GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.118.066 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 534545 \ CV EXPL 12-1354) arrest van de eerste kamer van 25 november 2014 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. R. Skála, kantoorhoudende te Haren, tegen Stichting Zorgkantoor Menzis, gevestigd te Wageningen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Menzis, advocaat: mr. B.T.J.A. van Aalst, kantoorhoudende te Enschede. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 6 september 2012 van de toen geheten rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 november 2012; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord. Beide partijen hebben het procesdossier overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald. 2.2 De vordering van [appellant] luidt bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: "het vonnis van 6 september 2012 (…) te vernietigen en de vordering van Menzis alsnog af te wijzen, met veroordeling van Menzis in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.” 3De feiten 3.1 [appellant] heeft geen specifieke grieven gericht tegen de door de kantonrechter in het vonnis van 6 september 2012 onder 1.2 t/m 1.8 vastgestelde feiten. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de feiten als volgt. 3.2 Menzis is op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangewezen als zorgkantoor. Ten behoeve van de verzorging van [appellant], geboren op [geboortedatum], is bij Menzis een aanvraag ingediend tot toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB). 3.3 Bij toekenningsbeschikking van 27 mei 2004 is ten behoeve van [appellant] een PGB toegekend over de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 17 december 2004 ter hoogte van € 13.403,67, uit te betalen in vier voorschotperioden. Daarbij is onder meer de verplichting opgelegd om binnen acht weken na het einde van iedere voorschotperiode aan de hand van door Menzis toegezonden formulieren verantwoording af te leggen over de besteding van het PGB. 3.4 Over de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 30 september 2004 heeft Menzis ten behoeve van [appellant] een bedrag van € 10.433,53 aan voorschotten uitgekeerd. 3.5 Aan de verplichting verantwoording af te leggen voor de ten behoeve van [appellant] uitgekeerde PGB bedragen is geen uitvoering gegeven. 3.6 Bij de voor bezwaar vatbare eindafrekening van 31 januari 2011 is vastgesteld dat [appellant] het gehele door hem ontvangen PGB moet terugbetalen. 3.7 [appellant] heeft geen betalingen aan Menzis verricht. 4De vordering en beoordeling in eerste aanleg 4.1 Menzis heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 10.433,53 wegens hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2012, € 952,00 incl. btw aan buitengerechtelijke incassokosten, € 3.307,16 aan wettelijke rente tot 27 januari 2012 en de proceskosten. 4.2 De kantonrechter heeft geoordeeld dat de eindafrekening van 31 januari 2011 een zogeheten vaststellingsbeschikking is waartegen de rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep hebben open gestaan. De vaststellingsbeschikking is naar het adres verzonden waar [appellant] stond ingeschreven. De omstandigheid dat [appellant] naar zijn zeggen geen tijdig bezwaar heeft kunnen indienen, omdat de vaststellingsbeschikking hem niet heeft bereikt, komt naar het oordeel van de kantonrechter voor zijn rekening en risico, zodat de vaststellingsbeschikking na de bezwaartermijn van zes weken op 15 maart 2011 formele rechtskracht heeft gekregen. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van Menzis op 15 maart 2011 opeisbaar is geworden, zodat het beroep van [appellant] op verjaring wordt verworpen. Het verweer van [appellant] dat zijn moeder vanaf zijn 13e jaar een betalingsregeling met Menzis had en de schuld gedeeltelijk heeft afgelost, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom met nevenvorderingen toegewezen. 5De beoordeling in hoger beroep 5.1 [appellant] heeft in appel twee grieven ontwikkeld. In deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.5 dat het voor zijn rekening en risico komt dat hij de vaststellingsbeschikking van 31 januari 2011 niet heeft ontvangen en dat hij geen bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de vaststellingsbeschikking van 31 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.