← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2014:5261

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.116.376/02 (zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel 790097) arrest van de eerste kamer van 1 juli 2014 inzake [opposante] , wonende te [woonplaats], opposante, advocaat: mr. M.P.J. Rubens, tegen: [geopposeerde] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats], geopposeerde, advocaat: mr. R.H.G. Evers. Partijen zullen hierna [opposante] en [geopposeerde] worden genoemd. 1Het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het in deze zaak tussen partijen bij verstek gewezen arrest van 28 januari 2014 van dit hof. 1.2 Bij exploit van 1 april 2014 is [opposante] in verzet gekomen van het bij verstek gewezen arrest van 28 januari 2014. Op de rol van 15 april 2014 is de zaak aangebracht bij het hof. 1.3 Daarna heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Het verzetexploot bevat geen gronden. Op grond van artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de tweede titel van boek 1 Rv, waaronder de achtste afdeling inzake verzet, van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In artikel 146 Rv zijn de eisen opgenomen waaraan een exploot van verzet moet voldoen. Artikel 111 lid 2 sub d Rv betreffende het vermelden van de eis en gronden is echter niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De voorganger van artikel 146 lid 1 Rv, artikel 83 (oud) Rv, bepaalde nog wel dat het verzetexploot summierlijk de middelen moest bevatten op straffe van nietigheid (vlg. HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3673). Ook artikel 146 lid 1 Rv zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 8 september 2005 tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht (Stb. 2005, nr. 455, 28863), bepaalde dat het verzetexploot de gronden van het verzet vermeldt. De wetgever heeft bij voornoemde wet van 8 september 2005 artikel 146 lid 1 Rv aangepast. Uit de nota van wijziging volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om artikel 111 Rv niet van overeenkomstige toepassing te laten zijn op het verzetexploot, voor zover de aard van de verzetprocedure zich niet met die eisen verdraagt (Kamerstukken II 2003/04, 28 863, nr. 6, p. 6). Dit laatste geldt volgens de wetgever voor het in artikel 111 lid 2 onder d Rv opgenomen vereiste dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermeldt. De verzetprocedure is immers naar haar aard een voortgezette instantie. Om die reden bepaalt artikel 147 Rv dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. 2.2 Uit het voorgaande volgt dat het vermelden van de gronden van verzet in het verzetexploot geen wettelijk vereiste (meer) is en dat het ontbreken daarvan niet tot nietigheid van de verzetdagvaarding of niet-ontvankelijkheid van [opposante] dient te leiden. Uit het ingevolge eerdergenoemd artikel 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep van toepassing zijnde artikel 147 lid 1 Rv volgt dat het verzetexploot in hoger beroep als memorie van antwoord dient te worden aangemerkt. Dat het verzetexploot van [opposante] geen gronden bevat, maakt dat niet anders. [opposante] had de gelegenheid van het uitbrengen van het verzetexploot dienen te benutten voor het aanvoeren van de gronden van het verzet (en het alsnog antwoorden op de memorie van grieven). [opposante] heeft niet het recht om alsnog een inhoudelijke memorie van antwoord te nemen. 2.3 De zaak zal worden verwezen naar de rol voor beraad partijen zoals bedoeld in artikel 2.24 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de hoven. 3De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de rol van 15 juli 2014 voor beraad partijen. Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, K.J. Haarhuis en M. Ynzonides en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.