GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.137.415 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 523524) arrest van de eerste kamer van 29 juli 2014 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna: [appellante], advocaat: mr. J.M. Poortinga, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wehkamp B.V., gevestigd te Zwolle, geïntimeerde, hierna: Wehkamp, niet verschenen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 augustus 2000 dat de kantonrechter (kantongerecht te Harderwijk) bij verstek tussen Wehkamp als eisende partij en [appellante] als gedaagde partij heeft gewezen en naar de inhoud van het vonnis van 21 augustus 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) tussen [appellante] als eisende partij in verzet en Wehkamp als gedaagde partij in verzet heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 november 2013,- de verstekverlening jegens Wehkamp, - de memorie van grieven. 2.2 Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 3.2 Bij het onder 1 genoemde vonnis van 30 augustus 2000 (hierna: het vonnis van 30 augustus 2000) heeft de kantonrechter op vordering van Wehkamp [appellante] veroordeeld tot voldoening aan Wehkamp van f 4.803,72, vermeerderd met rente en proceskosten. 3.3 Het vonnis van 30 augustus 2000 is op 7 september 2001 betekend aan de echt- en huisgenoot van [appellante]. 3.4 Bij exploot, op 23 april 2013 betekend aan de woonplaats van [appellante] door middel van het achterlaten van een afschrift van het exploot in een gesloten envelop, is hernieuwd bevel tot betaling aan [appellante] gedaan. 3.5 Bij brief van 6 mei 2013 heeft de gemachtigde van [appellante] aan de gemachtigde van Wehkamp onder andere het volgende bericht: “Cliënte overhandigde mij een verstekvonnis d.d. 30 augustus 2000 dat door u aan cliënte is betekend op 23 april jl. alsmede een exploot inzake (uit krachte van voormeld vonnis gelegd) executoriaal derdenbeslag onder de werkgever van cliënte. (…) Cliënte deelde mij mede dat zij de vordering van uw cliënte betwist. In dit kader heb ik de opdracht om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen.” 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Bij exploot, op 21 mei 2013 betekend aan (de gemachtigde van) Wehkamp, is [appellante] in verzet gekomen van het vonnis van 30 augustus 2000. Bij het onder 1 genoemde vonnis van 21 augustus 2013 (hierna: het vonnis van 21 augustus 2013) heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzet niet tijdig is ingesteld en dat [appellante] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Het hoger beroep van [appellante] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter en strekt ertoe - zo begrijpt het hof - dat het hof bij arrest, zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het vonnis van 21 augustus 2013 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, het vonnis van 30 augustus 2000 zal vernietigen en de vordering van Wehkamp alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Wehkamp in de kosten van beide instanties. Wehkamp is in hoger beroep niet verschenen. 4.2 De grieven van [appellante] stellen aan de orde de vraag of [appellante], met haar verzetdagvaarding van 21 mei 2013, tijdig in verzet is gekomen van het vonnis van 30 augustus 2000. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 81 Rv (oud), welk artikel ingevolge artikel VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Staatsblad 2001, 580) van toepassing is ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het vonnis van 30 augustus 2000 en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend. Aangezien het vonnis van 30 augustus 2000 is gewezen onder vigeur van het oude recht, is dan ook voor de termijn van verzet tegen dat vonnis het oude recht blijven gelden. De grief van [appellante] dat de kantonrechter die vraag had moeten beantwoorden aan de hand van art. 143 Rv (nieuw), faalt dus. 4.3 Artikel 81 Rv (oud) luidt, voor zover relevant:1. De gedaagde die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende acte aan den veroordeelde in persoon, of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.2. Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd. 4.4 De kantonrechter heeft geoordeeld, kort gezegd, dat, gezien de brief van 6 mei 2013, [appellante] in ieder geval op 6 mei 2013 bekend was met het vonnis van 30 augustus 2000 en dat, nu de verzetdagvaarding dateert van 21 mei 2013 en dit meer is dan veertien dagen na 6 mei 2013, het verzet niet tijdig is ingesteld. Partijen zijn het er kennelijk met de kantonrechter over eens dat [appellante] in ieder geval op 6 mei 2013 een daad heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis haar bekend was. [appellante] wijst er in hoger beroep naar het oordeel van het hof evenwel met juistheid op dat het exploot op 21 mei 2013 kon worden gedaan. Uitgaande van genoemde datum van 6 mei 2013 zou de laatste dag van de termijn van veertien dagen waarbinnen het verzetexploot (de verzetdagvaarding) kon worden gedaan immers 20 mei 2013 zijn, maar nu 20 mei 2013 een algemeen erkende feestdag is (Tweede Pinksterdag), kon het exploot ingevolge artikel 1 gelezen in verband met artikel 3 lid 1 van de Algemene Termijnenwet op 21 mei 2013 worden gedaan. Het vorenstaande brengt mee dat de grief tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter slaagt en dat, in het geval ervan moet worden uitgegaan dat het verzet moest worden gedaan binnen de (verlengde) verzettermijn na 6 mei 2013, [appellante] met haar verzetdagvaarding van 21 mei 2013 tijdig in verzet is gekomen van het vonnis van 30 augustus 2000. 4.5 Gezien de devolutieve werking van het hoger beroep is vervolgens de vraag of, afgezien van de hiervoor reeds beoordeelde stelling dat de verzettermijn is gaan lopen na 6 mei 2013, geoordeeld moet worden dat [appellante] niet tijdig in verzet is gekomen. Wehkamp heeft in dat verband in haar conclusie van antwoord in oppositie gesteld:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.