Voorst U.A. een recht van hypotheek op de woning gevestigd tot een bedrag van € 170.000,- te vermeerderen met rente en kosten. Hieronder vallen een Opmaat Hypotheeklening voor een bedrag van € 100.000,-, een Annuïteiten Hypotheeklening voor een bedrag van € 9.200,- en een Aflossingsvrije Hypotheeklening voor € 60.800,-. Partijen hebben een levensverzekering afgesloten bij Interpolis, waarvan het recht op uitkering is verpand aan de bank. 2.3 Op 8 maart 2004 is een samenlevingscontract tussen partijen verleden voor notaris [notaris]. In dit samenlevingscontract is onder meer het volgende bepaald: " BEEINDIGING VAN DE SAMENLEVING TIJDENS LEVEN (…) Artikel 15 (…) c. Ingeval de samenleving, anders dan door overlijden van één van partijen eindigt, heeft iedere partij het recht nog gedurende drie maanden te wonen in het laatstelijk door beiden bewoond pand zonder deswege tot enige vergoeding verplicht te zijn, behoudens het bepaalde in het slot van artikel 7 lid a. Deze termijn begint te lopen: 1. (…); II (…); d. In geval de woning tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen behoort eindigt het woonrecht van de partij, die geen eigenaar blijft, echter op de dag van verdeling van de woning. Indien één van partijen de woning welke aan partijen in gemeenschap toebehoort feitelijk definitief verlaat en de andere partij in die gemeenschappelijke woning blijft, is laatst bedoelde partij een redelijke vergoeding verschuldigd aan de wederpartij." 2.4 Partijen hadden een gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer], vanaf welke de hypotheeklasten werden betaald. 2.5 [geïntimeerde] heeft de woning in augustus 2008 verlaten. [appellante] is in de woning blijven wonen. 2.6 Sinds 1 april 2010 is de woning verhuurd aan [X]. [X] maakt sindsdien een bedrag van € 325,- per maand over naar de gezamenlijke bankrekening. 2.7 [appellante] en [X] hebben in elk geval gedurende enige tijd na 1 april 2010 een affectieve relatie met elkaar gehad. 2.8 De woning staat op dit moment te koop. 2.9 Op de "vragenlijst voor de verkoop van uw woning" heeft [appellante] op de vraag: "Hoe gebruikt u de woning nu? (bijvoorbeeld woning, praktijk, winkel, opslag)" als antwoord ingevuld "woning recratie". 3Het geschil en de procedure in eerste aanleg 3.1 [appellante] heeft [geïntimeerde] op 16 november 2011 gedagvaard voor de rechtbank en heeft - zakelijk weergegeven - gevorderd de "goederengemeenschap waarin partijen hebben samengewoond" te verdelen voor zover deze nog niet is verdeeld, overeenkomstig hetgeen in de dagvaarding is weergegeven, althans partijen te veroordelen tot een zodanige verdeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis. 3.2 [geïntimeerde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld, die samengevat weergegeven - inhouden: a. de "eenvoudige vermogensgemeenschap tussen partijen" te verdelen zoals aangegeven in de conclusie van antwoord/eis in reconventie, met dien verstande dat de grasmaaier aan [geïntimeerde] moet worden afgegeven; b. te bepalen dat voor zover een schuld resteert na verkoop van de woning en aflossing van de hypothecaire geldlening partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de restanthoofdsom exclusief de eventuele achterstallige hypotheekrente en/of boete(rente), en dat de eventuele achterstallige hypotheekrente en/of boete(rente)dat dit volledig door [appellante] wordt gedragen en als haar eigen schuld zal worden voldaan, onder vrijwaring van [geïntimeerde]; c. [appellante] te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en [geïntimeerde] te machtigen om, indien [appellante] weigert hieraan te voldoen, de verkoopopdracht te verstrekken aan een willekeurige makelaar en alle andere benodigde handelingen ten behoeve van de verkoop en levering namens [appellante] te verrichten; d. [appellante] te veroordelen aan [geïntimeerde] ex artikel 15 sub d van het samenlevingscontract een bedrag van € 15.580,- over de periode september 2008 tot en met februari 2012 te vergoeden en een bedrag van € 380,- per maand vanaf februari 2012, vermeerderd met wettelijke rente. 3.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 9 mei 2012 partijen veroordeeld: - over en weer mee te werken aan de op partijen rustende verplichtingen in het kader van de door partijen ter comparitie afgesproken verkoop van de woning (r.o. 3.1 en 3.2 van het vonnis) op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag bij niet nakoming met een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 50.000,-; - om na verkoop en levering van de woning onderling af te rekenen overeenkomstig r.o. 3.4 van dat vonnis, waarbij [appellante] met terugwerkende kracht tot 1 september 2008 tot datum levering van de woning, zonder verrekening met [geïntimeerde], alle (hypotheek)lasten voor de woning moet dragen, met dien verstande dat hierop in mindering strekken alle reeds respectievelijk nog te ontvangen huurinkomsten en voorts met dien verstande dat [geïntimeerde] met ingang van januari 2012 tot datum levering van de woning moet betalen de helft van de in zijn totaliteit verschuldigde opstal/brandverzekeringspremie voor de woning, de OZB alsmede de parkkosten. - over en weer binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis mee te werken aan opheffing dan wel aan wijziging van de tenaamstelling van rekeningnummer 12.06.00.110 waarbij in laatstgenoemd geval de rekening op naam van [appellante] komt te staan, een en ander steeds zonder verrekening door [appellante] van het (positieve dan wel negatieve) saldo met [geïntimeerde]. De rechtbank heeft verder partijen de inboedelzaken toegedeeld waarover zij ieder feitelijk reeds beschikken en [geïntimeerde] veroordeeld tot medewerking aan omzetting van de tenaamstelling van het contract met Vitens zodat dit op naam van de huurder van de woning van partijen komt te staan. De proceskosten zijn aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. 4De grieven In het principaal appel en in het incidenteel appel 4.1 De grieven in het principaal appel hebben alle de strekking dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat [appellante] de hypotheeklasten van de woning vanaf september 2008 volledig dient te dragen en dat een eventueel nadien toegenomen hypotheekschuld uitsluitend voor rekening van [appellante] komt. Grief 2 in het incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] om [appellante] op grond van artikel 15 sub d van het samenlevingscontract te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor het alleengebruik dat [appellante] na augustus 2008 van de woning heeft gehad. 4.2 Gezien de samenhang tussen deze grieven zal het hof deze gezamenlijk bespreken. 4.3 In rechtsoverweging 3.8 tot en met 3.10 van het bestreden vonnis is beslist dat [appellante] de hypotheeklasten vanaf september 2008, alsmede een eventuele nadien ontstane achterstand in de hypotheekrentebetalingen, voor haar rekening moet nemen, omdat zij vanaf september 2008 de woning steeds heeft gebruikt. 4.4 Het hof constateert dat, hoewel [appellante] onder II van haar conclusie van de memorie van grieven heeft gevorderd dat wordt bepaald dat [geïntimeerde] ook de helft van de vanaf 1 september 2008 verschuldigde opstal-brandverzekeringspremie, OZB en de parkkosten dient te voldoen, zij geen voldoende kenbare grief heeft gericht tegen de impliciete beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 3.8 en onder 4.2 van het dictum van het bestreden vonnis dat [appellante] die kosten vanaf 1 september 2008 tot januari 2012 voor haar rekening dient te nemen. Het hof gaat er daarom vanuit dat het geschil in hoger beroep uitsluitend ziet op de voor de woning verschuldigde hypotheekrente en premie levensverzekering. 4.5 Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat partijen hoofdelijk verbonden zijn voor de schuld aan de Rabobank. Op grond van artikel 6:10 BW zijn zij gehouden ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, in de schuld en de kosten bij te dragen. In hoeverre de schuld ieder van hen aangaat, hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval, met name van hun onderlinge rechtsverhouding. Het hof overweegt in dit verband dat de schuld door partijen tezamen is aangegaan ter financiering van de woning die op dat moment door hen beiden werd bewoond en dat die aan ieder van hen voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoort, zodat deze schuld in beginsel partijen ieder eveneens voor de helft aangaat. De omstandigheid dat [appellante] gedurende een tijd het alleengebruik van de woning heeft gehad is niet een omstandigheid die ertoe leidt dat de schuld [appellante] voor meer dan de helft aangaat. Voor het overige zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan het aandeel van [appellante] in de hypotheekrente meer dan de helft dient te zijn. Het hier overwogene geldt eveneens voor de in het kader van de financiering van de woning betaalde premies levensverzekering. Dit betekent dat [appellante] en [geïntimeerde] ieder de helft van de na augustus 2008 verschuldigde hypotheekrente en premies levensverzekering dienen te dragen. 4.6 Geen grief is gericht tegen de vaststelling dat [geïntimeerde] na het uiteengaan van partijen in augustus 2008 tot 1 maart 2012 een totaalbedrag van € 7.663,- heeft betaald ten behoeve van de woning. Het hof leidt uit de stukken af dat [geïntimeerde] dit heeft gedaan door dit bedrag over te maken naar de gemeenschappelijke bankrekening. Volgens [appellante] had [geïntimeerde] na augustus 2008 evenveel als zijzelf aan de woonlasten moeten bijdragen. Omdat [appellante] na augustus 2008 een totaalbedrag van € 25.200 heeft gestort, stelt zij haar recht op vergoeding jegens [geïntimeerde] op € 25.200,- minus ((€ 25.200,- + € 7.663,-):2) ofwel € 8.768,50. 4.7 [geïntimeerde] heeft tegen het gevorderde bedrag van € 8.768,15 ingebracht dat daarin niet zijn verdisconteerd de door [X] betaalde huurtermijnen en de vaste gebruikslasten die van de gezamenlijke bankrekening zijn voldaan en die volgens hem - vanwege het uitsluitend gebruik van de woning door [appellante] - volledig voor rekening van [appellante] dienen te komen. 4.8 Wat betreft de gebruikslasten blijkt naar het oordeel van het hof uit de overgelegde afschriften van de gezamenlijke bankrekening niet dat andere woonlasten dan de hypotheekrente en de premie levensverzekering van die rekening zijn betaald, zodat het hof de andersluidende stelling van [geïntimeerde] buiten beschouwing laat. 4.9 Verder leidt het hof uit die bankafschriften af dat huurder [X] vanaf april 2010 tot 1 maart 2012 elke maand een bedrag aan huur van € 325,- naar de gezamenlijke bankrekening heeft overgemaakt en dat die maandelijkse bedragen zijn gebruikt voor betaling van hypotheekrente en premie levensverzekering, en aldus aan beide partijen ten goede zijn gekomen. 4.10 [geïntimeerde] heeft het gevorderde bedrag van € 8.768,15 niet voldoende gemotiveerd betwist. Dit bedrag acht het hof dan ook over de periode vanaf september 2008 tot 1 maart 2012 in beginsel toewijsbaar. In de periode vanaf 1 maart 2012 tot de datum van verkoop en levering van de woning dient ieder van partijen de helft van de hypotheekrente en premie levensverzekering verminderd met de over deze periode (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.