GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.114.727/01 (zaaknummer rechtbank Assen 85223 / HA ZA 11-146) arrest van de eerste kamer van 3 juni 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. L.F. Jagtenberg, kantoorhoudend te Hoofddorp, tegen Coöperatieve Rabobank Katwijk U.A., gevestigd te Katwijk, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Rabobank Katwijk advocaat: mr. H.A. de Jongh, kantoorhoudend te Leiden. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 5 oktober 2011 en 11 juli 2012 van de rechtbank Assen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 oktober 2102; - de memorie van grieven d.d. 21 mei 2013 met producties - de memorie van antwoord d.d. 10 september 2013; - het schriftelijk pleidooi van 19 november 2013 met producties; 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] luidt: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad de vonnissen d.d. 5 oktober 2011 en 11 juli 2012 gewezen door de rechtbank Assen onder nummer 85223 / HA ZA 11-146 tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van de Rabobank af te wijzen, met veroordeling van de Rabobank in de kosten van beide instanties en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren". 3De stukken bij het schriftelijk pleidooi 3.1 Rabobank Katwijk heeft betoogd dat het hof de producties gevoegd bij het schriftelijk pleidooi van [appellant] buiten beschouwing dient te laten omdat deze niet conform de artikelen 2.17 en 4.2 – naar het hof aanneemt van het toepasselijke landelijke procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven – veertien dagen voorafgaand aan het pleidooi aan het hof zijn toegezonden. 3.2 Het hof overweegt dat deze bepalingen – die er mede toe strekken dat de raadsheren ter zitting tijdig van nieuwe gedingstukken kennis kunnen nemen – niet van toepassing zijn op het schriftelijk pleidooi, waarvoor artikel 4.7 een eigen regeling kent. Rabobank Katwijk heeft zelf voldoende gelegenheid gehad om op de producties te reageren, zodat haar bezwaar niet voor honorering in aanmerking komt. 4Ten aanzien van de feiten Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken. 4.1 [appellant] hield een bankrekening aan onder nummer [rekeningnummer] bij (de rechtsvoorganger van) Rabobank Katwijk. Op deze overeenkomst waren de Algemene Bankvoorwaarden 1995 en de Algemene voorwaarden voor particuliere rekeningen van Rabobankorganisatie 1999 van toepassing. 4.2 Artikel 6 van die algemene bankvoorwaarden luidt: " 6 Adresopgave door de cliënt De cliënt dient de bank mee te delen naar welk adres voor hem bestemde stukken gezonden dienen te worden. Adreswijzigingen dient de cliënt schriftelijk mee te delen." 4.3 Per 1 januari 2003 is de restantschuld van een hypotheeklening die door Rabobank Katwijk was uitgewonnen ten laste van deze rekening gebracht, waardoor een saldotekort van € 53.425,28 is ontstaan. 4.4 Op 17 april 2003 heeft de budgetconsulent van de gemeente Noordwijk Rabobank Katwijk bericht dat [appellant] zich vanwege een problematische financiële situatie tot de gemeente had gewend voor begeleiding en bemiddeling. In deze brief wordt om uitstel van betaling verzocht. Op 29 april 2013 heeft Rabobank Katwijk de budgetconsulent bericht dat de schuld op dat moment € 55.268,82 bedroeg en dat zij vooralsnog weinig zag in stopzetting van rente en kosten. 4.5 In 2006 heeft de door Rabobank Katwijk ingeschakelde advocaat een verhaalsonderzoek naar [appellant] laten doen door Regres Info B.V. Deze heeft Rabobank Katwijk op 27 maart 2006 het door deze onderneming opgemaakte rapport toegezonden. 4.6 Dit rapport meldt dat [appellant] is gescheiden van [X], doch nog wel met haar zou samenwonen. Het rapport vervolgt: “Betrokkene en zijn partner zijn woonachtig aan het adres [adres 1]. Telefoonnummer … (ten name van [B.V.]) [appellant] staat daar vermoedelijk niet ingeschreven. Hij zou nog steeds zijn ingeschreven aan [adres 2]. Het betreft hier naar verluidt een kamer verhuurbedrijf. [appellant] is de afgelopen jaren met regelmaat van de klok verhuisd om op deze manier te proberen aan zijn schuldeisers te ontkomen. (…) 4.7 Rabobank Katwijk heeft op 2 mei 2006 haar advocaat opdracht gegeven [appellant] aan te manen op het adres [adres 1]. In dezelfde brief verzucht de medewerkster van deze Rabobank dat Rabobank Amerstreek (Oosterhout) waar een spaarrekening ten gunste van [appellant] was geadministreerd, geen aanvullende telefonische informatie wenste te verstrekken. 4.8 Op 9 mei 2006 heeft Rabobank Katwijk een aangetekende brief met aanmaning naar het adres in [adres 1] verzonden, alsmede een gewone brief met dezelfde inhoud. Beide brieven zijn ongeopend door de posterijen aan de toenmalige advocaat van Rabobank Katwijk, [advocaat], geretourneerd, voorzien van een sticker waarop als reden van onbestelbaarheid was aangekruist: “vertrokken”. 4.9 Op 29 december 2010 heeft Rabobank Katwijk een sommatie verzonden naar [adres 2]. Deze is door [appellant] ontvangen. 5De beoordeling in eerste aanleg 5.1 Rabobank heeft haar vordering met de daarop inmiddels verschenen contractuele rente ad 18% per jaar, beperkt tot een totaalbedrag van € 100.000,- , te vermeerderen met de contractuele rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag der dagvaarding. 5.2 [appellant] heeft zich op verjaring van de vordering beroepen en gesteld dat hij nimmer in [adres 1] heeft gewoond. 5.3 De rechtbank heeft bij tussenvonnis overwogen dat [appellant] onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen de stelling van Rabobank Katwijk dat hij in mei 2006 feitelijk [adres 1] woonde en heeft Rabobank Katwijk toegelaten tot het bewijs van het feit dat de aanmaning van 9 mei 2006 tijdig is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven dan wel feiten en omstandigheden te bewijzen die de persoon van [appellant] betreffen en rechtsvaardigen dat hij het nadeel draagt dat de aanmaning hem niet heeft bereikt. 5.4 Bij eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat [appellant] de stuitingsbrief van 9 mei 2006 niet heeft gelezen, als een omstandigheid moet worden aangemerkt die de persoon van [appellant] betreft en rechtvaardigt dat hij het nadeel draagt. [appellant] is van [adres 1] vertrokken, zonder mededeling aan Rabobank Katwijk te doen, waar voor hem bestemde stukken na zijn vertrek naar toegezonden dienden te worden. 6De beoordeling van de grieven 6.1 [appellant] heeft tegen de beide vonnissen waarvan beroep vijf grieven voorgedragen, die alle betrekking hebben op de vraag of de vordering van Rabobank Katwijk op [appellant] is verjaard dan wel of Rabobank Katwijk die verjaring tijdig heeft gestuit. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 6.2 Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis terecht heeft geoordeeld is tussen partijen niet in geschil dat de onderhavige vordering in januari 2003 – uiterlijk op 1 februari 2003 - opeisbaar is geworden en dat in dit geval een verjaringstermijn van vijf jaren geldt. 6.3 Voorts zijn partijen het erover eens dat Rabobank Katwijk in ieder geval op 29 april 2003 aanspraak heeft gemaakt op betaling jegens de door [appellant] kennelijk als gemachtigde gestelde budgetconsulent van de gemeente Noordwijk. Uitgaande van die brief is de verjaring gestuit tot en met vijf jaar na de ontvangst van die opgave, rond 1 mei 2003, zodat de vordering rond 1 mei 2008 is verjaard, tenzij Rabobank Katwijk voordien de verjaring opnieuw heeft gestuit. De bewijslast van de stuiting rust op Rabobank Katwijk. Vast staat dat [appellant] de brief van Rabobank Katwijk van 29 december 2010 heeft ontvangen, zodat het erop aankomt of Rabobank Katwijk de verjaring van haar vordering heeft gestuit tussen ultimo december 2005 en begin mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.