GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.131.574/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 655281 BM VERZ 13-487) beschikking van de familiekamer van 28 januari 2014 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in hoger beroep, verder te noemen: [appellant], advocaat: mr. M.J.H. Ruijters, kantoorhoudend te Almere, tegen De Officier van Justitie, regio Utrecht-Lelystad, kantoorhoudende te Utrecht, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de officier van justitie. Belanghebbenden: 1 [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de betrokkende;
- [bewindvoerder], kantoorhoudende te [woonplaats], verder te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. M.J. Drost, kantoorhoudende te Leusden. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 augustus 2013, is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [appellant] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) het verzoek van de officier van justitie om de goederen van betrokkene onder bewind te stellen alsnog af te wijzen. 2.2 De officier van justitie heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend. 2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 oktober 2013, heeft de bewindvoerder het verzoek in hoger beroep van [appellant] bestreden en (naar het hof begrijpt:) primair verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. 2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - op 26 augustus 2013 een brief van 23 augustus 2013 van mr. Ruijters met bijlagen; - op 14 november 2013 een brief van 12 november 2013 van de officier van justitie. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 6 januari 2014 plaatsgevonden. [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Daarnaast is de bewindvoerder verschenen bijgestaan door haar advocaat. De partner van [appellant], [A], was eveneens ter zitting aanwezig. 2.6 De officier van justitie is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De officier van justitie heeft per brief van 12 november 2013 te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. 3De vaststaande feiten 3.1 Betrokkene is geboren [in 1926]. [appellant] is de zoon van betrokkene. 3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Midden-Nederland op 27 maart 2013, heeft de officier van justitie verzocht de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van de bewindvoerder tot bewindvoerder. 3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene en de bewindvoerder als bewindvoerder benoemd. 4De ontvankelijkheid van het hoger beroep 4.1 De bewindvoerder voert primair aan dat het appel te laat is ingesteld en het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 4.2 Ingevolge lid 2 van artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een belanghebbende die niet in de procedure is verschenen binnen drie maanden nadat de beschikking hem bekend is geworden appel instellen. Nu [appellant] niet in de procedure in eerste aanleg is betrokken en hij, naar hij onbetwist heeft gesteld, pas op 10 juli 2013 kennis nam van de onderbewindstelling van zijn moeder, liep de termijn waarbinnen hij appel kon instellen tot 10 oktober
- Het appel van [appellant] is op 9 augustus 2013 ingediend en derhalve tijdig. 5De motivering van de beslissing 5.1 [appellant] stelt dat hij de (financiële) belangen van betrokkene altijd heeft waargenomen. In 2013 is [appellant] ernstig ziek geworden waardoor bezoek aan zijn moeder op regelmatige basis niet mogelijk was. In die periode zijn er betalingsachterstanden ontstaan. De zorginstelling waar betrokkene verblijft is volgens [appellant] in het bezit van zijn contactgegevens en heeft geen contact opgenomen op het moment dat er zorgen ontstonden over de betaling van rekeningen van de moeder. Hij werd dan ook verrast door de onderbewindstelling van betrokkene. Volgens [appellant] heeft hij altijd veel kosten voor betrokkene voor zijn rekening genomen en is hij in staat haar belangen weer waar te nemen. [appellant] stelt dan ook dat het aanstellen van een bewindvoerder niet nodig is. 5.2 De bewindvoerder stelt dat het niet in het belang van betrokkene is dat [appellant] - gezien zijn persoonlijke omstandigheden - de vermogensrechtelijke belangen van zijn moeder weer gaat waarnemen. [appellant] is failliet verklaard en zit thans in de schuldsanering. De bewindvoerder stelt daarnaast dat [appellant] de belangen van betrokkene in het verleden niet behoorlijk heeft waargenomen. Zo staat het appartement van betrokkene sinds november 2008 leeg en is dit niet te koop of te huur aangeboden terwijl er een hypotheek van € 285.000,- op rust en kon de zorginstelling waar zijn moeder verblijft geruime tijd geen contact krijgen met [appellant]. Voorts is de bewindvoerder gebleken dat [appellant] de rekening van betrokkene gebruikte voor privédoeleinden. 5.3 Op grond van artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. 5.4 [appellant] erkent dat er bij zijn moeder sprake is van dementie en dat zij zelf niet meer in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Er zijn achterstanden in betalingen ontstaan en de schuldenlast van betrokkene bedraagt thans ruim € 21.000,-. Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook voldoende gronden aanwezig om betrokkene onder bewind te stellen. [appellant] stelt echter dat het instellen van een bewind niet nodig is omdat hij de vermogensrechtelijke belangen van zijn moeder kan waarnemen. 5.5 [appellant] is in oktober 2012 failliet verklaard en zit thans in de wettelijke schuldsanering. Ter zitting is duidelijk geworden dat hij en zijn partner de rekening van betrokkene hebben gebruikt om gelden buiten het zicht van de curator te houden. De financiën van betrokkene en [appellant] en zijn partner zijn hierdoor door elkaar gaan lopen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiermee blijk gegeven op een oneigenlijke wijze gebruik te maken van de rekening van betrokkene en onzorgvuldig om te gaan met de rechtmatige belangen van derden, in casu de schuldeisers in zijn faillissement. Daarnaast heeft [appellant] de belangen van zijn moeder in het verleden niet voldoende waargenomen. Uit de stukken blijkt dat [appellant] ruim een jaar niet (meer) bereikbaar was op het bij de zorginstelling bekende telefoonnummer en dat hij niet reageerde op brieven aan het bij hun bekende adres van [appellant]. De achterstanden in de betalingen van betrokkene liepen vervolgens op. 5.6 Hoewel het hof er begrip voor heeft dat het voor [appellant] in die periode, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, wellicht moeilijk was om de belangen van betrokkene waar te nemen had het op zijn weg gelegen om hiervoor vervanging te zoeken, bijvoorbeeld in de persoon van zijn partner. Met de bewindvoerder is het hof dan ook van oordeel dat het niet in het belang van betrokkene is te achten dat [appellant] haar financiële belangen weer gaat waarnemen. Het hof heeft er onvoldoende vertrouwen in, gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, dat [appellant] dat naar behoren zou doen. 6De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 7De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei
- Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. D.J. Buijs en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 januari 2014 in bijzijn van de griffier.