GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/00597 uitspraakdatum: 24 juni 2014 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van ir. [X], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2013, nummer AWB 12/4092, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Rijnwaarden (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 3a te [Z], voor het kalenderjaar 2011, naar waardepeildatum 1 januari 2010, vastgesteld op € 538.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag onroerendezaakbelasting 2011 (OZB) vastgesteld op € 506,25. 1.2 De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2012 de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 18 april 2013 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, de vastgestelde waarde verminderd tot € 450.000 en de opgelegde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. 1.4 Belanghebbende heeft bij brief van 23 mei 2013, ingekomen bij het Hof op 24 mei 2013, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen ing. [A] en taxateur [B] RMT. 1.7 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Feiten 2.1 Belanghebbende is in het onderhavige jaar eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduiding [C] 1714. Het perceel heeft een oppervlakte van 2870 m2 en wordt in het Kadaster omschreven als ‘wonen erf-tuin’. Op dit perceel is een vrijstaande woning gelegen. Verder is belanghebbende eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduiding [C] 2079. Dit perceel heeft een oppervlakte van 13600 m2 en wordt in het Kadaster omschreven als ‘berging-stalling (garage-schuur) terrein (akkerbouw)’. Op dit perceel bevinden zich twee loodsen. 2.2 De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde bij beschikking vastgesteld op € 538.000. Daarbij is de heffingsambtenaar ervan uitgegaan dat voor de toepassing van de Wet WOZ sprake is van één onroerende zaak waartoe een woning van 445 m3, twee loodsen van respectievelijk 330 m2 en 90 m2 en een perceel van 16470 m2 (2000 m2 grond bij woning en 14470 m2 overige grond) behoren. 2.3 Op 4 mei 2011 heeft taxateur [B] RMT (hierna: [B]) de woning inpandig opgenomen en geconstateerd dat de inhoud groter was dan de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen 445 m3. Uitgaande van een inhoud van 863 m3, heeft [B] de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 658.000. 2.4 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar het WOZ-object [a-straat] 3a te [Z] (hierna: de onroerende zaak) ten onrechte heeft afgebakend met inbegrip van het perceel landbouwgrond en de loodsen. De Rechtbank heeft de onroerende zaak afgebakend tot een woning met een inhoud van 863 m3, gelegen op een perceel van 2000 m2 en hieraan in goede justitie een waarde toegekend van € 450.000. 3Geschil 3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. 3.2 Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een onjuiste inhoud van de onroerende zaak en onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van de tot de onroerende zaak behorende woning. Verder wijst hij op de ligging van de onroerende zaak in een potentieel retentiegebied, op de komst van [D] en op de daarmee verband houdende zandwinning. Ook verzet belanghebbende zich tegen de gehanteerde vergelijkingsobjecten en betwist hij de deugdelijkheid van de taxatiematrix. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde wijst belanghebbende op de WOZ-waarden van aan de [a-straat] gelegen objecten en voert hij aan dat de waarde van de onroerende zaak – die in grote lijnen van dezelfde soort is – onmogelijk veel van deze waarden kan en mag afwijken. 3.3 De heffingsambtenaar verdedigt in hoger beroep de door de Rechtbank vastgestelde waarde van € 450.000. Ter staving daarvan wijst de heffingsambtenaar op de in hoger beroep overgelegde taxatiematrix (met bijlagen) waarin de waarde is getaxeerd op € 470.000. 3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 350.000. 3.5 De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Vooraf 4.1 Ingevolge artikel 40, lid 1, van de Wet WOZ kan op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak door de heffingsambtenaar worden verstrekt aan een ieder die kan aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan. In dit kader heeft belanghebbende in hoger beroep aan de heffingsambtenaar verzocht om verstrekking van de vastgestelde waarden van negen onroerende zaken naar de waardepeildatum 1 januari 2010. Die informatie is door de heffingsambtenaar niet verstrekt. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hierdoor niet belemmerd in het voeren van de procedure. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in de bezwaarfase – tijdens een gesprek met de heffingsambtenaar – de WOZ-waarden heeft kunnen noteren van acht aan de [a-straat] gelegen objecten. Vier van deze objecten behoren eveneens tot de objecten waarvan in hoger beroep de waarde is opgevraagd. Objectafbakening 4.2 De Rechtbank heeft in haar uitspraak als één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ aangemerkt een perceel van 2000 m2 met daarop een woning. In zijn verweerschrift heeft de heffingsambtenaar deze objectafbakening niet betwist. Ook ter zitting heeft de heffingsambtenaar in eerste termijn de objectafbakening niet expliciet betwist, maar alleen opgemerkt dat uit luchtfoto’s blijkt dat een perceel van 5600 m2 bij belanghebbende in gebruik is als tuin. Belanghebbende heeft betwist dat de getoonde luchtfoto de situatie omstreeks de waardepeildatum weergeeft. 4.3 Desgevraagd heeft de heffingsambtenaar verklaard dat – na intern overleg – de beslissing is genomen niet (incidenteel) te appelleren tegen de wijze waarop de Rechtbank de verschillende objecten heeft afgebakend en dit geschilpunt voor een later tijdvak te bewaren. Desondanks was het zijns inziens zuiverder in de taxatiematrix van de juiste perceeloppervlakte uit te gaan. 4.4 Voor zover de heffingsambtenaar ter zitting het standpunt heeft willen innemen dat de Rechtbank de onroerende zaak onjuist heeft afgebakend, moet deze stelling als tardief worden beschouwd. Naar het oordeel van het Hof dient in het onderhavige geval het belang van een goede procesorde te prevaleren boven het belang dat de heffingsambtenaar heeft bij behandeling van deze stelling. Redengevend daarvoor is dat het een nieuw geschilpunt betreft, dat nader feitelijk onderzoek vraagt, dat de zaak zou moeten worden aangehouden teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen op de stelling te reageren en dat de heffingsambtenaar heeft verklaard bewust ervoor te hebben gekozen de objectafbakening in het verweerschrift niet te betwisten. Het Hof laat in het midden of voor het ter discussie stellen van de objectafbakening incidenteel hoger beroep had moeten worden ingesteld. WOZ-waarde 4.5 Op grond van artikel 17 van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. 4.6 Belanghebbende bepleit gemotiveerd een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last om feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is. 4.7 Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde heeft de heffingsambtenaar in hoger beroep een taxatiematrix overgelegd waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2010 van € 470.000. Ter onderbouwing van die waarde zijn de gerealiseerde verkoopprijzen en uiterlijke objectkenmerken opgenomen van drie vergelijkingsobjecten, te weten: Object [a-straat] 3a [Z] [b-straat] 32 [L] [c-straat] 38 [M] [d-straat] 6 [N] Type Vrijstaand Vrijstaand Vrijstaand Vrijstaand Bouwjaar 1979 1985 1980 1928/2005 Inhoud 863 m3 579 m3 425 m3 455 m3 Prijs/m3 € 300 € 235 € 425 € 375 Waarde woning € 258.900 € 136.065 € 180.625 € 170.625 Garage - € 6.600 € 13.950 - Grond bij woning 1000 m2 1000 m2 1000 m2 1000 m2 Prijs/m2 € 180 € 180 € 200 € 180 Waarde € 180.000 € 180.000 € 200.000 € 180.000 Overige grond 4600 m2 1093 m2 8199m2 220 m2 Prijs/m2 € 5 € 5 € 5 € 5 Waarde € 32.000 € 5.465 € 40.995 € 1.100 Souterrain - - - € 22.500 Dierenverblijf - - € 7.875 - Totaal afgerond € 470.000 € 328.000 € 443.000 € 374.000 Verkoopdatum - 02-09-2010 01-07-2009 01-12-2010 Verkoopprijs - € 325.000 € 435.000 € 367.500 4.8 Het Hof stelt voorop dat de heffingsambtenaar – gelet op hetgeen in 4.4 is overwogen – ten onrechte is uitgegaan van een perceel met een oppervlakte van 5600 m2. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat, uitgaande van een perceel van 2000 m2 en een rekenfout (4.600 m2 x € 5 = € 23.000), de waarde van de onroerende zaak € 440.000 bedraagt. Reeds hierom heeft de heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde van € 450.000 niet aannemelijk gemaakt. Echter, ook indien het Hof de waarde van € 440.000 tot uitgangspunt neemt, is de heffingsambtenaar niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Het Hof wijst in dat verband op het volgende. 4.9 Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende is de heffingsambtenaar niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de inhoud van de onroerende zaak 863 m3 bedraagt. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.