GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden zittingsplaats Zwolle afdeling civiel recht zaaknummer 200.157.126/01 (zaaknummer rechtbank C/19/12/7 R) arrest van de derde civiele kamer van 27 november 2014 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J. Dekens, kantoorhoudende te Odoorn. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Assen, van 10 januari 2012 is ten aanzien van [appellant] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. 1.2 Bij vonnis van (zo leest het hof:) de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 30 september 2014 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd en is [appellant] van rechtswege in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper tot rechter-commissaris en mr. J. Knotter, advocaat te Emmen, tot curator. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 6 oktober 2014, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis van 30 september 2014 te vernietigen en primair opnieuw beslissende te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem van toepassing blijft en subsidiair te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem van toepassing blijft met verlenging van de periode van de regeling met een termijn van vier maanden, zijnde de periode van detentie van [appellant]. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief, met bijlage, van 13 oktober 2014 en de brief met bijlagen van 7 november 2014, beide van mr. Dekens. Van mr. J. Knotter, de curator, is een brief van 9 oktober 2014 ingekomen. Van mevrouw [X] (hierna: de bewindvoerder) is een brief met bijlagen van 22 oktober 2014 ingekomen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2014, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de bewindvoerder. Tevens was ter zitting de echtgenote van [appellant] als toehoorder aanwezig. De advocaat heeft ter zitting met toestemming van het hof nog twee stukken overgelegd. 3De beoordeling Het oordeel van de rechtbank 3.1.1 De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd op grond van het oordeel dat hij niet voldoet aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat hij door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Faillissementswet, hierna: Fw). 3.1.2 De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. "Als maatstaf voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de gronden, onder meer vermeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder c/d/f, heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Voor toepassing van de bedoelde opheffingsgronden is daarbij vereist dat het tekortschieten toerekenbaar is en geen sprake is van de situatie dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing moet blijven (HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:B10455 en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7459). Uit de overgelegde stukken, de voordracht (en) van de rechter-commissaris en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat saniet door het Ressortparket Arnhem-Leeuwarden (naar het hof begrijpt: het gerechtshof Arnhem Leeuwarden), locatie Leeuwarden, op 21 maart 2014 (het hof leest: 2 december 2013), wegens medeplegen van poging tot zware mishandeling, (mishandeling) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts is saniet (hoofdelijk met een mededader) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer van € 513,45, in die zin dat als de ene betaalt de ander is gevrijwaard. De rechtbank is van oordeel dat het plegen van een misdrijf niet verenigbaar is met de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling, omdat een saniet daarmee het risico aanvaardt dat hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, een taakstraf en/of tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij. Dit alles kan tot gevolg hebben dat de saniet tijdelijk niet beschikbaar is voor het verrichten van betaalde werkzaamheden en/of dat hij nieuwe schulden laat ontstaan. In de onderhavige zaak is niet alleen dit risico aanvaard, maar heeft zich dat risico ook verwezenlijkt, met alle gevolgen van dien. Zo heeft het UWV gedurende de detentie van saniet, van 29 april 2014 tot 22 augustus 2014, de uitkering stopgezet. Dat de benadeling van de crediteuren door een verlenging van de schuldsanering mogelijkerwijs kan worden beperkt of ongedaan gemaakt kan worden, doet aan het bovenstaande onvoldoende af om anders te oordelen. De rechtbank stelt hiermee dan ook vast dat saniet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven." Het beroep van [appellant] 3.2 [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft de volgende drie grieven geformuleerd. (I) [appellant] betreurt dat hij strafrechtelijk is veroordeeld en benadrukt dat de beschermingsbewindvoerder onverwijld in kennis is gesteld van de hechtenis van [appellant]. (II) Het verwezenlijkte risico na het plegen van een strafbaar feit (te weten dat [appellant] door detentie niet kan solliciteren, geen inkomen uit werk kan genereren en een schadevergoeding moet voldoen) speelt in casu geen rol. [appellant] heeft door zijn arbeidsongeschiktheid een ontheffing van de sollicitatieverplichting en de opgelegde schadevergoeding zal door zijn zoon, de mededader, volledig worden voldaan. Voorts is de boedelafdracht elke maand die hij in detentie doorbracht, betaald. (III) Zowel de echtgenote van [appellant] als de schuldeisers worden benadeeld bij een tussentijdse beëindiging van de regeling van [appellant]. De beschermingsbewindvoerder 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.