GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.153.391/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2429677 / 13-13223) arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv van dinsdag 30 september 2014 in de zaak van 1 [appellant], wonende te [woonplaats], 2. [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. E.D. de Jong, kantoorhoudend te Steenwijk, tegen Trapezium Vastgoed B.V., gevestigd te Gorredijk, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: Trapezium, advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudend te Leeuwarden. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van 11 december 2013 en het eindvonnis van 16 april 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 juli 2014, met grieven en producties, tevens met vordering in het incident, - de incidentele memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald. 2.3 De vordering van [appellanten] luidt: "in incidentte bepalen dat de uitvoerbaarheid van het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, sector kanton d.d. 16 april 2014 wordt geschorst totdat en in kracht van gewijsde uitspraak is verkregen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het incident; in de hoofdzaak te vernietigen het vonnis d.d. 16 april 2014, door de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, tussen partijen gewezen, (…), en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden de vorderingen zijdens appellanten zoals ingesteld in eerste aanleg (in conventie) alsnog af te wijzen, en die van geïntimeerde zoals in eerste aanleg (in reconventie) ingesteld toe te wijzen, zulks met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in appel alsook in de kosten van de procedure in eerste aanleg." 3Aanduiding van het geschil 3.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellanten] hebben namens de vennootschap onder firma '[V.O.F.]' per 26 april 2007 een bedrijfspand van Trapezium gehuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren met de mogelijkheid van vijf jaar verlenging. Per 1 augustus 2007 zijn [appellanten] als vennoten uitgetreden. De zoons van [appellanten] zijn per diezelfde datum als vennoten ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel. In 2010 is er ter zake van de huur van het bedrijfspand een huurachterstand ontstaan die onbetaald werd gelaten. 3.2 Trapezium heeft daarop in december 2012 [V.O.F.] en de zonen van [appellanten] in rechte betrokken. Bij vonnis van 5 juni 2013 (met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148) heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [V.O.F.] en de zonen van [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur alsmede de toekomstige huurtermijnen tot 17 mei 2017. Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 3.3 De kern van het thans aanhangige geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of (ook) [appellanten] aansprakelijk zijn voor de vorderingen van Trapezium welke voortvloeien uit de huurovereenkomst van 26 april 2007 en de verlenging daarvan per 31 mei 2012. 3.4 In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie te dier zake als volgt beslist:"veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te betalen € 35.133,40 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over de respectievelijke achterstallige huurtermijnen vanaf het moment dat deze opeisbaar zijn tot de dag der algehele voldoening voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;veroordeelt [appellanten] voorts hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te betalen de, vanaf 1 april 2013 tot de datum waarop de huurovereenkomst eindigt middels het (in zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148) gewezen vonnis, te vervallen huurtermijnen voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;veroordeelt [appellanten] eveneens hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te voldoen de huurtermijnen waarop zij bij voortzetting van de huurovereenkomst aanspraak had kunnen maken tot aan de datum waarop de huurovereenkomst anders op rechtsgeldige wijze zou eindigen voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;". 4De motivering van de beslissing in het incident 4.1 [appellanten] hebben gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 16 april 2014 te schorsen op grond van artikel 351 Rv. 4.2 Het hof stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.