GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.131.130 (zaaknummer rechtbank Limburg 508508) arrest van de pachtkamer van 16 december 2014 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam], appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: [appellant], advocaat: mr. B. Nijman, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MVJ Ontwikkelingen B.V., gevestigd te Echt, gemeente Echt-Susteren, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna: MVJ, advocaat: mr. J.E. Brands, 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 5 juni 2013 dat de pachtkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, tussen [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en MVJ als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 juli 2013, - de memorie van grieven, tevens van wijziging van eis, - de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep, - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, - de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. 2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven onder 2 van het bestreden vonnis. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het gaat in dit geding kort samengevat over het volgende. MVJ heeft in september 2008 van [appellant] percelen los land gekocht om te dienen als ruilgrond. [appellant] heeft MVJ verzocht om de gronden nog een tijd te mogen gebruiken. Aan [appellant] is destijds een pachtovereenkomst voor de periode van 1 december 2008 tot 1 december 2009 aangeboden in de vorm van een reguliere pachtovereenkomst. Deze overeenkomst is ter goedkeuring verzonden naar de Grondkamer Zuid en bij beschikking van 14 september 2012 (verzonden op 3 oktober 2012) goedgekeurd. In het daartegen gerichte hoger beroep van [appellant] heeft de Centrale Grondkamer bij beschikking van 19 december 2012 de bestreden beschikking bevestigd. 4.2 In de zomer van 2009 heeft tussen MVJ en [appellant] telefonisch contact plaatsgevonden over een nieuwe pachtovereenkomst. [appellant] is de gronden na 1 december 2009 blijven gebruiken. 4.3 In eerste aanleg heeft MVJ – kort samengevat – gesteld dat het gebruik vanaf 30 november 2009 tot de dag van ontruiming onrechtmatig is en dat [appellant] aansprakelijk is voor de door MVJ geleden schade. Deze bestaat uit financieringsschade van € 115,58 per dag. Tot 1 december 2012 is een schadebedrag ter grootte van € 126.562,50 aan de orde. [appellant] heeft verweer gevoerd. In reconventie heeft hij aangevoerd dat partijen in juni 2009 voor de periode van 1 december 2009 tot en met 31 oktober 2010 een nieuwe pachtovereenkomst zijn aangegaan en daarvan vastlegging gevorderd. De pachtkamer heeft in conventie geoordeeld dat niet vast staat dat de schade door het niet laten liggen van het land is veroorzaakt omdat niet vast staat dat MVJ de grond eerder had kunnen ruilen en van de hand had kunnen doen. In reconventie heeft de pachtkamer geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij vastlegging. De vorderingen in conventie en in reconventie zijn afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. 4.4 De grieven I tot en met IV in het principaal hoger beroep leggen in de kern aan het hof voor de vraag of tussen partijen een nieuwe pachtovereenkomst is gesloten, ingaande 1 december 2009, dan wel of de tot dan toe geldende overeenkomst nog voortduurde. [appellant] stelt dat hij met MVJ mondeling, tijdens een telefoongesprek in juni 2009, een (voorwaardelijke) pachtovereenkomst is overeengekomen. Uit een brief van MVJ van 15 september 2009 blijkt dat ook MVJ ervan uitgaat dat een nieuwe pachtovereenkomst is gesloten omdat MVJ in die brief aanspraak maakt op betaling van de pachtprijs, aldus [appellant]. 4.5 Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat tussen partijen in juni 2009 telefonisch is gesproken over een nieuwe pachtovereenkomst. Niet staat vast dat toen over de aard van die pachtovereenkomst, een reguliere of geliberaliseerde pachtovereenkomst, is gesproken. Vervolgens heeft MVJ [appellant] bij brief van 24 juni 2009 een schriftelijke pachtovereenkomst toegestuurd ex artikel 7:397 BW (een zogenoemde geliberaliseerde pachtovereenkomst). [appellant] heeft dit schriftelijke aanbod van MVJ niet aanvaard. 4.6 Het hof leidt uit de vorderingen van [appellant] af dat hij ervan uitgaat dat partijen mondeling een reguliere pachtovereenkomst hebben gesloten. Of dat ook het geval is, moet beoordeeld worden op de voet van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Het komt er dan op aan of [appellant] er gerechtvaardigd van uit mocht gaan dat MVJ met hem een reguliere pachtovereenkomst (voor de duur van één jaar, althans tot 1 november 2010) heeft willen aangaan. Dat is onvoldoende onderbouwd. Weliswaar had MVJ [appellant] eerder een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar toegestuurd maar dat brengt niet mee dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat MVJ met hem een tweede keer een reguliere pachtovereenkomst voor beperkte duur wilde aangaan. In juni 2009 was partijen vanwege de lopende procedure bij de grondkamer over de eerste pachtovereenkomst immers al duidelijk dat voor een reguliere overeenkomst voor een kortere dan de wettelijke duur goedkeuring van de grondkamer was vereist. De mondelinge bereidheid van MVJ de gronden nogmaals voor één jaar aan [appellant] te verpachten, mocht [appellant] dan ook redelijkerwijs niet opvatten als een aanbod tot het aangaan van (wederom) een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van een jaar. Veel meer voor de hand zou immers liggen dat MVJ, gelet op de lopende procedure bij de grondkamer, voor een vorm zou kiezen waarbij zeker zou zijn dat na afloop van de overeengekomen periode aan het gebruik een einde zou komen. Dit kan eenvoudiger bewerkstelligd worden met een geliberaliseerde pachtovereenkomst. Deze keuze heeft MVJ ook gemaakt blijkens haar brief van 24 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.