← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2014:8654

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.152.163/01 (zaaknummer rechtbank Leeuwarden H 93/660) arrest van de eerste kamer van 11 november 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], eiser tot herroeping hierna: [appellant], advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudend te Deventer, tegen de gezamenlijke erfgenamen van [erflater], overleden op 30 januari 2013, wonende te Sint Nicolaasga, gedaagden tot herroeping, hierna: de erven [erflater], niet verschenen. 1Het verloop van het geding tot herroeping 1.1 Bij arrest van 20 september 2000, zaaknummer 9900394, heeft het gerechtshof Leeuwarden uitspraak gedaan in het hoger beroep tussen [appellant] als appellant en [erflater] als geïntimeerde. Daarbij heeft het hof het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 1 september 1999 bekrachtigd en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. 1.2 [appellant] heeft bij exploot van 18 juni 2014 de erven [erflater] gedagvaard voor dit hof en onder overlegging van producties gevorderd: "dat uw Hof bij vonnis [het hof begrijpt: arrest], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:I. bepaalt dat het tussen partijen gewezen arrest van 20 september 2000 wordt herroepen, waarmee het geding tussen partijen wordt heropend;II. voor recht verklaart dat [erflater], althans zijn erfgenamen, aansprakelijk is, dan wel zijn, voor de door [appellant] geleden en zo mogelijk nog te lijden schade;III. de erfgenamen van [erflater] veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding, nader op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van aanvang van het onrechtmatig handelen, dan wel de datum van het ontstaan van de schade tot en met de dag der algehele voldoening;IV. gedaagde veroordeelt in de kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de advocaat van [appellant]." 1.3 De rolraadsheer heeft [appellant] bij brief van 17 juli 2014 in de gelegenheid gesteld zich, gelet op het bepaalde in artikel 383 lid 1 Rv, uit te laten over de ontvankelijkheid van [appellant] in zijn vordering. 1.4 Bij akte van 30 juli 2014 heeft [appellant] op voornoemd verzoek van de rolraadsheer gereageerd. 1.5 Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald. 2De beoordeling 2.1 Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. [appellant] heeft in het verleden een onderneming gedreven die op enig moment in betalingsproblemen is komen te verkeren. [appellant] is vervolgens via zijn accountant in contact gekomen met [erflater], die volgens de stellingen van [appellant] voor hem een saneringskrediet zou aanvragen en een schuldsaneringsregeling tot stand zou brengen. Doordat deze schuldsaneringsregeling niet, althans niet tijdig, tot stand was gekomen, is [appellant] uiteindelijk in staat van faillissement verklaard. heeft daarop een procedure aanhangig gemaakt waarin hij heeft gevorderd [erflater] te veroordelen de door hem geleden vermogensschade te vergoeden. Deze procedure heeft geresulteerd in het voornoemde arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september

  1. 2.2 [appellant] heeft in zijn dagvaarding tot herroeping gesteld dat het arrest van 20 september 2000 tot stand is gekomen na bedrog van [erflater]. [appellant] stelt hiertoe dat [erflater] de indruk heeft gewekt alsof hij werkzaamheden voor [appellant] verrichte op basis van een lastgevingsovereenkomst terwijl er geen overeenkomst tussen [appellant] en [erflater] bestond en dat [erflater] daarnaast ten onrechte de indruk heeft gewekt bij [werkgever] werkzaam te zijn. 2.3 Het hof stelt vast dat [appellant] onderhavige herroepingsprocedure heeft doen aanvangen bij dagvaarding van 18 juni
  2. Ingevolge artikel 383 lid 1 Rv dient een vordering tot herroeping te worden ingediend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Het artikellid bepaalt verder dat de termijn niet eerder aanvangt dan nadat het vonnis (of arrest) waarvan herroeping gevorderd wordt, in kracht van gewijsde is gegaan.Beslissend voor de vraag of [appellant] in zijn vordering kan worden ontvangen is derhalve of de door [appellant] gestelde grond voor herroeping - bedrog - al voor 18 maart 2014 (drie maanden voor het instellen van de herroepingsdagvaarding) aan hem bekend was geworden. 2.4 Het hof constateert dat [appellant] in zijn dagvaarding tot herroeping heeft aangegeven dat hij reeds in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2000 bekend was geworden met het feit dat het dienstverband van [erflater] bij [werkgever] in 1991 was beëindigd. In zijn akte d.d. 30 juli 2014 heeft [appellant] te dien aanzien nog verklaard de brief van het Arbeidsbureau Leeuwarden, gedateerd 25 februari 1991, waarbij toestemming werd verleend om [erflater] te ontslaan, reeds op 4 maart 1997 te hebben ontvangen. Voorts heeft zich blijkens de stellingen van [appellant] in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2000, reeds een discussie ontsponnen over het al dan niet bestaan van een lastgevingsovereenkomst. Het hof heeft op dat punt in zijn arrest van 20 september 2000 geoordeeld dat [appellant] niet geslaagd is in het bewijs dat [erflater] op basis van een (lastgevings)overeenkomst tussen [appellant] en [erflater] activiteiten heeft verricht. 2.5 Het hof leidt uit voornoemde stellingen van [appellant] af dat hij reeds (ver) voor 18 maart 2014 bekend is geworden met de gronden van het door hem gestelde bedrog. Dat [appellant], zoals hij stelt, de inhoud van de voornoemde brief van het Arbeidsbureau pas op 8 maart 2014 heeft begrepen, doet daar niet aan af, nog daargelaten dat laatstgenoemde datum eveneens is gelegen vóór 18 maart
  3. Het hof oordeelt daarom dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn herroepingsvordering, daar deze buiten de daarvoor door de wet gegeven termijn is ingesteld. 2.6 [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. 3De beslissingHet gerechtshof: verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot herroeping van het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september 2000; veroordeelt [appellant] in de kosten van de herroepingsprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de erven [erflater] begroot op nihil; Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 november 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.