GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.135.747/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/100658/HA ZA 09-1042) arrest van de tweede kamer van 7 oktober 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.G.H. van der Kolk, kantoorhoudend te Stadskanaal, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. S.L. Elzinga, kantoorhoudend te Heerenveen. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 19 januari 2011, 30 maart 2011 en 5 oktober 2011 van de rechtbank Leeuwarden en van 6 februari 2013 en 3 juli 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 september 2013, - het herstelexploot van 10 oktober 2013, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt: "Verzoekt het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 3 juli 2013 te vernietigen, en te bepalen dat opnieuw, met inachtneming van de aangevoerde grieven van [appellant] wordt beslist, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding." 3De feiten 3.1 De door de rechtbank in haar vonnis van 19 januari 2011 onder 2 (2.1 tot en met 2.8) vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen de rechtbank t.a.p. heeft overwogen. 3.2 Samengevat en voor zover voor in dit hoger beroep nog van belang, gaat het om het volgende. [geïntimeerde] exploiteert een timmer- en onderhoudsbedrijf. [appellant] exploiteert een schilder- en onderhoudsbedrijf. Vanaf 2006 zijn partijen gaan samenwerken. De samenwerking hield in dat partijen over en weer werkzaamheden verrichtten voor door een van hen verkregen opdrachten. Degene die de opdracht had verkregen declareerde bij de opdrachtgever en de ander declareerde zijn kosten en loon (uren maal een uurloon van € 36,-) bij degene die de opdracht had gekregen, met dien verstande dat de totale kosten en loon de aanneemsom niet mochten overstijgen. Partijen kwamen verder overeen dat zij de totale winst (aanneemsom minus beider loon en kosten) van de opdrachten tussen hen beiden bij helfte zouden verdelen. De samenwerking is tot een einde gekomen, waarna tussen partijen een geschil is ontstaan over de afrekening van de projecten. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en hij heeft na eiswijziging (voor zover door de rechtbank toegestaan) gevorderd, samengevat, dat [appellant] wordt veroordeeld om bepaalde delen van zijn boekhouding in afschrift te verstrekken, een bedrag van € 13.238,43 vermeerderd met rente en kosten te betalen, bepaalde zaken aan [geïntimeerde] af te geven en de kosten van de procedure te betalen. [appellant] heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie (na vermeerdering van eis) gevorderd, samengevat, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om een aantal zaken aan [appellant] af te geven, afschrift althans inzage te verschaffen van/in de administratie van het project [project], bedragen van € 517,19 en € 933,32 te betalen vermeerderd met rente en de kosten van de procedure te betalen. 4.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 19 januari 2011 de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling, bij vonnis van 30 maart 2011 een comparitie bevolen, bij vonnis van 5 oktober 2011 een deskundigenbericht bevolen en bij vonnis van 6 februari 3013 de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. Bij eindvonnis van 3 juli 2013 heeft de rechtbank in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ad € 28.435,26 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 7 oktober 2008 tot de dag der voldoening en tot betaling van de gedingkosten, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. In reconventie heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot afgifte aan [appellant] van een aantal zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met compensatie van de proceskosten en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. 5De omvang van het hoger beroep Hoewel in het petitum van zowel de appeldagvaarding als de memorie van grieven alleen de vernietiging van het vonnis van 3 juli 2013 met zoveel woorden wordt gevorderd, stelt het hof vast dat de grief mede is gericht tegen het vonnis van 6 februari 2013 en dat de toelichting op de grief nog een verholen grief bevat tegen het vonnis van 19 januari 2011 (waarover hieronder meer). Gelet daarop, begrijpt het hof de vordering in hoger beroep aldus dat tevens de vernietiging van deze vonnissen wordt beoogd, voor zover de door bedoelde grieven aangevallen oordelen aan de eindbeslissingen hebben bijgedragen. 6De bespreking van de grieven 6.1 De bovenaan de tweede bladzijde van de memorie van grieven met vetgedrukte letters geformuleerde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte in het eindvonnis van 3 juli 2013 en in het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 6 februari 2013 uitgaat van de juistheid en volledigheid van het door [accountant] afgegeven deskundigenbericht. De toelichting op deze grief bevat onder meer de stelling dat partijen vanaf februari 2006 tot september 2007 hebben samengewerkt. In zoverre is sprake van een verholen grief tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverwegingen 5.3.1 en 5.3.9 van het vonnis van 19 januari 2011 dat de samenwerking tussen partijen heeft geduurd vanaf juni 2006 tot 1 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.