GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.126.841 (zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen 127679) arrest van de eerste kamer van 22 juli 2014 in de zaak van 1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Innovative Membrane Technologies Holding B.V., gevestigd te Zeewolde,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2] , gevestigd te Zeewolde, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Imnife Beheer B.V., gevestigd te Zeewolde, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 4] , gevestigd te Gouda, 5. [appellant sub 5], wonende te Ommen, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Innovative Membrane Technologies B.V., gevestigd te Zeewolde, appellanten, advocaat: mr. M.M.A. Bakker, tegen: de vennootschap naar Engels recht Whitefox Technologies Ltd., gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, geïntimeerde, advocaat: mr. J. Bos. Appellante sub 1 zal hierna IMT Holding, appellanten sub 2 tot en met 5 zullen hierna de aandeelhouders en appellante sub 6 zal hierna IMT worden genoemd. Appellanten gezamenlijk zullen hierna IMT c.s. worden genoemd. Geïntimeerde zal hierna Whitefox worden genoemd. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 januari 2013 dat de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, tussen IMT c.s. als eisers in de hoofdzaak tevens verweerders in het incident enerzijds en Whitefox als gedaagde in de hoofdzaak tevens eiseres in het incident anderzijds heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 april 2013, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het genoemde vonnis. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het geschil tussen partijen gaat, kort gezegd, over het volgende. Whitefox is zowel met IMT Holding en de aandeelhouders (zijnde de gezamenlijke aandeelhouders van IMT Holding) als met IMT diverse overeenkomsten aangegaan, in het kader van de beoogde overname van IMT Holding door Whitefox en in het kader van feitelijke samenwerking met IMT Holding en/of IMT. De aandeelhouders en Whitefox hebben een schriftelijke overeenkomst van 22 december 2008 (“sale and purchase agreement”) gesloten. IMT Holding is ingevolge artikel 6:254 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) partij geworden bij die overeenkomst van 22 december 2008 door ten behoeve van haar gemaakte derdenbedingen in die overeenkomst te aanvaarden. De essentie van de overeenkomst van 22 december 2008 vormt de verkoop van aandelen van IMT Holding aan Whitefox, tegenover de verplichting van Whitefox een bedrag te betalen aan de aandeelhouders (voor de bestaande aandelen) en aan IMT Holding (voor nieuw uit te geven aandelen). Er bestaat een concept overeenkomst van 23 januari 2007 tussen IMT en Whitefox (“asset sale agreement”). IMT c.s. hebben in eerste aanleg in de hoofdzaak de volgende vier vorderingen tegen Whitefox ingesteld. In de eerste plaats hebben de aandeelhouders met een beroep op (nakoming van) de overeenkomst van 22 december 2008 een vordering jegens Whitefox ingesteld. In de tweede plaats heeft IMT Holding met een beroep op (nakoming van) de overeenkomst van 22 december 2008 een vordering jegens Whitefox ingesteld. In de derde plaats heeft IMT met een beroep op cessie van een vordering van IMT Holding op Whitefox een vordering jegens Whitefox ingesteld. In de vierde plaats heeft IMT op grond van opdracht een vordering jegens Whitefox ingesteld. Whitefox heeft in het incident aangevoerd dat de rechtbank op grond van de artikelen 1020 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) onbevoegd is, omdat partijen (in de overeenkomst van 22 december 2008 en de concept overeenkomst van 23 januari 2007) arbitrage zijn overeengekomen. De artikelen 1020 en verder Rv zijn volgens Whitefox toepasselijk, omdat partijen (in die (concept) overeenkomsten) zijn overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is. IMT c.s. hebben bestreden dat partijen arbitrage zijn overeengekomen. De rechtbank heeft vervolgens in het vonnis van 16 januari 2013 (in het incident en in de hoofdzaak) zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van IMT c.s. in de kosten van het incident. IMT c.s. zijn van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Naar aanleiding van de grieven van IMT c.s., zoals het hof die (mede gezien de reactie van Whitefox op de memorie van grieven) uit de memorie van grieven destilleert, overweegt het hof als volgt. 4.2 Het hof constateert dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van het toepasselijke artikel 24 van Verordening (EG) 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo). Whitefox is immers in eerste aanleg verschenen voor de Nederlandse rechter en heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist, terwijl er niet een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 EEX-Vo bij uitsluiting bevoegd is. 4.3 IMT c.s. hebben niet bestreden dat partijen zijn overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is. Gelet daarop zal het hof, overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO), ervan uitgaan dat het onderhavige geschil, gebaseerd op overeenkomsten tussen partijen, wordt beheerst door Nederlands recht. Daarbij merkt het hof op dat ingevolge artikel 10 lid 1 aanhef en onder a EVO de uitlegging van die overeenkomsten wordt beheerst door Nederlands recht. 4.4 Aan de orde is de vraag of de rechtbank zich op grond van artikel 1022 lid 1 Rv onbevoegd heeft moeten verklaren, omdat partijen (bij de overeenkomst van 22 december 2008 en de concept overeenkomst van 23 januari 2007) een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten of omdat partijen aan een dergelijke overeenkomst gebonden zijn. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de vier onder 4.1 genoemde vorderingen. 4.5 Bij de beantwoording van de vraag stelt het hof ten aanzien van die vier vorderingen het volgende voorop. De rechtbank heeft, in het kader van de vraag of partijen een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten, geoordeeld dat artikel 10 sub c van de overeenkomst van 22 december 2008 en artikel 13.3 van de concept overeenkomst van 23 januari 2007 arbitragebedingen zijn als bedoeld in artikel 1022 Rv. IMT c.s. richten kennelijk een grief tegen dat oordeel. Het hof is van oordeel dat die grief faalt en wel op grond van het volgende. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in het vonnis van 16 januari 2013 onder 4.2 en 4.3 heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Het hof merkt daarbij op dat het bij de uitleg van genoemd artikel 10 sub c en genoemd artikel 13.3 uitgaat van de door de rechtbank (in dat vonnis onder 2.2 en 2.4) vastgestelde tekst van artikel 10 van de overeenkomst van 22 december 2008 en van artikel 13 van de concept overeenkomst van 23 januari 2007, nu tegen de vaststelling ten aanzien van die tekst geen grief is gericht. Dat onduidelijk is of genoemde artikelen uit de overeenkomsten een arbitragebeding of een bindend adviesbeding bevatten, zoals IMT c.s. in hoger beroep aanvoeren, onderschrijft het hof niet. De tekst en context van genoemd artikel 10 sub c en van genoemd artikel 13.3, zoals die onbestreden door de rechtbank zijn vastgesteld, doelen naar het oordeel van het hof duidelijk op arbitrage. Ook in hoger beroep hebben IMT c.s. geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat partijen, in weerwil van de tekst van genoemde artikelen, met de in die tekst opgenomen bepalingen niet hebben beoogd een arbitragebeding overeen te komen. 4.6 Ten aanzien van de vordering van de aandeelhouders overweegt het hof het volgende. Tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is ten aanzien van deze vordering heeft IMT c.s., afgezien van de onder 4.5 besproken grief, geen grief gericht. Dat oordeel is in hoger beroep verder dan ook niet meer in geschil. 4.7 Ten aanzien van de vordering van IMT Holding overweegt het hof het volgende. IMT Holding heeft haar vordering jegens Whitefox gegrond op (nakoming van) de overeenkomst van 22 december 2008. Partijen zijn het erover eens dat deze overeenkomst is gesloten tussen de aandeelhouders en Whitefox en dat IMT Holding ten behoeve van haar gemaakte bedingen in die overeenkomst heeft aanvaard. Uit artikel 6:254 BW volgt dat indien een derde, in dit geval IMT Holding, een ten behoeve van deze derde gemaakt beding heeft aanvaard, deze derde als partij bij de overeenkomst geldt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze derde partij is bij de gehele overeenkomst. Gelet op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.