GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.140.966/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/127332 FA RK 13-908) beschikking van de familiekamer van 30 september 2014 inzake [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. F. Hofstra, kantoorhoudend te Leeuwarden, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.J. de Boer, kantoorhoudend te Leeuwarden. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 24 januari 2014; - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep; - een journaalbericht met bijlagen van mr. Hofstra van 6 maart 2014, ingekomen op 7 maart 2014; - een journaalbericht met bijlagen van mr. De Boer van 24 juli 2014, ingekomen op 25 juli 2014; - een journaalbericht met bijlage van mr. De Boer van 8 augustus 2014, ingekomen op 11 augustus 2014; - een journaalbericht met bijlagen van mr. Hofstra van 12 augustus 2014, ingekomen op dezelfde datum. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De vaststaande feiten 3.1 De man en de vrouw hebben tot januari 2013 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [in] 2012 de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 3.2 Bij inleidend verzoekschrift van 27 mei 2013 heeft de vrouw - voor zover hier van belang - de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met een bedrag van € 500,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De man heeft zich daartegen verweerd. 3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat de man met ingang van 27 mei 2013 een bedrag van € 113,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige]. 3.4 Bij beroepschrift heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beslissende te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van 27 mei 2013 een bedrag van € 281,- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht. 3.5 Bij verweerschrift heeft de man verzocht het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren c.q. dit af te wijzen. Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en verzocht de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen door het beroep op de aanvaardbaarheidstoets alsnog te honoreren en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding alsnog op nihil te stellen, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag te stellen. 3.6 Bij verweerschrift heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden. 4De omvang van het geschil 4.1 In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en wel op de volgende punten: - de behoefte van [minderjarige]; - de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen; - de aanvaardbaarheidstoets; - de zorgkorting. 4.2 Niet in geschil is dat als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 27 mei 2013 dient te worden gehanteerd. Tevens is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw op € 25,- per maand dient te worden gesteld. 5De motivering van de beslissing De behoefte van [minderjarige] 5.1 Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van hun samenwoning. 5.2 Niet in geschil is dat de vrouw in de laatste periode van de samenwoning geen inkomsten genereerde. Voor de bepaling van het netto gezinsinkomen is derhalve alleen het inkomen van de man van belang. Nu partijen in januari 2013 uit elkaar zijn gegaan, zal het hof - evenals de vrouw - uitgaan van het inkomen van de man zoals blijkt uit zijn jaaropgaaf over 2012 inzake [bedrijf]. Uit deze jaaropgaaf blijkt dat de man over de periode van 1 april 2012 tot 1 januari 2013 een bedrag van € 17.132,- bruto heeft gegenereerd. Geëxtrapoleerd naar een jaar bedroeg zijn inkomen (€ 17.132,- / 9,16 maanden (9 maanden + 0,16 maanden wegens ontvangen vakantiegeld over de maanden april en mei van 2012) x 12 maanden = afgerond) € 22.444,- bruto per jaar, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld ten bedrage van € 1.795,-, derhalve in totaal € 24.239,- bruto per jaar. 5.3 Het hof zal tevens rekening houden met een bedrag van € 2.400,- per jaar aan netto inkomsten, nu vast staat dat tegenover de reiskostenvergoeding die de man ontvangt geen reële kosten woon-werkverkeer staan. 5.4 Ter zitting is naar voren gekomen dat de man een bedrag van € 525,- aan 'zwarte inkomsten' heeft gegenereerd in verband met werkzaamheden die hij, zoals hij heeft gesteld, enkele keren in het weekend heeft verricht. Het hof ziet geen aanleiding om bij de bepaling van de behoefte rekening te houden met 'zwarte' inkomsten, nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat de man ten tijde van hun relatie nooit in het weekend werkte. 5.5 Op grond van het voorgaande berekent het hof het netto inkomen van de man in de laatste periode van de samenwoning op € 1.692,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening. Het hof merkt op dat daarbij rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. 5.6 Aangezien ter zitting naar voren is gekomen dat partijen in de laatste periode van de samenwoning het maximale bedrag aan kindgebonden budget ontvingen, zal het hof rekening houden met een kindgebonden budget van € 1.017,- per jaar, ofwel afgerond € 85,- per maand. 5.7 Het voorgaande betekent dat het netto gezinsinkomen van de man en de vrouw in de laatste periode van de samenwoning in totaal (€ 1.692,- + € 85,- =) € 1.777,- per maand bedroeg. 5.8 Aangezien [minderjarige] in de laatste periode van de relatie 0 jaar oud was, levert dit volgens de CBS-Nibudtabel (2012, tweede helft) 4 kinderbijslagpunten op. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 1.777,- en 4 kinderbijslagpunten, bedragen de kosten van [minderjarige] op grond van het voormelde rekenmodel afgerond € 244,- per maand. Geïndexeerd naar 2013 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 248,15 per maand. 5.9 Op het aldus gevonden (geïndexeerd) tabelbedrag van € 248,15 per kind per maand dient in mindering te worden gebracht het bedrag aan kindgebonden budget waarop de vrouw thans recht heeft. Aangezien niet in geschil is dat de vrouw thans € 84,- per maand aan kindgebonden budget ontvangt, zal het hof van dit bedrag uitgaan. Het voorgaande betekent dat de behoefte van [minderjarige] kan worden gesteld op (€ 248,15,- - € 84,- = ) afgerond € 164,- per maand. De draagkracht van de man * het inkomen 5.10 Uitgangspunt in de nieuwe richtlijn is dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige. 5.11 Het bedrag aan draagkracht van de man wordt in deze vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Daarbij houdt het hof rekening met het huidige NBI (netto besteedbaar inkomen) van de man. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. 5.12 Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning. 5.13 Nu als ingangsdatum 27 mei 2013 wordt gehanteerd, zal het hof uitgaan van het inkomen van de man zoals blijkt uit de jaaropgaaf over 2013, te weten € 22.254,- bruto. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om met een hoger bedrag aan inkomsten rekening te houden. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man, die bij het bedrijf van zijn vader werkzaam is, met zijn vader heeft afgesproken het bruto salaris van de man in 2013 naar beneden te brengen om de kinderalimentatie zo laag mogelijk te houden, is het hof van oordeel dat zij haar stelling, in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat het hof het inkomen van de man over 2012 op een lager bedrag - te weten € 24.239,- - heeft berekend dan de vrouw, zodat het verschil tussen het inkomen van de man over 2012 en 2013 minder groot is dan waarvan de vrouw is uitgegaan. Daarbij komt dat het bruto inkomen van de man over 2013 (deels) lager is dan over 2012 als gevolg van de omstandigheid dat de werkgeversbijdrage premie Zorgverzekeringswet per 1 januari 2013 is vervallen. De man heeft ter zitting nog gesteld dat hij 36 in plaats van 38 uur per week is gaan werken, omdat er minder werkzaamheden waren te verrichten, welke stelling de vrouw heeft betwist. Wat hier verder ook van zij, het hof ziet hierin geen aanleiding rekening te houden met een hoger inkomen, nu er - mede in het licht van het voorgaande - geen sprake is van een substantieel lager inkomen van de man over 2013 ten opzichte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.