GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.151.350/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/154506/ JE RK 14-590) beschikking van de familiekamer van 12 augustus 2014 inzake [verzoekster] , thans verblijvende te [plaats], verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster], advocaat: mr. drs. P.L. Hellinga, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Bureau Jeugdzorg Overijssel, kantoorhoudende te Zwolle, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: BJZ. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1 [belanghebbende 1], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de moeder, 2 [belanghebbende 2], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de vader. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 14 april 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2014, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek van BJZ tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af te wijzen, althans de verlening daarvan in duur te beperken. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 juli 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden. 2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - op 4 juli 2014 een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 juli 2014; - op 7 juli 2014 een journaalbericht van 4 juli 2014 namens mr. Hellinga met bijlagen. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 29 juli 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn: [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat, en namens BJZ [A] en [B]. Alhoewel behoorlijk opgeroepen zijn de moeder en de vader niet verschenen. 3De vaststaande feiten 3.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de door BJZ verzochte machtiging verleend voor uithuisplaatsing van [verzoekster], met ingang van 18 april 2014 tot 12 november 2014, in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Voorts is bepaald dat de machtiging van kracht blijft na 2 mei 2014 indien het indicatiebesluit strekt tot een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. 3.2 [verzoekster] verblijft op dit moment bij [instelling]. 4De motivering van de beslissing 4.1 Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. 4.2 [verzoekster] kan zich met de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg niet verenigen. Zij erkent dat er problemen zijn en dat zij hulp nodig heeft, maar volgens haar is een gesloten setting niet (langer) nodig. Ter zitting heeft mr. Hellinga voorts nog naar voren gebracht dat de rechtbank niet heeft voldaan aan haar motiveringsplicht. 4.3 BJZ stelt dat de gronden voor gesloten jeugdzorg nog steeds aanwezig zijn. 4.4 Het hof overweegt als volgt. 4.5 Voor zover [verzoekster] heeft geklaagd over de wijze van totstandkomen van de bestreden beschikking -in die zin dat er sprake is van een motiveringsgebrek- is het hof van oordeel dat zij geen belang heeft bij behandeling van die klacht. Immers, zij heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Aldus is het hof van oordeel dat hetgeen door [verzoekster] op dit punt is gesteld, wat daar ook van zij, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking dient te leiden. 4.6 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat er ten tijde van het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg veel zorgen waren met betrekking tot de minderjarige, die de afgifte van voornoemde machtiging rechtvaardigden. Al langere tijd bestonden er zorgen ten aanzien van [verzoekster], onder meer vanwege schoolverzuim en lichamelijke klachten. Deze zorgen leken met name verband te houden met traumatische gebeurtenissen uit haar verleden, in die zin dat [verzoekster] (en andere gezinsleden) geterroriseerd werd(en) door haar broer [broer]. De moeder was onmachtig ten aanzien van het gedrag van [broer], die inmiddels bij de vader woont. Vanuit de moeder was te weinig sturing en onvoldoende betrokkenheid bij [verzoekster]. Zij was onvoldoende beschikbaar voor haar dochter en zag haar verantwoordelijkheid niet, waardoor [verzoekster] erg op zichzelf aangewezen was. In november 2012 heeft dit alles tot een ondertoezichtstelling van [verzoekster] geleid. Bij beschikking van 24 oktober 2013 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, is de ondertoezichtstelling verlengd van 12 november 2013 tot 12 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.