GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.079.281/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235824/CV EXPL 08-3963) arrest van de tweede kamer van 9 september 2014 in de zaak van Varde Investments (Ireland) Limited, gevestigd te Dublin, Ierland, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Varde, advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend te Spijkenisse, tegen 1 [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats],geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde 1], advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend te Bleiswijk. 2 [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, in eerste aanleg: gevoegde partij aan de zijde van [geïntimeerde 1], tevens voorwaardelijk eiseres in reconventie na tussenkomst, hierna: [geïntimeerde 2], niet verschenen. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 februari 2014 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 [geïntimeerde 1] heeft afgezien van enquête en heeft een akte genomen. Daarna heeft Varde een akte genomen. 1.2 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 Bij tussenarrest van 11 februari 2014 heeft het hof [geïntimeerde 1] opgedragen te bewijzen dat de brief van [geïntimeerde 2] van 29 december 2002 of haar brief van 28 augustus 2004 Dexia of haar rechtsvoorgangster heeft bereikt. Voorts heeft het hof, voor het geval [geïntimeerde 1] slaagt in genoemde bewijsopdracht, Varde in het kader van het door haar gedane beroep op verjaring opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 2] reeds van de aanvang af althans op enig moment voor 29 december 2002 op de hoogte was van het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten. 2.2 [geïntimeerde 1] heeft afgezien van enquête en heeft ook overigens geen bewijs bijgebracht zodat niet is komen vast te staan dat (een van) genoemde brieven Dexia heeft bereikt en derhalve evenmin dat [geïntimeerde 2] daardoor tijdig een beroep op vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten heeft gedaan. Nu [geïntimeerde 1] niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd, behoefde Varde geen bewijs te leveren van haar stelling dat de mogelijkheid om een beroep op vernietiging te doen was verjaard. 2.3 [geïntimeerde 1] heeft het hof verzocht terug te komen op zijn oordeel dat de door de Stichting Eegalease gevoerde procedure geen stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van de mogelijkheid voor [geïntimeerde 2] - die zich niet bij die Stichting had aangesloten - om een beroep op vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te doen (r.o. 6.5 van het tussenarrest). [geïntimeerde 1] beroept zich in dat verband onder meer op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:766) waarin de Hoge Raad een hem gestelde prejudiciële vraag als volgt heeft beantwoord: "dat een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a lid 1 BW, door een aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 lid 1 BW de verjaring kan stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, ook voor zover deze rechtsvorderingen strekken tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld." 2.4 Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn oordeel. Het aan de Hoge Raad voorgelegde geval zag op een vordering tot schadevergoeding, waarop art. 3:317 lid 1 BW van toepassing is. In het onderhavige geval gaat het om een rechtsvordering waarop de artt. 3:317 lid 2 BW en 3:316 lid 2 BW van toepassing zijn. Het doen van een beroep op vernietiging van een in strijd met het toestemmingsvereiste van art.1:88 lid 1 onder d BW gesloten overeenkomst is een hoogstpersoonlijk recht dat een belangenorganisatie zich niet zonder expliciete toestemming van de belanghebbende kan toe-eigenen . 2.5 De grieven I tot en met IV van Varde slagen. 2.6 Dat betekent dat het hof toekomt aan de bespreking van de grieven in het (voorwaardelijk ingestelde) incidenteel appel. Overigens brengt de devolutieve werking van het hoger beroep ook met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van [geïntimeerde 1] in eerste aanleg, voor zover niet al besproken in het kader van de behandeling van de grieven I tot en met IV, thans nog door het hof beoordeeld moeten worden. Het incidenteel appel is in zoverre onnodig ingesteld. 2.7 Het hof zal allereerst het in eerste aanleg door [geïntimeerde 1] gevoerde verweer bespreken dat de door hem met Dexia gesloten overeenkomst "het Dexia Aanbod" (hierna: het Dexia Aanbod) niet als een vaststellingsovereenkomst valt te kwalificeren, omdat de wil van [geïntimeerde 1] er niet op was gericht om eventuele onzekerheden of een eventueel geschil te voorkomen of beëindigen, maar uitsluitend om gebruik te maken van de vergrote mogelijkheden om de restschuld af te lossen. 2.8 Naar het oordeel van het hof valt het Dexia Aanbod wel degelijk aan te merken als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 lid 1 BW. Uit artikel 5.1.2 van het Dexia Aanbod blijkt immers dat het is bedoeld om eventuele geschillen betreffende de wijze van totstandkoming en uitvoering van leaseovereenkomsten als de onderhavige te beëindigen. Partijen zijn door het aangaan van het Dexia Aanbod overeengekomen op welke wijze zij de effectenleaseovereenkomsten die na afloop van de looptijd eindigen met een eventuele restschuld zullen afwikkelen. [geïntimeerde 1] verkreeg daarbij de zekerheid dat hij de restschuld dan niet ineens behoefde te voldoen, maar over ruimere aflossingsmogelijkheden kon beschikken. Daar stond tegenover dat hij afstand deed van zijn rechten met betrekking tot de door hem gesloten effectenleaseovereenkomsten. Het Dexia Aanbod diende dan ook ter beëindiging van de onzekerheid op vermogensrechtelijk gebied - namelijk over de status van de effectenleaseovereenkomsten - die er ten tijde van de aanvaarding van het Dexia Aanbod door [geïntimeerde 1] - en in elk geval tot de zogenoemde WCAM-beschikking van het Hof Amsterdam van 25 januari 2007 - nog bestond. 2.9 [geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst nietig is wegens strijd met dwingendrechtelijke bepalingen. Het hof overweegt dat art. 7:902 BW meebrengt dat een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid op vermogensrechtelijk gebied ook geldig is als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. 2.10 Grief 1 in het incidenteel appel houdt in dat het Dexia Aanbod nietig is wegens strijd met de openbare orde. [geïntimeerde 1] betoogt dat daarvan sprake is omdat art. 1:88 BW zich er tegen verzet dat de handelende echtgenoot door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst ter zake van een overeenkomst waarop art. 1:88 BW betrekking heeft, een beroep van de andere echtgenoot op vernietiging van die overeenkomst op grond van art.1:89 BW onmogelijk maakt. 2.11 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Voor het aangaan van een als koop op afbetaling te kwalificeren effectenleaseovereenkomst behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot (art. 1:88 lid 1 sub d BW). Gaat de echtgenoot een dergelijke rechtshandeling zonder toestemming aan, dan is die rechtshandeling vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen (art. 1:89 lid 1 BW). Voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst geldt echter niet het vereiste dat dit met toestemming van de echtgenote geschiedt. Wanneer de handelende echtgenoot een vaststellingsovereenkomst sluit, bindt hij daarmee alleen zichzelf en niet de andere echtgenoot die de vaststellingsovereenkomst niet medeondertekent. Daardoor wordt de mogelijkheid van laatstgenoemde om een beroep op vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te doen dan ook niet onmogelijk gemaakt. Van strijd met de openbare orde is dus geen sprake. 2.12 Grief 1 in het incidenteel appel faalt. 2.13 Grief 2 in het incidenteel appel houdt in dat het Dexia Aanbod niet tot stand is gekomen omdat de handtekening van [geïntimeerde 2] ontbrak c.q. dat het Dexia Aanbod is vernietigd door de vernietigingsbrieven van [geïntimeerde 2]. 2.14 Vast staat dat [geïntimeerde 1] het Dexia Aanbod heeft ondertekend. Daardoor is er een vaststellingsovereenkomst tussen hem en Dexia tot stand gekomen. Varde heeft onweersproken gesteld dat partijen ook uitvoering aan het Dexia Aanbod hebben gegeven (MvA in IA, randnummer 13). [geïntimeerde 2], die het Dexia Aanbod niet medeondertekend heeft, is daaraan niet gebonden. Zoals het hof bij de bespreking van de voorgaande grief heeft overwogen, is de toestemming van de echtgenote als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub d BW niet vereist voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst. Dat [geïntimeerde 2] tijdig een beroep heeft gedaan op vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is evenwel niet komen vast te staan, zodat dit aan de geldigheid van de overeenkomst niet in de weg staat. 2.15 Grief 2 in het incidenteel appel faalt. 2.16 [geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg voorts bij wijze van verweer een beroep op vernietiging van het Dexia Aanbod gedaan omdat dit, naar hij stelt, onder invloed van bedrog en/of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. 2.17 Varde heeft gesteld dat art. 7:902 BW meebrengt dat het Dexia Aanbod in de weg staat aan een beroep op bedrog of misbruik van omstandigheden. Het hof verwerpt dat standpunt, want zo sprake zou zijn van een wilsgebrek als bedoeld in art. 3:44 BW is het uitsluiten van de mogelijkheid daar een beroep op te doen van rechtswege nietig in de zin van art. 3:40 lid 1 BW. 2.18 Art. 3:44 lid 3 en 4 luidt als volgt:"
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.