GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.143.499/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/150262 / KG ZA 14-10) arrest in kort geding van de tweede kamer van 27 mei 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen, kantoorhoudend te Boxmeer, die ook heeft gepleit, tegen ABN AMRO Schadeverzekering NV, gevestigd te Zwolle, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: ABN AMRO, advocaat: mr. M.F.H.M. van Haastert, kantoorhoudend te Zwolle, die ook heeft gepleit. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 11 februari 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 maart 2014 tevens houdende grieven (met producties), - de memorie van antwoord (met producties), - het gehouden pleidooi waarbij van beide zijden pleitnotities zijn overgelegd. 2.2 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt: "dat het het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden behage om bij arrest het vonnis in kort geding, op 11 februari 2014 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle tussen enerzijds appellant als oorspronkelijk eiser in kort geding en geïntimeerde als oorspronkelijk gedaagde in kort geding onder zaak-/rolnummer C/08/150262 / KG ZA 14-10 gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zonodig onder verbetering en aanvulling van gronden: I. ABN AMRO te veroordelen om binnen een week na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Incidentenregister van ABN AMRO en Delta Lloyd, het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, dan wel om die medewerking te verlenen die noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens uit die registers, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat AMB AMRO daarmee in gebreke blijft; II. ABN AMRO te veroordelen de beëindiging van de inboedel-, aansprakelijkheids-, doorlopende reisverzekering en rechtsbijstandsverzekering binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest met terugwerkende kracht ongedaan te maken en deze verzekeringen per 4 november 2013 voort te zetten; III. althans een zodanige beslissing te nemen als U in goede justitie meent te behoren; IV. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties. 3De feiten 3.1 De door de voorzieningenrechter onder 2 (2.1 tot en met 2.6) weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil, behoudens voor zover met grief I is betwist dat op de inboedelverzekering de Gemeenschappelijke voorwaarden van toepassing zijn. Derhalve zal ook het hof van die feiten uitgaan (waartoe het hof verwijst naar voormeld vonnis), behoudens de toepasselijkheid van genoemde voorwaarden. 4. Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de eiswijziging in hoger beroep 4.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellant] heeft bij ABN AMRO een inboedelverzekering afgesloten. [appellant] heeft eind juni 2013 op die verzekering een schade gemeld die verband houdt met het ontstaan van een gaslek in zijn woning, althans de daaropvolgende herstelwerkzaamheden. ABN AMRO heeft, nadat zij aanvankelijk een voorschot van € 10.000,- had uitgekeerd, bij brief van 4 november 2013 dekking afgewezen. Voorts heeft zij in deze brief aan [appellant] meegedeeld dat alle bij ABN AMRO ten name van hem lopende verzekeringen per direct zijn beëindigd en dat zijn gegevens zijn opgenomen in het interne incidentenregister, waarvan het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte is gebracht, alsook in het zogenaamde Extern Verwijzingsregister (EVR). In eerste aanleg heeft [appellant] een aanvullend voorschot op de schade-uitkering gevorderd en een gebod tot verwijdering van zijn gegevens uit de hiervoor bedoelde registers en uit het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. 4.2 In het onderhavige spoedappel vordert [appellant] niet langer betaling van een voorschot en heeft hij zijn eis vermeerderd met een eis tot ongedaanmaking door ABN AMRO van de beëindiging van de verzekeringen. Tegen deze eiswijziging als zodanig heeft ABN AMRO geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen bezwaren, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 ABN AMRO heeft het spoedeisend belang bij de voorliggende vorderingen betwist. Zij heeft erop gewezen dat [appellant], anders dan hij heeft gesteld, niet zelf risico hoeft te dragen doch zich kan verzekeren bij Rialto. Naar het oordeel van het hof ligt in de stellingen van [appellant] voldoende besloten dat hij de vordering tot ongedaanmaking van de registratie mede heeft ingesteld omdat hij van opvatting is dat hij thans ten onrechte als fraudeur te boek staat, zoals hij ook ter zitting van het hof nog eens uitvoerig heeft toegelicht. Het hof kan het spoedeisend belang daarbij inzien. Van [appellant] kan bezwaarlijk worden verlangd dat hij een langdurige bodemprocedure afwacht en ondertussen niet zou kunnen opkomen tegen de in zijn ogen foutieve en diffamerende registratie. Het spoedeisend belang bij deze vordering is daarmee gegeven. Dit ligt anders ten aanzien van de vermeerderde eis die strekt tot ongedaanmaking van de tussentijdse opzegging van de verzekeringen bij ABN AMRO. Als niet weersproken staat vast dat [appellant] zich bij Rialto kan verzekeren. Weliswaar zal de premie hoger zijn, doch dit verschil in premie lost zich, zoals namens ABN AMRO ter zitting is betoogd, op in een vordering tot schadevergoeding indien in de bodemprocedure mocht blijken dat de opzegging ongegrond is geweest. Daar komt bij dat indien het hof het gevorderde gebod tot verwijdering van zijn gegevens uit de registratie mocht toewijzen, [appellant] zich in beginsel weer bij iedere maatschappij zal kunnen verzekeren. In zoverre bestaat onvoldoende zelfstandig, laat staan: spoedeisend, belang bij deze vordering. 5.2 Met grief I betoogt [appellant] dat de Gemeenschappelijke voorwaarden niet op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn, althans nooit aan hem zijn overhandigd en deswege vernietigbaar zijn. ABN AMRO heeft dit in de memorie van antwoord uitvoerig bestreden. De advocaat van [appellant] is daarop in zijn pleidooi niet ingegaan, ook niet nadat dit door de advocaat van ABN AMRO was gesignaleerd. Wat daarvan zij, in hoger beroep mist [appellant] belang bij de onderhavige grief. De vraag naar de toepasselijkheid en vernietigbaarheid van genoemde voorwaarden speelt immers uitsluitend een rol bij de discussie over de omvang van de uitkering (in hoger beroep niet meer aan de orde) en die over de opzegging (ten aanzien waarvan bij de vordering geen spoedeisend belang bestaat). 5.3 De grieven II tot en met VI strekken ten betoge dat er onvoldoende grond bestaat voor opname van de gegevens van [appellant] in het interne frauderegister van ABN AMRO en in het externe verwijzingsregister. 5.4 Het hof stelt voorop dat opname in, met name, het externe verwijzingsregister van de Stichting CIS voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het externe verwijzingsregister vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.