GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.135.811/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/339660/KL ZA 13-88) arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv van 28 januari 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal hoger beroep, eiser in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: [naam], kantoorhoudend te [plaats] (geschorst tot 18 april 2014), tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, verweerder in het incident, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. P.J.A.M. Voeten, kantoorhoudend te Amsterdam. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het in kort geding gewezen vonnis van 24 september 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 oktober 2013 (met grieven), - de memorie van antwoord in het incident verzoek schorsing uitvoerbaar bij voorraad. 2.2 Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald. 2.3 De incidentele vordering van [appellant] luidt (zo begrijpt het hof): "(…) te bepalen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad, als incident, wordt geschorst tot arrest in deze zaak is gewezen." 3De beoordeling in het incidentNieuwe producties 3.1 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord in het incident enkele producties in het geding gebracht waarop [appellant] nog niet heeft kunnen reageren. Het hof zal [appellant] niet in de gelegenheid stellen op deze producties te reageren, maar deze buiten beschouwing laten. Uit hetgeen hierna volgt blijkt dat [geïntimeerde] daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad. Aanduiding van het geschil 3.2 [geïntimeerde] en [appellant] drijven ieder afzonderlijk een eenmanszaak. Zij zijn een samenwerkingsverband overeengekomen, inhoudende dat beide bedrijven hun eigen naam en uitstraling zouden hebben, maar dat zij de kosten en de winst zouden verdelen op een 50/50 basis. De samenwerking heeft geduurd van 1 januari 2005 tot en met 2007. 3.3 Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van het samenwerkingsverband. Dientengevolge is [appellant], na vordering van [geïntimeerde] daartoe, bij vonnis van 18 juli 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad veroordeeld de afschriften van de jaarstukken, de boekhouding en de bijbehorende boekstukken van zijn onderneming over de periode van 1 januari 2005 tot en met 2007 aan [geïntimeerde] over te leggen, om daarna over te gaan tot uitvoering van de overeenkomst tot verdeling van de winst. 3.4 Omdat [appellant] niet tot afgifte van voormelde bescheiden overging, heeft [geïntimeerde] [appellant] in januari 2013 in kort geding gedagvaard teneinde hem te laten veroordelen tot afgifte van de bescheiden op straffe van een dwangsom. Dit kort geding is door [geïntimeerde] ingetrokken toen [appellant] één dag voor de geplande zitting van het kort geding alsnog de balansen en resultatenrekeningen van zijn eenmanszaak aan [geïntimeerde] had overgelegd. 3.5 Vervolgens heeft zich tussen partijen en hun accountants een discussie ontsponnen over de boekhouding van de beide bedrijven en de daarop te baseren afrekening in het kader van het samenwerkingsverband. [geïntimeerde] heeft daarop bij dagvaarding van 21 maart 2013 het onderhavige kort geding aanhangig gemaakt en daarin veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 40.000,-, dan wel een nader door de voorzieningenrechter vast te stellen voorschot. 3.6 De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 30.000,-.Voorts is [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis van de voorzieningenrechter is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Motivering van de beslissing in het incident 3.7 De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.