GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.127.355/01 (zaaknummer rechtbank Groningen 124092/ HA ZA 11-72) arrest van de tweede kamer van 23 september 2014 in het incident ex artikel 351 Rv en artikel 235 Rv in de zaak van [appellante] , gevestigd te [woonplaats], appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. C.J. de Tombe, kantoorhoudend te Utrecht, die ook heeft gepleit, tegen [curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van de te [woonplaats] gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: de curator, advocaat: mr. P.J. Antons, voor wie heeft gepleit mr. C.H. Beuker, beiden kantoorhoudend te Groningen. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 oktober 2013 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 De curator heeft op 29 oktober 2013 een antwoordconclusie in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv en subsidiair tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv gn om denomen. 1.2 Op 3 april 2014 hebben partijen hun zaak mondeling bepleit, waarbij pleitnotities zijn overgelegd en waarbij door [appellante] de nadere producties 1 tot en met 10 in het geding zijn gebracht. Vervolgens is de zaak aangehouden in afwachting van bericht van partijen. 1.3 Op 10 juni 2014 heeft [appellante] een akte houdende uitlating royement, alsmede akte houdende overlegging productie genomen. De curator heeft op 8 juli 2014 een antwoordakte genomen. 1.4 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling In het incident ex artikel 351 Rv en artikel 235 Rv 2.1 Op 20 juli 2011 heeft ING Bank België N.V. op verzoek van [appellante] een bankgarantie gesteld voor de hier in het geschil zijnde vordering van de curator tot schadevergoeding voor zover die het bedrag van € 8.500.000,- niet overstijgt. 2.2 Bij akte van 10 juni 2014 heeft [appellante] een op 14 mei 2014 door ING Bank België N.V. aan de curator gestelde aanvullende bankgarantie voor een bedrag van € 1.000.000,- in het geding gebracht. In totaal is aldus een bankgarantie gesteld voor een bedrag van € 9.500.000,- die strekt tot zekerheid voor de naleving van het vonnis van de rechtbank Groningen van 28 november 2012, hierna te noemen: het bestreden vonnis. 2.3 Op 24 juni 2014 heeft dit hof in de tussen [appellante] en de curator aanhangige zaak met zaaknummer 200.199.974/01 arrest gewezen. Dit hof heeft daarbij het in rechtsoverweging 3.1 van het tussenarrest van 1 oktober 2013 in de onderhavige zaak genoemde vonnis van 15 december 2000 vernietigd voor zover [geïntimeerde] daarin in conventie is veroordeeld om aan [appellante] een bedrag van ƒ 836.089,- te voldoen en heeft opnieuw rechtdoende de curator veroordeeld tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 156.410,78, en heeft het in conventie gewezen vonnis voor het overige bekrachtigd. Volgens de aanhef van genoemd arrest van 24 juni 2014 worden daarin onder [appellante] begrepen [appellante] en haar rechtsvoorgangers. 2.4 [appellante] heeft in dit incident primair de schorsing gevorderd van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, totdat in de schadestaatprocedure (in hoogste instantie), althans in hoger beroep, zal zijn beslist. [appellante] heeft subsidiair gevorderd te bepalen dat het bestreden vonnis slechts ten uitvoer mag worden gelegd indien en nadat door de curator zekerheid is gesteld in de vorm van een conveniërende bankgarantie, gelijk aan het bedrag dat onder dat vonnis aan de curator dient te worden betaald, te vermeerderen met 15 % voor rente en kosten. 2.5 [appellante] heeft in haar incidentele conclusie aangevoerd dat door de schuldoverneming en de bankgarantie van € 8.500.000,- die de door de curator gestelde vordering volledig dekt, het belang van de curator bij executie van het bestreden vonnis is komen te ontvallen, dan wel haar belang bij zekerheidsstelling prevaleert boven het belang van de curator bij ongeclausuleerde tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Verder heeft [appellante] gewezen op haar aanzienlijke restitutierisico, omdat een betaling aan de curator, die achteraf wegens vernietiging van het bestreden vonnis onverschuldigd blijkt te zijn, in de boedel valt en voor [appellante] slechts een concurrente boedelvordering oplevert. Indien de curator de afwikkeling van de boedel niet uitstelt totdat in de schadestaatprocedure in hoogste instantie is beslist, zal de curator niet in staat zijn de door [appellante] betaalde gelden aan haar terug te betalen, aldus nog steeds [appellante]. 2.6 De curator heeft in zijn antwoordconclusie in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv en subsidiair tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van na het bestreden vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die schorsing van de executie van het bestreden vonnis kunnen rechtvaardigen. De schuldoverneming en de (eerste) bankgarantie dateren immers van voor de datum waarop het vonnis is gewezen. De rechtbank was met die feiten bekend en heeft deze bij haar beslissing in aanmerking genomen. Evenmin is gesteld of gebleken dat deze feiten met zich brengen dat executie van het bestreden vonnis voor [appellante] een noodtoestand doet ontstaan. Een juridische of feitelijke misslag is evenmin gesteld of gebleken. De curator heeft verder gegarandeerd dat hij niet tot afwikkeling van het faillissement zal overgaan voordat in de schadestaatprocedure onherroepelijk is beslist. Het restitutierisico bedraagt naar de mening van de curator maximaal de som van de reeds uitbetaalde en nog te betalen boedelschulden groot € 1.000.000,-, zodat geen sprake is van een dusdanig groot restitutierisico aan de zijde van [appellante] dat zij bij schorsing van de executie van het bestreden vonnis een groter belang heeft dan de curator heeft bij de executie daarvan. Verder heeft kredietbeoordelaar [kredietbeoordelaar] volgens de curator op 21 december 2011 de vooruitzichten van de kredietbeoordeling van ING Bank België NV verlaagd van stabiel naar negatief en dient volgens hem in de huidige economische omstandigheden er rekening mee te worden gehouden dat de door ING Bank België N.V. gestelde bankgarantie geen cent waard zal blijken te zijn. Daarmee speelt volgens hem de - zorgelijke - vermogenspositie van [appellante] nog steeds een rol. Tot slot dient naar de mening van de curator te worden bedacht dat de bankgarantie op korte termijn niet meer toereikend zal zijn indien het vonnis van de rechtbank Groningen van 15 december 2000 in conventie niet in stand blijft. 2.7 De curator heeft in zijn antwoordakte van 8 juli 2014 - naar aanleiding van de door [appellante] bij akte van 10 juni 2014 overgelegde aanvullende bankgarantie - het standpunt ingenomen dat de tweede bankgarantie geen aanvullende zekerheid c.q. geen versterking van zijn zekerheidspositie is. Alleen het bedrag is opgehoogd, maar de voorwaarden zijn dezelfde als die van de eerdere bankgarantie. De vordering bedraagt volgens hem uitgaande van het bestreden vonnis van 28 december 2012 en voormeld arrest van dit hof van 24 juni 2014 per 24 juni 2014 € 8.253.786,63. Deze vordering wordt geheel gedekt door de eerdere garantie. De tweede bankgarantie onder dezelfde voorwaarden als de eerste biedt geen aanvullende zekerheid ten opzichte van de eerste bankgarantie, waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat die niet aan uitvoerbaarverklaring van het bestreden vonnis in de weg staat. Deze bankgarantie neemt de bezwaren die kleven aan de eerste bankgarantie daarom niet weg. Daarmee heeft [appellante] geen feiten en/of omstandigheden gesteld die een afwijking van het bestreden vonnis kunnen rechtvaardigen. 2.8 Het hof overweegt als volgt. 2.9 De vraag waar het in het onderhavige incident allereerst om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 Rv. 2.10 Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.