GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden zittingsplaats Zwolle afdeling civiel recht zaaknummer 200.157.906/01 (zaaknummer rechtbank C/18/14/158 F) arrest van de derde civiele kamer van 27 november 2014 inzake de besloten vennootschap [appellante] gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. H.K. Scholtens, kantoorhoudende te Emmeloord crediteur in het faillissement van [geïntimeerde] wonende te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] advocaat: mr. M.P.M. Fruytier, kantoorhoudende te Amsterdam. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 april 2014 is [geïntimeerde] – op diens verzoek - in staat van faillissement verklaard. Tot rechter-commissaris is benoemd mr. L.T. de Jonge, tot curator is aangesteld mr. H.J. Meijer, advocaat te Groningen. 1.2 Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 oktober 2014 is het door [geïntimeerde] aangeboden akkoord gehomologeerd. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, met bijlagen, binnengekomen bij de griffie van het hof op 16 oktober 2014, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis van 10 oktober 2014 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat het aangeboden akkoord geweigerd dient te worden. 2.2 Van [geïntimeerde] is op 14 november 2014 een verweerschrift met bijlagen ingekomen. 2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief van 16 oktober 2014, met bijlagen en het journaalbericht van 13 november 2014, met bijlage, beide van mr. Scholtens alsmede van het journaalbericht van 18 november 2014, met bijlagen, van mr. Fruytier. 2.4 Van de heer [X], crediteur in het faillissement van [geïntimeerde], is een brief van 12 november 2014, met bijlagen ingekomen. 2.5 De openbare mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2014, waarbij namens [appellante] zijn verschenen: de heer [Y] en zijn advocaat, [geïntimeerde] en zijn advocaat alsmede mr. Meijer (hierna: de curator). Beide advocaten hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van de aan het hof overgelegde pleitnotities. 2.6 Van de curator is - zoals ter zitting afgesproken - op 21 november 2014 nog een faxbericht ingekomen, houdende de kosten voor het hoger beroep. 3Vaststaande feiten Vaststaande feiten 3.1 [geïntimeerde] heeft op 23 april 2014 zijn faillissement aangevraagd en dat is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 april 2014 uitgesproken. In het verzoekschrift van [geïntimeerde] was reeds een voorstel voor een crediteurenakkoord opgenomen. 3.2 De totale schuld van [geïntimeerde] – op grond van de lijst erkende schuldeisers – is € 5.706,- (preferent) en € 870.074,- (concurrent). 3.3 De erkende schuldeisers van [geïntimeerde], die akkoord gaan, zijn (blijkens de hiervoor in 3.2 genoemde lijst): - De Belastingdienst, kantoor Zwolle (€ 5.706,-), - De coöperatieve Rabobank Noordoostpolder-Urk U.A, welke vordering is gecedeerd aan de heer [Z] (€ 22.724,-); - Fortis Bank (ABN AMRO), welke vordering is gecedeerd aan de heer [X] (€ 500.000,-); - De heer [Q] te [vestigingsplaats] (€ 3.600,-). 3.4 [appellante] is als enige schuldeiser niet akkoord. De erkende vordering van [appellante] bedraagt € 343.750,-. 3.5 Het aangeboden akkoord houdt onder meer in dat de schuldenaar aan zijn concurrente schuldeisers over hun vorderingen een percentage van 1% betaalt tegen door die schuldeisers aan hem te verlenen algehele en finale kwijting voor het onvoldaan gebleven gedeelte van hun respectievelijke vorderingen. Het bedrag dat gemoeid is met het afsluiten van het akkoord (inclusief de kosten van de curator) is gestort op de derdenrekening van de curator. 4De beoordeling Beroep van [appellante] 4.1 heeft - samengevat - aangevoerd dat op grond van artikel 153 lid 2 sub 1 en sub 3 Faillissementswet (hierna: Fw), dan wel artikel 153 lid 3 Fw de homologatie van het akkoord door de rechtbank geweigerd had moeten worden. Verweer van [geïntimeerde] 4.2 [geïntimeerde] heeft zich verweerd en heeft -samengevat - verzocht: primair: [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat de kosten van het geding, alsmede de kosten van de curator dienen te worden voldaan door de griffier van het hof; subsidiair het bestreden vonnis te bekrachtigen, [appellante] te veroordelen in de kosten van het geding, en [appellante] te veroordelen in de kosten van de curator, althans tot betaling van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] ten bedrage van de door de curator in rekening gebrachte en te brengen kosten in verband met het hoger beroep. Advies van de curator 4.3.1 De curator heeft op 29 augustus 2014 aan de rechtbank, bij verslag ex art. 137 Fw ten behoeve van de verificatievergadering van 2 september 2014 geschreven, alsmede ter verificatievergadering van 2 september 2014 en ter zitting bij de rechtbank van 7 oktober 2014 meegedeeld, dat hij zich kritisch heeft opgesteld ten aanzien van het door [geïntimeerde] gegenereerde inkomen, maar dat hij geen mogelijkheden ziet voor [geïntimeerde] om op korte termijn meer inkomen te verdienen. De curator acht het akkoord in het belang van de schuldeisers, omdat een alternatief in de visie van de curator ontbreekt. 4.3.2 In hoger beroep heeft de curator nog aangevuld dat [geïntimeerde], naar de mening van de curator, telkens alle benodigde informatie heeft verstrekt en op alle vragen en onduidelijkheden afdoende antwoord heeft gegeven. De indruk van de curator is dat er niet wordt gelogen of feiten worden verhuld. Voor zover hij bij de rechtbank heeft aangegeven dat hij in deze zaak twijfels had ten aanzien van de positie van [geïntimeerde] betrof dit de periode direct na aanvang van zijn werkzaamheden en zijn die twijfels inmiddels weggenomen. Dit kan [geïntimeerde] thans niet meer nagedragen worden, aldus de curator. Oordeel van het hof Ontvankelijkheid 4.4 [geïntimeerde] verzoekt primair [appellante] niet ontvankelijk te verklaren in haar beroep omdat er op 22 oktober 2014 door het hof een verklaring van non-appel is afgegeven. Omdat op 16 oktober 2014 (tijdig) hoger beroep is ingesteld tegen het bestreden vonnis is deze verklaring ten onrechte afgegeven door de Griffier van het Gerechtshof. Deze fout van het hof, hoe vervelend ook voor [geïntimeerde], kan echter niet met zich brengen dat [appellante], die geen enkel aandeel heeft gehad in deze fout, niet ontvankelijk zou zijn in haar hoger beroep, temeer niet nu de onterechte afgifte van de verklaring van non-appel voor [geïntimeerde] - niet tot onomkeerbare schade heeft geleid. [geïntimeerde] heeft van het hof een (verlengde) termijn gekregen voor het indienen van een verweerschrift, van welke mogelijkheid [geïntimeerde] ook gebruik heeft gemaakt. Het primaire verzoek van [geïntimeerde] zal het hof dan ook afwijzen. 4.5 Het hof is van oordeel dat de homologatie van het door [geïntimeerde] aangeboden akkoord op grond van artikel 153 lid 3 Fw moet worden geweigerd omdat de inhoud van het aangeboden akkoord bedenkingen oproept. Het hof stelt daarbij voorop dat: - de procedure over de homologatie van een akkoord niet moet worden gezien als een procedure op tegenspraak tussen partijen maar als een op een spoedige beslissing over het akkoord gerichte procedure; - de rechter daarin naar eigen inzicht zijn goedkeuring van het akkoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door de curator, de schuldeisers en de schuldenaar als hun standpunt naar voren is gebracht en - mitsdien ook niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast van toepassing zijn. 4.6 Voor de weigering van de homologatie acht het hof onder andere van belang hetgeen de rechter-commissaris heeft opgemerkt in haar rapport van 3 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.