GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.123.953/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 191359/ HL ZA 11-1026) arrest van de tweede kamer van 18 november 2014 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. A.D.G. Bakker, kantoorhoudend te Lelystad, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. H.M.A.W. Erven, kantoorhoudend te Lelystad. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 juni 2013 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Op eenparig verzoek van partijen heeft deze comparitie na aanbrengen geen doorgang gevonden en hebben partijen er voor gekozen om verder te procederen in hoger beroep. 1.2 Het verdere verloop van de procedure is als volgt: - de memorie van grieven, met producties, - de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties, - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, - een akte van [appellante] van 8 april 2014, - een antwoordakte van [geïntimeerde]. 1.3 Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 1.4 Het petitum van de appeldagvaarding luidt: "(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen, dan wel te wijzigen zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden het op 19 december 2012 tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad (met zaak-/rolnummer 191359/ HL ZA 11-1026) en opnieuw rechtdoende: I. bij provisioneel arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de mogelijke tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2012 in de zaak met zaak-/rolnummer 191359 / HL ZA 11-1026 te schorsen II. hetgeen in voornoemd vonnis van de Rechtbank onder 5.1 en voorts in 5.6, 5.7 en 5.8 is gesteld met betrekking tot de verdeling van de activa van de tussen partijen bestaande gemeenschap te bekrachtigen en daarnaast in verband met de passiva in de tussen partijen bestaande gemeenschap te bepalen dat [geïntimeerde] voor zijn rekening dient te houden en draagplichtig is ten aanzien van de schuld aan Interbank en ten aanzien van de schuld in verband met het negatief saldo op de gezamenlijke SNS en/of rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] en daarmee de vorderingen van [geïntimeerde] als beschreven onder 7 en 8 van de inleidende dagvaarding af te wijzen III. de vorderingen van [geïntimeerde] als beschreven onder 1 tot en met 4 en 6 van de inleidende dagvaarding af te wijzen. althans [geïntimeerde] met betrekking tot de betreffende vorderingen niet ontvankelijk te verklaren en daarbij te verklaren dat [appellante] niet draagplichtig zal zijn ten aanzien van de helft van de eventuele restschuld na verkoop en levering van de echtelijke woning te [woonplaats] aan de [adres] IV. kosten rechtens" 1.5 De conclusie van de memorie van grieven luidt: " (…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen, dan wel te wijzigen zonodig onder aanvulling en / of verbetering van gronden, het op 19 december 2012 tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Zwolle-[woonplaats] (met zaak-/rolnummer 191359 / HL ZA 11-1026) voorzover daarin, in 5.5., is bepaald dat na verkoop van de woning de totale onder of overwaarde van de woning bij partijen bij helfte zal worden gedeeld in die zin dat ieder der partijen voor de helft van de onderwaarde draagplichtig wordt en het vonnis voor het overige te bekrachtigen." 1.6 [geïntimeerde] heeft in het principaal appel en in het incidenteel appel geconcludeerd tot: "(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen dan wel te wijzigen zo nodig onder aanvullingen of verbetering van de gronden het op 19 december 2012 tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Zwolle [woonplaats] (met zaak/rolnummer 191359/HLZA 11- 1026 en opnieuw rechtdoende: I Hetgeen in voornoemd vonnis van de Rechtbank onder de punten 5.1 tot en met 5.10 bepaald is te bekrachtigen; II De vrouw in haar vordering zoals genoemd bij dagvaarding in hoger beroep onder de punten II en III alsmede bij Memorie van Grieven met Conclusie niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. III De door de man gevorderde verdeling, naar vermeerdering van Eis in 1e aanleg en zoals genoemd in het vonnis van de Rechtbank Zwolle [woonplaats] van 19 december 2012 onder de punten 5, 7 en 8 op pagina 2 en 3 van dat vonnis toe te wijzen. IV Kosten rechtens." 1.7 [appellante] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde. 2De verdere beoordeling De vaststaande feiten 2.1 Tussen partijen staat als niet, dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast: 2.1.1 Partijen zijn op [in] 1989 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. 2.1.2 Bij beschikking van 10 oktober 2007 van de rechtbank Zwolle-Lelystad is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 6 november 2007 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.1.3 Partijen hebben in 1995 tijdens hun huwelijk de voormalig echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] gekocht. Voor de financiering daarvan zijn zij, onder hoofdelijke aansprakelijkheid, bij de SNS Bank N.V. een overeenkomst van geldlening aangegaan met een hoofdsom van € 280.500,-. Ter zekerheid voor de terugbetaling van het geleende is ten behoeve van de SNS Bank N.V. een recht van hypotheek op genoemde woning gevestigd. Partijen houden verder een effectendepot nr. [nummer] bij de SNS bank, welk depot is verpand aan die bank, en zij beschikken over een kapitaalsverzekering bij Interlloyd Levensverzekeringen maatschappij N.V. De woning heeft thans een waarde die aanzienlijk lager is dan de hypothecaire schuld, waardoor ook wanneer rekening wordt gehouden met de waarde van het effectendepot en de kapitaalsverzekering, bij verkoop van de woning een aanzienlijke restschuld zal overblijven. 2.1.4 [appellante] heeft van 6 november 2007 tot 3 oktober 2009 in de voormalig echtelijke woning gewoond en daarna heeft [geïntimeerde] de woning betrokken. [geïntimeerde] heeft vanaf 6 november 2007 de hypothecaire lasten voldaan. 2.1.5 Ten tijde van de ontbinding van het huwelijk hadden partijen tevens een schuld bij Interbank groot € 30.027,37 en een debetstand van € 3.696,92 op de betaalrekening van partijen bij de SNS bank. 2.1.6 Bij beschikking van 7 april 2008 van de rechtbank Zwolle-Lelystad is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [appellante]. 2.1.7 De schuldsanering is op 16 september 2011 beëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst onder toepassing van de zogenoemde 'schone lei'. 2.1.8 Op 19 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure tot scheiding en deling van de tussen partijen bestaande (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap uitgebracht. 2.1.9 De voormalig echtelijke woning staat thans te koop. De beslissing van de rechtbank 2.2 De rechtbank heeft in het vonnis van 19 december 2012 onder meer overwogen en beslist dat aan [appellante] voor de hypothecaire schuld geen 'schone lei 'is verleend en dat zij samen met [geïntimeerde] voor de voldoening van die schuld hoofdelijk aansprakelijk is gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank in het dictum van dat vonnis - kort weergegeven - - onder 5.1. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld in die zin dat de kleding en lijfgoederen, de inboedel en de polissen levensverzekering bij Zwitserleven zijn verdeeld; - onder 5.2. [appellante] veroordeeld om [geïntimeerde] toestemming te geven voor onderhandse verkoop van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en om [geïntimeerde] te machtigen al het nodige te verrichten om - al dan niet door inschakeling van derden - tot verkoop van die woning te geraken, alsmede om tot opheffing te komen van het effectendepot en de kapitaalsverzekering; - onder 5.3. bepaald dat, indien [appellante] in gebreke blijft te voldoen aan voorgaande veroordeling, het vonnis op de voet van artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte waarbij [appellante] toestemming geeft voor genoemde verkoop en het verrichten van handelingen om tot opheffing van het effectendepot en de kapitaalverzekering te komen; - onder 5.4. [appellante] veroordeeld om te dulden dat de kosten van de eventueel ingeschakelde derden ten laste van de opbrengst van de woning komen en onderdeel zullen uitmaken van de restschuld van de woning; - onder 5.5. bepaald dat na verkoop van de woning de totale onder- of overwaarde van de woning tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld in die zin dat ieder der partijen voor de helft van de onderwaarde draagplichtig wordt. De rechtbank heeft voorts onder 5.6 tot en met 5.11 verstaan dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen, [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van de helft van het saldo op de spaarloonrekening, bepaald dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten verbonden aan de uitvoering van deze verdeling te voldoen, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen. De wijziging van eis 2.3 [appellante] heeft in de memorie van grieven hetgeen zij in de appeldagvaarding heeft gevorderd verminderd en gewijzigd op de wijze als uit het voorgaande blijkt. Tegen de wijziging van eis heeft [geïntimeerde] geen verweer gevoerd. Het hof acht de wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal daarom beslissen op hetgeen in de memorie van grieven is gevorderd. De grieven in het principaal appel 2.4 [appellante] komt in hoger beroep uitsluitend op tegen de in het dictum van het vonnis van de rechtbank van 19 december 2012 onder 5.5. gegeven beslissing en zij heeft daartoe de volgende grieven opgeworpen. 2.5 [appellante] heeft grief I gericht tegen overweging 4.5. van het vonnis van de rechtbank dat de wettelijke schuldsaneringsregeling meebrengt dat: - een hypothecaire vordering niet onder de schuldsaneringsregeling valt met als gevolg dat de schuldenaar tijdens de schuldsanering de hypothecaire rente verschuldigd blijft; - de hypothecaire vordering bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet onder de 'schone lei' valt en -dat dit slechts anders zou zijn indien de woning gedurende de schuldsaneringsregeling was verkocht. Grief II is gericht tegen de overweging 4.6. van het vonnis van de rechtbank dat, nu de woning niet tijdens de schuldsaneringsregeling is verkocht, aan [appellante] voor de hypothecaire schuld geen 'schone lei' is verleend en zij samen met [geïntimeerde] daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is gebleven. 2.6 [appellante] voert daartoe onder meer aan dat ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 5 Fw de werking van de 'schone lei, als bepaald in artikel 358 lid 1 Fw, geen toepassing vindt ten aanzien van een vordering waarvoor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.