Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-007052-13 Uitspraak d.d.: 2 oktober 2014 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de militaire kamer gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 19 augustus 2013 met parketnummer 05-800225-12 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], sergeant der 1e klasse, registratienummer [nummer], [nummer] te [plaats]. Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr T.H. ten Wolde, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Aangezien van de zijde van het openbaar ministerie geen grieven zijn aangevoerd tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit en evenmin tegen de ten aanzien van feit 2 in de tenlastelegging uitgesproken deelvrijspraken met betrekking tot de lanceerinrichting, de 203 scherpe patronen aangetroffen in het OPS-vest en de 2.120 scherpe patronen aangetroffen in een koelbox, zal het hoger beroep van de officier van justitie in zoverre, op de voet van artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen Aan verdachte is -na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: 2:hij op of omstreeks 16 januari 2012 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, zonder consent, een onderdeel van een of meer wapens van categorie II, te weten een lanceerinrichting (bestemd voor het afschieten van een granaat) en/of (onderdelen van) munitie van categorie II en/of categorie III, te weten 176 kilogram (althans een grote hoeveelheid) koperen hulzen van diverse kalibers en/of (in een OPS-vest) 203 scherpe patronen kaliber 5.56 mm en/of 2.120 althans een groot aantal scherpe patronen, kaliber 9 mm en/of 5.56 mm (koelbox), heeft doen binnenkomen vanuit Afghanistan. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Bewijs van het onder 2 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbende op de 176 kilogram koperen hulzen: Tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging bestaat verschil van mening over de vraag, of de betreffende hulzen onder de (verbods)bepalingen van de Wet wapens en munitie (WWM) kunnen worden gebracht. In artikel 3, tweede lid van de WWM wordt bepaald: De bepalingen betreffende munitie zijn mede van toepassing op onderdelen van die munitie, voor zover geschikt om munitie van te maken. In de Memorie van Toelichting op de WWM wordt over deze bepaling het volgende opgemerkt: Lege hulzen van afgeschoten patronen zijn niet zonder meer geschikt om opnieuw munitie van te maken en vallen dus in het algemeen niet onder deze bepaling (Kamerstukken II, 1976-1977, 14413 nr 3, p. 26). Méér of anders is er, voor zover het hof heeft kunnen nagaan, op dit punt in de parlementaire geschiedenis niet gezegd. In de ten tijde van het tenlastegelegde feit vigerende Circulaire Wapens en Munitie 2012 (Circulaire van 3 januari 2012, op 11 januari 2012 gepubliceerd in de Staatscourant 2012, nr 582) is op dit punt te lezen: 1.2.4 Onderdelen van munitie Artikel 3, tweede lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing zijn op onderdelen van munitie, voorzover die geschikt zijn om daarvan munitie te maken. Voor wat betreft munitie voor geweren, pistolen en revolvers worden daarvoor geschikt geacht: kogels, hulzen en slaghoedjes voor gebruik in hulzen. Anders dan door de verdediging is gesteld kan naar het oordeel van het hof uit de CWM2012 niet worden afgeleid, dat (onderdeel 1.2.4 van) de Circulaire slechts betrekking heeft op nieuwe hulzen. Dit moge blijken uit het verschil dat op diverse plaatsen wordt gemaakt tussen “kennelijk gebruikte lege hulzen” die wel of die niet zijn bestemd voor dan wel deel uitmakend van een verzameling. Evenmin kan de verdediging worden gevolgd in haar stelling, dat het toekennen van betekenis aan deze bepaling van de Circulaire in strijd zou komen met het legaliteitsbeginsel. De Circulaire is een voorschrift van algemene strekking, dat op deugdelijke wijze (door publicatie in de Staatscourant) voor een ieder kenbaar is gemaakt. Vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2007, NJ 95, waarin aan de Circulaire Wapens en Munitie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.