GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.156.254/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/374599/ KL ZA 14/291) arrest in spoed kort geding van de tweede kamer van 4 november 2014 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. E.R.J. Helmantel, kantoorhoudend te Dronten, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.H.M. Leyten-Smits, kantoorhoudend te Dronten. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 8 september 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 september 2014 (met grieven en producties), - de memorie van antwoord, (met producties). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante] luidt: "Te horen eisen en concluderen dat het Uw Gerechtshof moge behagen, te vernietigen het vonnis in kort geding van 8 september 2014, gewezen door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, afdeling Civiel recht handelskamer, onder zaaknummer C/16/374599 /KL ZA 14-291, tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde met veroordeling van geïntimeerde in de kosten ván beide instanties." 2.4 3De feiten 3.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 en 2.2 van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden: 3.1.1 Partijen zijn gehuwd. [appellante] heeft bij deze rechtbank een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. 3.1.2 Uit het huwelijk van partijen zijn twee, thans nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1]. geboren op [geboortedatum 1] in de [gemeente X]; 2. [minderjarige 2]. geboren op [geboortedatum 2] in de [gemeente X]. 3.1.3 Partijen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen. [appellante] heeft [geïntimeerde] bij brief van 17 juli 2014 meegedeeld dat zij eind september 2014 naar [plaats 1] gaat verhuizen. Zij woonde op dat moment in [woonplaats]. [geïntimeerde] verblijft sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in [plaats 2]. 4Het geschil in eerste aanleg en de beslissing van de voorzieningenrechter 4.1 Op vordering van [geïntimeerde] is [appellante] veroordeeld tot betaling van een gemaximeerde dwangsom aan [geïntimeerde], indien zij zonder diens toestemming en/of toestemming van de rechtbank naar [plaats 1] of buiten [woonplaats] verhuist. 5Grief 1 5.1 De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] op dit moment (lees: ten tijde van het vonnis in eerste aanleg) niet instemt met een verhuizing van [appellante], samen met de minderjarigen naar [plaats 1]. Nu partijen gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarigen, heeft [appellante] naar haar oordeel toestemming nodig van [geïntimeerde] of vervangende toestemming van de rechtbank om dat voornemen uit te kunnen voeren, en komt het voor rekening en risico van [appellante] dat zij deze toestemming niet tijdig heeft gevraagd. De eerste grief is gericht tegen dat oordeel. 5.2 De grief is om de navolgende reden terecht voorgedragen. 5.3 Tussen partijen staat vast dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij [appellante]. Uitgangspunt is in dat geval dat zij de verblijfplaats van de kinderen bepaalt. Indien echter sprake is van een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals over de omgang tussen de vader en de kinderen in geval van verhuizing, is haar vrije keuze op dat punt begrensd; een dergelijk geschil kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a BW aan de rechtbank worden voorgelegd. Op verzoek van de ouder bij wie de minderjarigen hoofdverblijf hebben, kan de rechtbank dan onder meer bepalen dat deze ouder gerechtigd is te verhuizen. De rechter zal bij zijn beslissing over een dergelijk verzoek alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, waaronder het belang van de kinderen. Als een dergelijke beslissing niet is gegeven, kan in kort geding door de belanghebbende ouder een verhuisverbod worden gevraagd. Die voorziening dient te worden geweigerd indien voor het vragen van toestemming als bedoeld in artikel 1:253a BW geen aanleiding bestond. Dat is aan de orde indien de ouder bij wie de kinderen geen hoofdverblijf hebben met de voorgenomen verhuizing heeft ingestemd en de verhuizende ouder daar vervolgens naar heeft gehandeld. In dit kort geding dient daarom allereerst de vraag te worden beantwoord of [geïntimeerde] dergelijke instemming al dan niet heeft gegeven. Bij die beoordeling dienen eveneens alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. Het hof oordeelt hierover als volgt. 5.4 [appellante] heeft op 21 juli 2014 de huur van de woning in [woonplaats] opgezegd, nadat zij zich ervan had verzekerd dat zij in [plaats 1] over woonruimte kon beschikken. Op dat moment stond de (noodzaak van) de verhuizing voor haar vast, en diende zij van instemming daarmee van de zijde van [geïntimeerde] in voldoende mate verzekerd te zijn. De vraag dient dus te worden beantwoord of aannemelijk is dat [geïntimeerde] op 21 juli 2014 met de verhuizing instemde. Dat is het geval indien zij daar gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen. Voor die beoordeling zijn in het bijzonder de volgende omstandigheden van belang: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.