Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – ECLI:NL:GHARL:2014:4123
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.133.004/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/337291/HL RK 13-8) beschikking van de tweede kamer voor burgerlijke zaken van 16 mei 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, in eerste aanleg: verzoeker, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.
Belanghebbenden:
1.[belanghebbende 1], wonende te [woonplaats 2], hierna te noemen: [belanghebbende 1], advocaat: mr. W.S. Santema, kantoorhoudende te Sneek.
Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 26 juni 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, hierna te noemen de rechtbank.
Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 juli 2013, is [appellant] in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking, hierna te noemen de beroepen beschikking. [appellant] heeft bij het beroepschrift verzocht: 'de beschikking d.d. 26 juni 2013 van de Rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Lelystad te vernietigen en opnieuw recht te doen waarbij het verzoek om opheffing van het testamentair bewind alsnog wordt toegewezen, één en ander met inachtneming van de overige verzoeken namens verzoeker gedaan in de procedure in eerste aanleg over proceskosten, kosten expertise (…) enz.' Op 12 augustus 2013, 21 november 2013 en 22 november 2013 zijn ter griffie achtereenvolgens ingekomen de brieven d.d. 8 augustus 2013, 19 november 2013 en 22 november 2013 van mr. Marius-van Eeghen met producties.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2014, heeft [belanghebbende 1] verweer gevoerd. [belanghebbende 1] heeft bij het verweerschrift verzocht: 'om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren inzake het verzoek althans dit verzoek af te wijzen, met veroordeling van verzoeker in de kosten van deze procedure.' Voorts zijn op 3 februari 2014, 3 februari 2014 en 5 februari 2014 ter griffie achtereenvolgens ingekomen de brieven d.d. 31 januari 2014, 31 januari 2014 en 4 februari 2014 van mr. Marius-van Eeghen met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Bij de behandeling waren aanwezig [appellant], mr. Marius-van Eeghen, [belanghebbende 1], mr. Santema, [belanghebbende 2] en [belanghebbende 4].
De grieven [appellant] heeft één onbenoemde grief opgeworpen.
De beoordeling De vaststaande feiten 1. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan: (i) Op [datum] is te [plaats 1] overleden [de erflaatster], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum 1], hierna te noemen de erflaatster. (ii) De erflaatster heeft bij openbaar testament, op 28 september 2004 verleden voor [de notaris], notaris te [plaats 2], hierna te noemen het testament, - voor zover van belang - als volgt over haar nalatenschap beschikt: 'A. HERROEPING/RECHTSKEUZE 1. Ik herroep alle vroeger door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen.
B. ERFSTELLING/LEGAAT/DEFINITIE ERFDEEL 1. Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn drie kinderen, samen en voor gelijke delen:
Bij ontbreken van een dochter als erfgenaam wordt plaatsvervulling in acht genomen, zoals door de wet bepaald voor vererving bij versterf en vindt anders aanwas plaats ten behoeve van de overige erfgenamen; bij het ontbreken van mijn zoon als erfgenaam geldt het hierna in bepaling E onder 4 bepaalde in het daar vermelde geval.
Voor wat betreft de erfstelling ten behoeve van mijn zoon verwijs ik naar elders in dit testament voor de daaraan verbonden ontbindende voorwaarde en verdere beperkingen.
C. INBRENG (…) D. UITSLUITINGSCLAUSULE (…).
E. TWEETRAPSMAKING 1. Making onder voorwaarde; bezwaarde De in bepaling B. vermelde erfstelling ten behoeve van [X] geschiedt onder de hierna vermelde ontbindende voorwaarde.
Ik bepaal dat alles wat [X] uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, althans wat daarvan onverteerd is overgebleven, niet zal toekomen aan zijn erfgenamen, maar aan mijn hierna te noemen erfgenamen onder opschortende voorwaarde.
F. BEPALINGEN TWEETRAPSMAKING (…) G. VOORWAARDELIJK VRUCHTGEBRUIKLEGAAT 1. Legaat vruchtgebruik aan [belanghebbende 2] Ik legateer aan [belanghebbende 2], met wie mijn zoon [X] samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert - verder te noemen: [belanghebbende 2] - het vruchtgebruik van het erfdeel dat krachtens bepaling E. sub 2 of 4 door de verwachters wordt verkregen.
Deze making is alleen van toepassing als [belanghebbende 2] nog in leven is op het tijdstip waarop het vruchtgebruik geacht wordt aan te vangen, terwijl op dat tijdstip geen sprake is van een omstandigheid waarin het vruchtgebruik al zou zijn geëindigd, terwijl de samenwonersrelatie (al dan niet in de vorm van een huwelijk of geregistreerd partnerschap) niet moet zijn verbroken door een andere oorzaak dan door het overlijden van [X] (waarbij het om medische redenen niet meer samenwonen met in stand blijven van de affectieve relatie niet geldt als verbreken van de samenwoning).
Ik benoem tot bewindvoerder de heer [belanghebbende 1], geboren op [geboortedatum 2], wonende te [postcode] [woonplaats 2], [adres] ([postadres] [woonplaats 2]). (…) Met betrekking tot dit bewind bepaal ik als volgt:
I. EXECUTELE (…).' (iii) Ingevolge het testament staat hetgeen [appellant] uit de nalatenschap van de erflaatster heeft verkregen, onder testamentair bewind met [belanghebbende 1] als bewindvoerder.
Met betrekking tot de grief 2. De grief is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het primaire verzoek van [appellant] als oorspronkelijk verzoeker tot opheffing - op de voet van art. 4:178 lid 2 tweede zin BW - van het testamentaire bewind over hetgeen hij uit de nalatenschap van de erflaatster heeft verkregen.
4 Volgens het bepaalde in art. 4:155 lid 3 BW geldt dat het bewind over een voorwaardelijk making wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van zowel degene die het goed bij vervulling van de voorwaarde verkrijgt als van degene die het alsdan verliest. In de zinsnede 'wordt vermoed' in art. 4:155 lid 3 BW komt tot uitdrukking dat de bepaling ten opzichte van de erflater van regelend recht is.
Slotsom 13. De beroepen beschikking dient derhalve te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het primaire verzoek van [appellant] als oorspronkelijk verzoeker heeft afgewezen. De kosten van het geding in hoger beroep zullen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding één der partijen in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder kosten van deskundigen, te veroordelen.
Beslissing Het hof: vernietigt de beroepen beschikking, voor zover de rechtbank het primaire verzoek van [appellant] als oorspronkelijk verzoeker heeft afgewezen; en opnieuw rechtdoende: heft het testamentaire bewind, door de erflaatster ingesteld over de verkrijging van [appellant] uit haar nalatenschap, op; compenseert de kosten van het geding in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L. Fikkers en mr. G.K. Schipmölder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 16 mei 2014 in het bijzijn van de griffier.