← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2014:5043

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.148.552 (zaaknummer rechtbank Oost-Brabant 804276; zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.130.817) arrest van de pachtkamer van 24 juni 2014 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, hierna: [appellante], advocaat: mr. D.I.J. Snijders, tegen: 1 [geïntimeerde sub 1], gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [plaats],

  1. [geïnstimeerde sub 2], wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],
  2. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats], gemeente [plaats], geïntimeerden, hierna: [geïntimeerde] (in mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. F.A.M. Knüppe. 1Het verloop van het geding 1.1 Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 november 2012 en 25 april 2013 (zoals verbeterd bij vonnis van 30 mei 2013), die de pachtkamer van respectievelijk de rechtbank ’s-Hertogenbosch en de rechtbank Brabant tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagden heeft gewezen. Bij het vonnis van 25 april 2013 (dat het karakter van een tussenvonnis draagt) is tussentijds hoger beroep toegestaan. 1.2 Bij appeldagvaarding van 22 juli 2013 heeft [appellante] van het vonnis van 25 april 2013 en het herstelvonnis van 30 mei 2013 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. 1.3 Nadat [appellante] een memorie van grieven had genomen en [geïntimeerde] een memorie van antwoord, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 21 januari 2014 een tussenarrest gewezen en na uitlating door beide partijen zich bij arrest van 8 april 2014 onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen, met verwijzing van de zaak naar dit hof en deze kamer. 1.4 Op de rol van 13 mei 2014 is de zaak door [appellante] bij dit hof aangebracht, waarna het hof arrest heeft bepaald. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Op grond van het tweede lid van artikel 1019o Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedraagt de appeltermijn in geval van hoger beroep van een vonnis of beschikking van de pachtkamer van een rechtbank één maand na de dag van de uitspraak. Daaruit volgt dat [appellante] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is. De bedoelde appeltermijn is van openbare orde, zodat aan de bedoelde niet-ontvankelijkheid niet kan afdoen dat [geïntimeerde] zich bij memorie van antwoord niet op de termijnoverschrijding heeft beroepen. Daaraan kan ook niet afdoen dat het vonnis van 25 april 2013 (zoals verbeterd bij vonnis van 30 mei 2013) het karakter van een tussenvonnis draagt, met als gevolg dat bij gelegenheid van het eindvonnis opnieuw hoger beroep tegen (mede) dat tussenvonnis zal kunnen worden ingesteld. 2.2 De slotsom is dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof zal [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen kosten zal het hof begroten op € 4.961,— voor griffierecht en € 3.263,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (één punt tarief VI). 3De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep; veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 4.961,— voor griffierecht en € 3.263,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en verklaart dit arrest wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.F.J.N. van Osch en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.