← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2014:5706

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.141.103 (zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, dossiernummer 20130268/11) beschikking van de familiekamer van 15 juli 2014 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster], advocaat: mr. K.W.A. Wools te Elst, gemeente Overbetuwe. Als belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende in hoger beroep, verder te noemen: [belanghebbende], advocaat: mr. A.H. Staring te Arnhem. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de brief met dossiernummer 20130268/11 aan mr. Wools van mr. W.C. Haasnoot, vice-president inhoudelijk in de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, verder: de kantonrechter, van 6 januari

  1. In deze brief staat vermeld: “Deze brief kunt u beschouwen als een voor hoger beroep vatbare beschikking.”. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift, ingekomen op 24 januari
  2. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 1 juli 2014 plaatsgevonden tezamen met de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 200.138.359 betreffende het hoger beroep van [belanghebbende] tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 10 september
  3. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook [belanghebbende] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, maar heeft kort na het begin van de mondelinge behandeling de zittingszaal verlaten. Na een korte schorsing heeft mr. Staring het hof meegedeeld dat [belanghebbende] niet meer ter zitting wilde verschijnen. 3De motivering van de beslissing 3.1 Bij beschikking van 10 oktober 2008 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over goederen die (zullen) toebehoren aan [belanghebbende] en [verzoekster] benoemd tot bewindvoerder. [belanghebbende] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Bij beschikking van 21 april 2009 heeft dit hof de beschikking van 10 oktober 2008 bekrachtigd. [belanghebbende] heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland verzocht [verzoekster] te ontslaan als bewindvoerder. De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 september 2013 het verzoek tot ontslag van [verzoekster] als bewindvoerder afgewezen. [belanghebbende] is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking. Deze procedure is bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.138.359, reeds eerder vermeld in rechtsoverweging 2.
  4. [verzoekster] is belanghebbende in deze procedure en heeft daarin verweer gevoerd. 3.2 [verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht haar te machtigen tot het optreden in rechte in deze procedure in hoger beroep en voorts verzocht haar toestemming te geven tot het maken van de noodzakelijke bewindskosten, waaronder vallen de advocaatkosten, het griffierecht en de extra uren die [verzoekster] moet maken en die volgens de aanbevelingen van het LOVCK niet tot de gewone werkzaamheden behoren. [verzoekster] heeft dit verzoek gebaseerd op het bepaalde in artikel 1:443 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek tot machtiging afgewezen. [verzoekster] komt met twee grieven in dit hoger beroep op tegen de beslissing van de kantonrechter. Zij beoogt daarmee het verzoek in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. 3.3 Anders dan [verzoekster] is het hof van oordeel dat dit verzoek niet kan worden gegrond op artikel 1:443 of 441 BW. In deze artikelen gaat het om handelingen die de bewindvoerder in of buiten rechte ter vertegenwoordiging van de rechthebbende verricht of voornemens is te verrichten. Het verzoek van [verzoekster] ziet op een verzoek van [belanghebbende] als rechthebbende strekkende tot ontslag van [verzoekster] als bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:448 lid 2 BW. Dit verzoek heeft [belanghebbende] zelfstandig gedaan. Daartoe is hij ook bevoegd; vertegenwoordiging door de bewindvoerder in de zin van artikel 1:441 en 443 is daarbij niet aan de orde. 3.4 De grondslag voor het verzoek van [verzoekster] kan wel worden gevonden in de artikelen 1:445 lid 4 juncto artikel 1:358 lid 1 BW over de kosten die de bewindvoerder aan de rechthebbende in rekening mag brengen en artikel 1:447 BW over de beloning van de bewindvoerder. De Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK, zoals die thans gelden en die als een nadere uitwerking van deze artikelen kunnen worden beschouwd, raden de bewindvoerder aan vooraf goedkeuring aan de kantonrechter te vragen voor het maken van hogere kosten in de zin van artikel C.9 van de Aanbevelingen en schrijven de bewindvoerder voor extra werkzaamheden die niet binnen het tarief (lees: de voor de bewindvoerder geldende beloning) vallen voor vooraf machtiging te vragen aan de kantonrechter (artikel C.17 van de Aanbevelingen). Het hof is van oordeel dat de werkzaamheden en kosten die voor [verzoekster] als bewindvoerder voortvloeien uit de door [belanghebbende] geëntameerde ontslagprocedure als extra werkzaamheden en hogere kosten in vorenbedoelde zin moeten worden beschouwd. Het hof begroot de tijd benodigd voor deze extra werkzaamheden in redelijkheid op 6 uur en zal [verzoekster] vooraf machtigen deze uren ter gelegenheid van de rekening en verantwoording over de periode waarin deze werkzaamheden zijn verricht in rekening te brengen. Het hof geeft [verzoekster] vooraf goedkeuring als extra kosten ter gelegenheid van de rekening en verantwoording in rekening te brengen het door haar verschuldigde griffierecht en de kosten van haar advocaat, waarbij het hof de uren van de advocaat die zij als kosten in rekening mag brengen in redelijkheid op 5 uur vaststelt. 4De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt. 5De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 6 januari 2014 en opnieuw beschikkende: verleent aan [verzoekster] de machtiging en goedkeuring als bedoeld in 3.4; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en M.L. Klein, bijgestaan door als griffier, en is op 15 juli 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.