GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.077.971 (zaaknummer rechtbank Zutphen 101213) arrest van de tweede kamer van 22 juli 2014 in de zaak van de coöperatie Coöperatieve Rabobank Graafschap-Noord u.a., gevestigd te Zutphen, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: Rabobank, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, tegen: 1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eggink-Maalderink Bedrijfsmakelaars B.V., gevestigd te Zutphen, 2. [geintimeerde 2], wonende te [woonplaats], gemeente Hoogeveen, geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. P.M. Leerink. Geïntimeerde sub 1 zal hierna Eggink, geïntimeerde sub 2 [geintimeerde 2] en geïntimeerden gezamenlijk zullen Eggink c.s. worden genoemd. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 12 november 2013 hier over. 1.1 Het verdere verloop blijkt uit: - akte na tussenarrest in het incident van Rabobank, waarbij zij volgens opdracht in het tussenarrest stukken heeft overgelegd; - akte na tussenarrest van Eggink c.s.; - antwoordakte na tussenarrest van Rabobank. 1.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep In het incidenteel hoger beroep 2.1 Naar aanleiding van het arrest in het incident heeft Rabobank het kredietdossier van de heer [X] met betrekking tot de aanvullende financiering in november 2004 overgelegd. Daaruit blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat Rabobank bij de financiering in december 2004 is afgegaan op het door [geintimeerde 2] opgemaakte taxatierapport van augustus 2004, waarbij de extra financiering met de zogenoemde ”opeetconstructie” gesteld is op 75% van de door [geintimeerde 2] vastgestelde executiewaarde. Naar aanleiding van de door Rabobank overgelegde gegevens hebben Eggink c.s. drie van de (in de pleitnota opgesomde) vier causaliteitsverweren laten varen. Het verweer dat zij handhaven komt er kort gezegd op neer dat Rabobank door de financiering in december 2004 niet in een slechtere positie is geraakt. Eggink c.s. lichten dat als volgt toe. Met de extra financiering van € 165.000,- in december 2004 zijn overstanden betaald (van € 37.064,- van [X] privé en € 16.573,- van Coppens’ B.V.) en is tevens ING betaald voor € 95.000,-. Die betaling was volgens Eggink c.s. voor Rabobank niet nadelig en gaf geen wezenlijke wijziging, omdat ING bereid was haar rang als tweede hypotheekhouder in te wisselen voor die van derde hypotheekhouder. Wat daarvan ook zij, vast staat dat Rabobank in december 2004 aan [X] een geldlening heeft verstrekt van € 165.000,-. Welke schulden hiermee zijn afgelost en of, dan wel hoe deze (anders) zijn gelabeld, zoals Eggink c.s. aanvoeren, is naar het oordeel van het hof niet relevant. Een en ander laat immers onverlet dat Rabobank is overgegaan tot het verstrekken van een extra financiering aan [X] van € 165.000,- waarbij zij is afgegaan op de taxatie van [geintimeerde 2] en waartoe zij niet zou zijn overgegaan wanneer de daarin bepaalde executiewaarde een reëlere waarde zou zijn geweest. Daarmee staat het causaal verband (in de zin van conditio sine qua non) tussen de taxatie van [geintimeerde 2] en de door Rabobank gestelde schade vast. Dit causaal verband is niet doorbroken enkel doordat de financiering is gebruikt voor aflossing van andere, deels op naam van [X] staande vorderingen op de bank, zodat ook het vierde door Eggink c.s. in de pleitnota verwoorde verweer niet kan slagen. Voor zover dit verweer relevant is voor de vraag naar de omvang van de aansprakelijkheid, zal daar later op worden ingegaan. 2.2 Naar het oordeel van het hof kunnen Eggink c.s. zich niet met succes beroepen op de exoneratiebepaling die in het taxatierapport is opgenomen onder E 2. Hoewel aan Eggink c.s. kan worden toegegeven dat naar de letter van het bepaalde in E 2 de aansprakelijkheid is beperkt tot de opdrachtgever ([X], hof) en de financiële instelling die op basis van dit rapport het object heeft gefinancierd, terwijl van financiering van het object door Rabobank feitelijk geen sprake is, moet naar het oordeel van het hof die bepaling worden uitgelegd in de context van het gehele rapport. Daarvoor acht het hof van belang dat in artikel C is opgenomen dat de taxatie is bedoeld om inzicht te verstrekken in de waarde van het object ten behoeve van een aanvraag (hypothecaire) geldlening bij een nader te bepalen bank- of financieringsinstelling. Omdat Rabobank op basis van het taxatierapport is overgegaan tot het verstrekken van een geldlening aan [X], hoewel dat strikt genomen iets anders is dan financiering van het object, verdraagt een beroep op de exoneratiebepaling zoals verwoord in E 2 zich naar het oordeel van het hof niet met de achtergrond en het doel van de taxatie. Gelet hierop kon Rabobank er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de beperking van de aansprakelijkheid niet jegens haar gold. Een beroep op de exoneratiebepaling door Eggink c.s. acht het hof onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan onaanvaardbaar. 2.3 Uit het voorgaande volgt eveneens dat voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW, zodat ook dat verweer van Eggink c.s. niet opgaat. De geschonden norm strekt immers tot bescherming tegen de schade die de bank stelt te hebben geleden. 2.4 Ten aanzien van de vraag óf sprake is van een onrechtmatige gedraging van Eggink en/of [geintimeerde 2] overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft bij de beoordeling daarvan voorop gesteld -en dat is in hoger beroep als zodanig niet bestreden- dat een makelaar die een taxatierapport aan haar opdrachtgever ter beschikking stelt, binnen redelijke grenzen dient in te staan voor de juistheid van dat rapport en de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Dat geldt niet alleen ten aanzien van die opdrachtgever, maar ook ten aanzien van derden, zoals in dit geval de Rabobank. 2.5 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die redelijke grenzen in dit geval zijn overschreden en dat [geintimeerde 2] de mate van zorgvuldigheid die van een redelijk handelend en bekwaam makelaar mocht worden verwacht, niet in acht heeft genomen. Het hof betrekt daarbij het vaststaande feit dat de door [geintimeerde 2] bij zijn taxatie tot uitgangspunt genomen inhoud en oppervlakte van de woning in een niet te verwaarlozen mate afwijken van die in het in de procedure in eerste aanleg uitgebrachte deskundigenrapport. Tijdens de zitting heeft [geintimeerde 2] desgevraagd aangegeven dat hij zich bij het vaststellen van de maten van de woning heeft gebaseerd op tekeningen en slechts steekproefsgewijs zelf hier en daar metingen heeft verricht. Verder heeft [geintimeerde 2] ter zitting aan het hof meegedeeld dat hij het kantoor eveneens als woonruimte heeft meegerekend en dat de oppervlakte en inhoud daarvan in de in zijn rapport genoemde totale woonoppervlakte en -inhoud is begrepen. Rabobank heeft aangegeven dat het gebruikelijk was -en later is dat ook zo vastgelegd in NEN-normen- om kantoorruimte niet mee te nemen als woonruimte. [geintimeerde 2] heeft het bestaan van een dergelijk algemeen gebruik (vóór de vastlegging in NEN-normen) echter betwist. Daargelaten de juistheid van die stellingen oordeelt het hof dat ook wanneer de kantoorruimte geheel buiten beschouwing moet worden gelaten, daarmee het aanmerkelijke verschil in maten tussen [geintimeerde 2] rapport en het deskundigenrapport slechts gedeeltelijk is te verklaren. Nu vast staat dat [geintimeerde 2] niet of nauwelijks zelf metingen heeft gedaan, maar zich grotendeels op tekeningen heeft verlaten, heeft hij welbewust het risico genomen dat de maten niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Dat is naar het oordeel van het hof in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk handelend en bekwaam makelaar mag worden verwacht. 2.6 De rechtbank heeft zich in het eindvonnis gebaseerd op het rapport van de door haar benoemde deskundigen. De daartegen door Eggink c.s. opgeworpen bezwaren heeft de rechtbank verworpen, bij welk oordeel van de rechtbank het hof aansluit. In hoger beroep hebben Eggink c.s. nog betoogd dat de deskundige [Y] niet geheel onafhankelijk was en zich om die reden had moeten terugtrekken of op zijn minst melding had moeten maken van mogelijke belangenverstrengeling. Eggink c.s. stellen dat het kantoor van [Y] op 1 juli 2010 is samengegaan met [namen makelaars] makelaardij; [makelaar 1] heeft ten behoeve van deze zaak eveneens een rapport opgesteld, dat door de bank is overgelegd en dat zich richt op de waarde van de woning in 2007. Het is ondenkbaar dat [Y] ten tijde van het uitbrengen van het deskundigenbericht (april 2010) nog niet wist dat hij zou samengaan met [makelaar 1], aldus Eggink c.s. Aangenomen dat dit betoog juist is, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het deskundigenrapport op grond daarvan ondeugdelijk zou zijn. Nu het rapport door drie van elkaar onafhankelijke deskundigen is opgesteld en geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat aan de deskundigheid van deze personen moet worden getwijfeld, ziet het hof geen aanleiding dit rapport buiten beschouwing te laten en/of (een) andere deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.