GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.142.295/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/141465/DA RK 13-1289) beschikking van de familiekamer van 28 oktober 2014 inzake [de vrouw], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W. Eelsing, kantoorhoudend te Ter Apel, tegen [de man] , wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. K.J. Zeef, kantoorhoudend te Ter Apel. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 22 februari 2014; - het verweerschrift, ingekomen op 22 april 2014; - een brief van mr. Eelsing van 14 maart 2014 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg; - een journaalbericht van 16 juni 2014 van mr. Zeef met bijlagen. 2.2 De minderjarige [kind 1] (hierna te noemen [kind 1]) heeft bij brief van 18 juni 2014 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak. Het hof heeft ter zitting zakelijk verslag gedaan van deze mening. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 8 juli 2014 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is niet in persoon verschenen. Zij is vertegenwoordigd door haar advocaat. 3De vaststaande feiten 3.1 Het huwelijk van de man en de vrouw is ontbonden door echtscheiding. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van: - [kind 2], geboren op [geboortedatum 1], - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2], - [kind 1], geboren op [geboortedatum 3], - en [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4], [kind 2] en [minderjarige 3] zijn inmiddels meerderjarig. De man en de vrouw oefenen het gezag over de minderjarigen [kind 1] en [minderjarige 4] gezamenlijk uit. 3.3 Bij de echtscheidingsbeschikking van 16 juli 2002 heeft de toenmalige rechtbank Groningen de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 120,- per kind per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2013 ingevolge de wettelijke indexering € 149,87 per kind per maand. 3.4 De man heeft zich op 10 juni 2013 gewend tot de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, met het verzoek de bijdrage voor [kind 2] met ingang van 6 april 2013 op nihil te stellen en de bijdrage voor [minderjarige 3] en de minderjarigen [kind 1] en [minderjarige 4] te bepalen op € 110,- per kind per maand. [kind 2] en [minderjarige 3] hebben geen verweer gevoerd. De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans zijn verzoeken af te wijzen dan wel, voor het geval de bijdrage voor [minderjarige 3] wordt bepaald op € 110,- per maand, de bijdrage voor [kind 1] en [minderjarige 4] te bepalen op € 202,50 per kind per maand. 3.5 Bij beschikking van 26 november 2013 heeft de rechtbank, onder wijziging van de beschikking van 16 juli 2002, de bijdrage voor [kind 2] met ingang van 10 juni 2013 op nihil gesteld, de bijdrage voor [minderjarige 3] met ingang van die datum bepaald op € 110,- per maand en de bijdrage voor [kind 1] en [minderjarige 4] met ingang van die datum bepaald op € 74,- per kind per maand. 3.6 De vrouw is met vier grieven van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij heeft verzocht de door de man aan haar te betalen bijdrage voor [minderjarige 3] met ingang van 10 juni 2013 te bepalen op € 100,- per maand en de bijdrage voor [kind 1] en [minderjarige 4] met ingang van 10 juni 2013 op € 230,30 per kind per maand. De man concludeert tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep. 4De beoordeling * de meerderjarige [minderjarige 3] 4.1 is op [in 2012] meerderjarig geworden. Op dat moment is de eerder bij beschikking van 16 juli 2002 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding op grond van artikel 1:395b BW van rechtswege geconverteerd in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie. Waar de man de bijdrage voor [minderjarige 3] tot de meerderjarigheid aan de vrouw diende te betalen, dient hij de bijdrage vanaf de meerderjarigheid rechtstreeks aan [minderjarige 3] te betalen. [minderjarige 3] kan vanaf dat moment immers zelfstandig aanspraak maken op deze bijdrage. Dat betekent dat hij ook zelfstandig in een (wijzigings)procedure dient te worden betrokken en zelfstandig dient te appelleren wanneer hij zich niet kan verenigen met de in de procedure gegeven beslissing van de rechtbank. 4.2 De man heeft zijn inleidend verzoekschrift mede gericht tot [minderjarige 3] en daarmee [minderjarige 3] zelfstandig en op de juiste wijze in de wijzigingsprocedure betrokken. [minderjarige 3] is in eerste aanleg niet verschenen in de procedure, waarna de rechtbank de bijdrage voor [minderjarige 3] overeenkomstig het verzoek van de man - heeft gewijzigd en heeft vastgesteld op € 110,- per maand. 4.3 Uit het beroepschrift blijkt dat het hoger beroep uitsluitend is ingediend namens de vrouw. Mr. Eelsing heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat [minderjarige 3] zijn moeder niet heeft gemachtigd om namens hem te procederen in de procedure bij het hof. Hieruit volgt dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep voor zover betrekking hebbend op [minderjarige 3]. De door haar gewenste door mr. Eelsing ter zitting kenbaar gemaakte vermeerdering van haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 3] zoals vermeld in het petitum van haar beroepschrift, is dan ook niet relevant. Het hoger beroep strekt zich dan ook niet uit tot de door de man aan [minderjarige 3] - en niet aan de vrouw - te betalen bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie. De beslissing van de rechtbank om deze bijdrage te bepalen op € 110,- per maand staat in het onderhavige appel niet ter discussie. 4.4 Het hof merkt hierbij nadrukkelijk op dat de omstandigheid dat [minderjarige 3] geen partij is in de onderhavige procedure, niet betekent dat [minderjarige 3] om die reden bij de beoordeling van de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] en/of de verdeling van de draagkracht van de man buiten beschouwing dient te blijven. Of en zo ja in hoeverre bij de vaststelling van de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] en de verdeling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met [minderjarige 3] - voor wie de man nog steeds onderhoudsplichtig is - zal het hof hierna beoordelen. * de grenzen van de rechtsstrijd 4.5 De vrouw heeft in haar laatste grief ten aanzien van de hoogte van de vastgestelde onderhoudsbijdragen de vraag aan de orde gesteld of het de rechtbank heeft vrijgestaan - en het hof vrij staat - de bijdrage voor [kind 1] en [minderjarige 4] te bepalen op € 74,- per kind per maand in plaats van de door de man in eerste aanleg verzochte vermindering van de kinderalimentatie naar € 110,- per kind per maand. 4.6 De man heeft in zijn verweerschrift hierover opgemerkt dat hij instemt met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] van € 74,- per kind per maand en dat het de rechtbank vrij stond om een lager bedrag vast te stellen dan € 110,- per kind per maand. Hij verwijst in dit verband naar de in het inleidend verzoekschrift opgenomen zinsnede: "althans met ingang van een door uw rechtbank te bepalen datum en op een bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren", hetgeen naar de mening van de man inhoudt dat de rechtbank een hoger of lager bedrag kan vaststellen dan het genoemde bedrag, zodat de grief van de vrouw geen doel treft. 4.7 Naar het oordeel van het hof is de rechtbank in de bestreden beschikking buiten de omvang van het geschil getreden. Hetgeen de man hierover in zijn verweer heeft opgemerkt, volgt het hof niet. Wat hier echter ook van zij, de aard van het onderhavige geschil betreffende een uitkering tot levensonderhoud - die vooral daardoor wordt bepaald dat rechterlijke uitspraken in beginsel vatbaar zijn voor wijziging (zelfs met terugwerkende kracht) op de in artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek vermelde gronden, brengt met zich dat partijen er belang bij hebben dat de vaststelling van (het bestaan en de omvang van) de onderhoudsverplichting berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden, zoals die zijn ten tijde van de uitspraak in hoger beroep. Uit het verweerschrift van de man blijkt dat hij bekrachtiging vraagt van de bestreden beschikking, derhalve van een bedrag van € 74,- per kind per maand. In samenhang met hetgeen hiervoor onder 4.6 is opgenomen als reactie op de grief van de vrouw, dient het verzoek tot bekrachtiging naar het oordeel van het hof - mede gelet op hetgeen is overwogen over de aard van het geschil - te worden aangemerkt als een vermeerdering van het verzoek aan de zijde van de man. Deze (impliciete) vermeerdering is kenbaar uit het verweerschrift van de man en heeft de vrouw daarom niet benadeeld in haar mogelijkheid verweer te voeren. Nu ook overigens niet is gebleken van bezwaren, zal het hof op basis van het gewijzigd verzoek beslissen. 4.8 Het vorenstaande betekent dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [minderjarige 4] - daargelaten de behoefte van beide kinderen en draagkracht van de man - op ten minste een bedrag van € 74,- per kind per maand dient te worden bepaald. * [kind 1] en [minderjarige 4] 4.9 In geschil is aldus de vraag of de man, gelet op de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] en zijn draagkracht, gehouden is een hogere bijdrage te betalen dan € 74,- per kind per maand. * de wijzigingsgrond 4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat zich meerdere relevante wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling van de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] en de draagkracht van de man rechtvaardigt. * de ingangsdatum 4.11 De rechtbank heeft de ingangsdatum van wijziging van de kinderalimentatie bepaald op 10 juni 2013, de dag van indiening van het inleidend verzoek. Geen van partijen heeft deze ingangsdatum in hoger beroep aan de orde gesteld, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. * de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] 4.12 Partijen strijden over de wijze van berekening van de behoefte van [kind 1] en [minderjarige 4] waarbij in geschil is van welk inkomen moet worden uitgegaan en of moet worden uitgegaan van vier kinderen, zoals de man stelt, of van twee kinderen, zoals de vrouw bepleit. 4.13 De behoefte van kinderen wordt gebruikelijk vastgesteld aan de hand van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen uit welke tabel op basis van de leeftijd van de kinderen de kosten van deze kinderen bij een bepaald inkomen kunnen worden afgeleid. Als uitgangspunt wordt aanbevolen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het verbreken van de relatie dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is. 4.14 Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bepaling van de behoefte van de kinderen niet moet worden uitgegaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het einde van het huwelijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.