GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.112.646/01 (zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 576894 CV 11-3118) arrest van de eerste kamer van 2 december 2014 in de zaak van [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. J. Kalisvaart, kantoorhoudend te Arnhem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [vestigingsplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. N.P.M. Haas, kantoorhoudend te Enschede. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 31 mei 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 augustus 2012, - de memorie van grieven, tevens akte wijziging eis, met een productie, - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante] luidt: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tussen partijen gewezen vonnis (…) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen om het bedrag van € 135.512,-, het bedrag dat appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan, aan appellante terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van betaling door appellante, te weten 6 juli 2012, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, onder bepaling dat geïntimeerde de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd wordt indien hij deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zal hebben voldaan, alsmede in de na het in dezen te wijzen arrest vallende kosten te begroten op € 131,- zonder betekening en een bedrag van € 199,- in geval van betekening van het in dezen te wijzen arrest, te voldoen binnen een door Uw Gerechtshof redelijk geachte termijn en, ingeval van nalatigheid van (tijdige) betaling van deze nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover." 3De feiten 3.1 Tegen de door de kantonrechter onder 1.1 tot en met 1.6 vastgestelde feiten is geen grief gericht. Ook overigens is niet van bezwaar tegen deze feitenvaststelling gebleken. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden deze feiten als volgt. 3.2 [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is op 1 mei 1989 in dienst getreden bij [appellante]. Aanvankelijk was zijn functie verkoper. Met ingang van 1 juli 2001 werd [geïntimeerde] hoofd verkoop van de afdeling projectinrichting, laatstelijk tegen een salaris van € 4.770,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten. In laatstgenoemde functie maakte [geïntimeerde] deel uit van het managementteam. 3.3 [appellante] legt zich toe op onder meer productie en verkoop van project- en kantoormeubilair. Haar enig directeur en aandeelhouder is [directeur] (hierna: directeur [appellante]). 3.4 Op 7 september 2007 heeft directeur [appellante] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij had besloten per direct de deelname van [geïntimeerde] aan het managementteam te beëindigen. [geïntimeerde] heeft zich daarop ziek gemeld. Per 24 september 2007 is [geïntimeerde] door de bedrijfsarts hersteld verklaard. 3.5 Bij brief van 11 september 2007 aan [geïntimeerde] heeft directeur [appellante] toegelicht wat hem tot het onder 3.4 bedoelde besluit bracht en de directeur heeft in dat verband verslag gedaan van zijn gesprekken met [geïntimeerde] op 4, 6 en 7 september 2007. Volgens directeur [appellante] hebben [geïntimeerde] en hij na afloop van het gesprek op 6 september, waarin directeur [appellante] onder meer heeft gezegd dat [geïntimeerde] onmiddellijk moest stoppen met "de [X] business club" waarna [geïntimeerde] zou hebben gezegd daar helemaal klaar mee te zijn en daar niets meer mee van doen te willen hebben, "elkaar de hand gegeven, geconstateerd dat het een constructief gesprek is geweest wat naar beiden toe een goed gevoel gaf" en afgesproken op 10 september een vervolggesprek te houden "om aan de besproken punten een exacte invulling te geven". [geïntimeerde] kwam echter op vrijdagochtend 7 september 2007 op het besprokene terug, meldde dat hij de eerstvolgende keer toch naar bedoelde club zou gaan en stelde dat directeur [appellante] hem een privélidmaatschap niet kon verbieden. "Voor mij was overduidelijk dat dit al meteen de eerste overtreding van de gemaakte afspraken was", aldus directeur [appellante], die daarop de onder 3.4 vermelde mededeling deed. 3.6 Op 14 september 2007 heeft directeur [appellante] schriftelijk aan [geïntimeerde] bericht dat hij tijdens de afwezigheid van [geïntimeerde] onder diens verantwoordelijkheid vallende projecten en acties heeft gevolgd. "Ik heb daar een aantal, wat ik maar noem, onregelmatigheden in aangetroffen waar ik nader onderzoek naar instel omdat zij mij met grote zorg vervullen. Eén van de uitkomsten van dat onderzoek is een brief van heden aan de jou bekende zakenrelatie, de heer [Y]. Een afschrift van die brief tref je bijgaand aan. (…) Teneinde tot een afgewogen oordeel te komen zou ik jouw visie op deze kwestie willen horen." [geïntimeerde] wordt uitgenodigd voor een gesprek op 18 september 2007. De brief besluit met de passage: "Mocht je zonder geldige reden niet verschijnen, dan zal je dat zeer ernstig kwalijk worden genomen. Eerlijk gezegd heb ik er een hard hoofd in, maar ik hoop dat jouw reactie voorkomt dat een streep wordt getrokken door het nog aan het slot van mijn brief van 11 september jl. uitgesproken voornemen." 3.7 [geïntimeerde] heeft bij e-mailbericht van 18 september 2007 de uitnodiging voor een gesprek die dag om gezondheidsredenen afgeslagen in afwachting van zijn herstel, maar zich bereid verklaard schriftelijke vragen schriftelijk te beantwoorden. Directeur [appellante] heeft dat voorstel bij e-mailbericht van diezelfde dag afgeslagen omdat hij spontane antwoorden in een open dialoog, met ruimte voor vervolgvragen wenste. 3.8 Bij brief van 21 september 2007 heeft directeur [appellante] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In deze ontslagbrief staat, voor zover van belang: "Zoals je weet heb ik o.a. naar het UPC project nader onderzoek gedaan. Dit spitst zich toe op de post "diversen inrichting" ter waarde van € 7000. De opdrachtgever heeft de post betaald, maar heeft er niets voor teruggekregen. (…) Thans heb ik de beschikking over een e-mail (van mei dit jaar) van jouw hand. Daarin constateer jij dat er nog een bedrag op het project openstaat. Je schrijft dat het bedrag wel is gefactureerd, maar dat er nooit iets voor is aangekocht. Vervolgens geef je de opdracht voor dat bedrag roldeurkasten en platen te kopen en af te leveren op het huisadres van de heer [Y]. Je vermeldt nog het nummer van de order van UPC te gebruiken. De heer [Y] heeft voor ontvangst getekend. Dat bedrag (van € 7000) kwam de heer [Y] niet toe, evenmin als de producten die hij ervoor gekregen heeft. Anders gezegd, de opdrachtgever die het bedrag wel heeft betaald is gewoonweg opgelicht. Voorts is op 24 februari 2006 door [appellante] een door haar vervaardigde en gefinancierde kostbare kast op het adres van dezelfde heer [Y] geïnstalleerd. Jij blijkt persoonlijk opdracht te hebben gegeven de kast niet te factureren. Ik moet daar toch uit afleiden dat je zonder toestemming of medeweten van mij de heer [Y] wederom, nu ten koste van [appellante], fors hebt bevoordeeld. Dan is er de GGD te Apeldoorn. Ik heb geconstateerd dat op de order een ongebruikelijk omschreven post 'diverse meubilair onderzoekskamer' staat. Die post had betrekking op een bank, die de GGD ook heeft ontvangen, maar óók op een stoel die jij op het huisadres van de adjunct directeur hebt laten afleveren. Mogelijk heeft die adjunct directeur daar zelf om gevraagd, maar dan nog had je natuurlijk moeten begrijpen dat de adjunct directeur zich aldus ten koste van de GGD verrijkte. Je weet hoeveel werk wij voor overheden doen en hoe gevoelig de positie van hun leidinggevenden, ook publicitair ligt. Ik neem je ernstig kwalijk dat je klakkeloos aan die verrijking hebt meegewerkt en deze mede mogelijk hebt gemaakt door de stoel niet separaat op de order te vermelden. Door overleg met mij hadden we op z'n minst kunnen proberen een fatsoenlijke oplossing te vinden, maar dat vond jij blijkbaar niet nodig. Op 11 september jl. heb ik je al geconfronteerd met forse kritiek. Daar komen nu de drie zaken bij, die ik, zelfs zonder die kritiek, zowel stuk voor stuk als in onderling verband dusdanig ernstig vind, dat ik de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang, op staande voet, beëindig." 3.9 Bij schrijven van 26 september 2007 is namens [geïntimeerde] de nietigheid van het ontslag ingeroepen. 3.10 Op vordering van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter te [vestigingsplaats] in kort geding bij vonnis van 9 november 2007 [appellante] veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 1 september 2007 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. [appellante] heeft het salaris over september en oktober 2007 op 15 november 2007 betaald. 3.11 Het CWI heeft op 20 november 2007 de door [appellante] gevraagde toestemming voor ontslag voor zover vereist geweigerd en [appellante] de suggestie gedaan om in overleg met werknemer de gerezen conflicten op te lossen. 3.12 Na het ontslag op staande voet heeft [appellante] recherchebureau [Z] onderzoek laten doen naar, kort gezegd, transacties waarbij [geïntimeerde] betrokken was geweest. [Z] heeft op 9 januari 2008 schriftelijk gerapporteerd. Ook heeft [appellante] op 29 november 2007 contact opgenomen met Arbodienst APAC te Veghel, waarna door arbeids- en organisatiedeskundige [Q] onderzoek is verricht dat uitmondde in een rapport van 6 februari 2008. De conclusie luidt dat verplicht doorgaan met elkaar voor geen van partijen raadzaam is. 3.13 Op verzoek van [appellante] is bij beschikking van 31 maart 2008 (hersteld op 10 april 2008) de arbeidsovereenkomst, zo die nog bestaat en voor het geval [appellante] het verzoek niet intrekt, ontbonden per 30 april 2008 waarbij aan [geïntimeerde] een vergoeding van € 110.000,- bruto ten laste van [appellante] is toegekend. [appellante] heeft geen gebruik gemaakt van haar intrekkingsbevoegdheid. 3.14 Op 3 december 2008 heeft directeur [appellante] bij de politie aangifte gedaan van verduistering door [geïntimeerde]. In het daarop gevolgde onderzoek, waarin [geïntimeerde] als verdachte is aangemerkt, heeft de rechter-commissaris op 1 april 2010, op verzoek van de advocaat van [geïntimeerde], een aantal getuigen gehoord, onder wie [getuige]. De strafzaak is onvoorwaardelijk geseponeerd. Het vervolgens door directeur [appellante] ingediende beklag tegen deze beslissing is door het gerechtshof Leeuwarden ongegrond verklaard. 4De vordering en beoordeling in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft, kort weergegeven, gevorderd voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet van 21 september 2007 nietig is en de arbeidsovereenkomst dus door ontbinding op 30 april 2008 is geëindigd, zodat hem de ontbindingsvergoeding met wettelijke rente toekomt. Voorts heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op € 4.229,19 wegens wettelijke verhoging over het pas op 15 november 2007 betaalde salaris over september en oktober, met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 november 2007. 4.2 De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. 5. De beoordeling in hoger beroep 5.1 Het hof constateert dat [appellante], als gedaagde in eerste aanleg, geen eis kan wijzigen. Zij heeft in hoger beroep aanspraak gemaakt op restitutie van datgene wat zij op basis van het veroordelende vonnis heeft betaald, en die restitutievordering bij memorie van grieven geconcretiseerd. [geïntimeerde] heeft vervolgens de omvang van die, van de afloop van deze appelprocedure afhankelijke, restitutievordering niet betwist, zodat het hof van het genoemde bedrag zal uitgaan, mocht restitutie aan de orde komen als gevolg van gehele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, waarvan beroep. 5.2 In grief I betoogt [appellante] dat de kantonrechter de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen ten onrechte heeft beperkt tot de drie gebeurtenissen in de onder 3.8 weergegeven brief van 21 september 2007, terwijl de arbeidsrelatie met [geïntimeerde] al eerder onder druk is komen te staan, zoals blijkt uit de kritiek in de onder 3.5 aangehaalde brief van 11 september 2007 waarnaar in de ontslagbrief is verwezen. Volgens grief II moet, anders dan de kantonrechter oordeelde, ook rekening worden gehouden met zes andere daden of gedragingen van [geïntimeerde], die [appellante] ten tijde van het ontslag bekend waren en die zij niet direct aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, maar die de wel aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen kleuren. 5.3 Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de te toetsen grond voor het verleende ontslag op staande voet wordt bepaald door de gelijktijdig met het ontslag opgegeven redenen die aanleiding vormen voor dat ontslag. Redenen die niet bij dat ontslag zijn meegedeeld blijven bij de beoordeling in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:1985:AG5023, ECLI:NL:HR:1991:ZC0151 en -met toepassing van artikel 81 RO- ECLI:NL:HR:2011:BP5606). Het moet voor [geïntimeerde] duidelijk zijn geweest welke eigenschappen of gedragingen tot het ontslag hebben geleid, zodat hij zich aan de hand daarvan kon beraden op zijn positie (vgl. recent nog HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126). Naar het oordeel van het hof volgt uit de laatste twee zinnen van overweging 3.8, afkomstig uit de ontslagbrief, niet dat [appellante] de kritiekpunten in de brief van 11 september 2007 op zichzelf aanmerkte als gronden die een dringende reden vormden voor het gegeven ontslag op staande voet. De 'zes andere daden/gedragingen' waar [appellante] op doelt (en waarvan zij stelt dat deze haar bij ontslagverlening al bekend waren), zijn niet in de ontslagbrief neergelegd. [appellante] heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat het [geïntimeerde] bij ontslagverlening duidelijk moest zijn dat ook deze zes verweten gedragingen grond voor het ontslag waren. De kantonrechter heeft zich bij het antwoord op de vraag of sprake was van een dringende reden voor ontslag dan ook kunnen en moeten beperken tot de drie wel als zodanig aangemerkte en specifiek omschreven gedragingen, zowel afzonderlijk als in onderling verband. 5.4 Het hof verwerpt het betoog van [appellante] dat rekening gehouden moet worden met de hiervoor bedoelde, haar bij ontslag reeds bekende, zes andere gedragingen van [geïntimeerde] die kleur zouden geven aan de drie daden die wel aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. In het onderhavige geval is geen sprake van een algemeen geformuleerde ontslaggrond die met nadere feiten kan worden onderbouwd, maar van drie concreet omschreven activiteiten die grond waren voor ontslag op staande voet. De zes andere verwijten zien op andere concrete transacties die volgens [appellante] niet door de beugel konden, hetgeen [geïntimeerde] overigens betwist. Die zes verwijten vallen daarmee buiten de meegedeelde gronden voor het ontslag. 5.5 In de toelichting op de eerste grief heeft [appellante] nog aangevoerd dat zij alle omstandigheden van het geval heeft afgewogen voordat zij tot ontslag overging, dat de kantonrechter zulks heeft miskend en ten onrechte haar aanbod heeft gepasseerd om dit met getuigen te bewijzen. [appellante] ziet met deze opvatting naar het oordeel van het hof over het hoofd dat eerst moet komen vaststaan dat de door haar opgegeven grond of gronden voor het ontslag op staande voet, ondanks betwisting door [geïntimeerde], feitelijk wel juist zijn -stelplicht en bewijslast daarvan rusten op [appellante], die zich op die gronden beroept- alvorens wordt beoordeeld of zij ook als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW hebben te gelden. Bij die tweede vraag dienen alle omstandigheden van het geval te worden afgewogen en mag niet alleen worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (ECLI:NL:HR:2000:AA4436 en ECLI:NL:HR:2012:BV9532). Bij die tweede vraag is overigens niet voldoende dat de werkgever zich rekenschap heeft gegeven van alle omstandigheden. Het resultaat van de afweging, te weten dat ontslag op staande voet gerechtvaardigd is, moet in geval van betwisting door de werknemer ook nog juist bevonden worden. 5.6 Het hof zal nu eerst de grieven III, IV en VI bespreken, met welke grieven [appellante] concreet opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen van de drie aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen als dringende reden voor ontslag kunnen gelden, ook niet gezamenlijk. Deze drie gedragingen betreffen: a. een Chaplinstoel van het merk Montis, deel van een bestelling van de GGD te Apeldoorn, welke stoel [geïntimeerde] op verzoek van de adjunct directeur van de GGD op haar huisadres heeft laten bezorgen; b. levering van een roldeurkast en 25 underlaymentplaten aan [Y]; c. een door [appellante] geproduceerde kledingkast, welke [geïntimeerde] als geschenk heeft laten afleveren bij de woning van [Y] en waarvan de waarde inclusief montage € 4.920,48 bedroeg. 5.7 Met betrekking tot de Chaplinstoel luidt het verwijt dat [geïntimeerde], in de wetenschap hoeveel werk [appellante] voor overheden doet en hoe (ook publicitair) gevoelig de positie van hun leidinggevenden ligt, had moeten begrijpen dat de adjunct directeur zich met de thuis afgeleverde stoel ten koste van de GGD verrijkte, ook als zij om aflevering aan huis heeft gevraagd. [geïntimeerde] heeft dat mede mogelijk gemaakt door op de order de stoel niet separaat te vermelden, maar "diverse meubilair onderzoekskamer", waaronder ook een bank viel die wel bij de GGD is afgeleverd. De kantonrechter heeft overwogen dat vast stond dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.