GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.159.202/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 3234598 VV EXPL 14-88) arrest in kort geding van de eerste kamer van 17 februari 2015 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in het principale appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen, kantoorhoudend te Almelo, tegen Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: SVB, advocaat: mr. G.C. Kruijswijk, kantoorhoudend te Bergen. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis in kort geding van 9 september 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, team kanton en handelszaken, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter). 2Het verloop van het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] is bij dagvaarding met producties van 6 oktober 2014, hersteld bij exploot van 30 oktober 2014, van het vonnis in hoger beroep gekomen. In de dagvaarding van 6 oktober 2014 zijn de grieven tegen het vonnis opgenomen. Vervolgens zijn de volgende processtukken genomen: - de conclusie van eis in hoger beroep; - de memorie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in incidenteel appel, met producties; - de memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie. SVB heeft op de door [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel overgelegde productie niet kunnen reageren. Zoals hierna zal blijken wordt SVB daardoor niet in haar belangen geschaad. [appellant] heeft het procesdossier overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald. 2.2 De vordering van [appellant] in het principale appel luidt: “bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Overijssel (….) te vernietigen, en (….) bij arrest in hoger beroep en in kort geding (….): I. te bevelen appellant binnen vijf dagen na het in deze te wijzen vonnis te werk te stellen in de bedongen arbeid in de functie van [functie 1], of de overeenkomende werkzaamheden na doorgevoerde aanpassingen en wijzigingen in de organisatie van gedaagde, het Zelfstandig Bestuursorgaan Sociale Verzekeringsbank, danwel passende werkzaamheden, in het kader van een werkweek van 36 uur, tegen betaling van een aan het salaris gelijk bedrag van € 3.136 bruto, exclusief 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, te verhogen op grond van de wet of toepasselijke arbeidsvoorwaarden of rechtspositieregeling, per maand, tot het moment dat in hoogste instantie is beslist in de bodemzaak omtrent de vraag of er sprake is van een kennelijk onredelijk gegeven ontslag; II. geïntimeerde te veroordelen aan appellant te betalen van een aan het salaris gelijk bedrag van € 3.136,00 bruto, exclusief 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, te verhogen op grond van de wet of toepasselijke arbeidsvoorwaarden of rechtspositieregeling, over de periode vanaf 1 juni 2014 tot het moment dat de heer [appellant] wederom wordt toegelaten tot zijn arbeid, of de overeenkomende werkzaamheden na doorgevoerde aanpassingen en wijzigingen in de organisatie, dan wel passende arbeid bij het Zelfstandig Bestuursorgaan Sociale Verzekeringsbank; III. met de bepaling dat geïntimeerde bij niet-naleving van het onder I en II gevorderde een dwangsom zal verbeuren van € 2.500,00 voor iedere dag dat geïntimeerde nalatig blijft om na betekening aan dit vonnis te voldoen, en dit alles totdat de rechtbank bij eindvonnis in het onderhavige geschil zal hebben beslist; IV. geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder (I) tot en met (III) genoemde salaris (bestanddelen) vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; V. geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gemaakte werkelijke juridische kosten gezien de bijzondere omstandigheden van het geval zoals hiervoor in het lichaam van de dagvaarding beschreven, ten bedrage van € 3.500,00 dan wel de incassokosten ad € 932,00 gebaseerd op het Rapport Voorwerk II; VI. geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen (….) in beide instanties.” 2.3 SVB heeft in het principale en incidenteel appel geconcludeerd: “bij arrest het vonnis van de rechtbank Overijssel (….) te bekrachtigen behoudens ten aanzien van de kostenveroordeling met veroordeling bij arrest uitvoerbaar bij voorraad van [appellant] in de kosten van het geding in eerste en tweede aanleg inclusief de nakosten.” 2.4 In de memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd: “SVB niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar opgestelde grief in het incidenteel appel, althans haar de daarmee verband houdende vordering te ontzeggen. Tevens SVB te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van het nasalaris, alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf acht dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest.” 3De feiten 3.1 Onder het kopje “de feiten” heeft de kantonrechter enige feiten vastgesteld waartegen geen grief is gericht. Ten behoeve van de beoordeling van het geschil zal het hof de vaststaande feiten, mede aan de hand van de overgelegde en niet weersproken stukken, uitvoeriger weergeven. De feiten zijn als volgt. 3.2 [appellant], geboren op [geboortedatum], heeft in de periode vanaf 1986 tot en met 1993 bij SVB gewerkt. Na een onderbreking van ruim 5 jaar is hij op [in] 1999 opnieuw bij SVB in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam als [functie 2] voor 36 uur per week tegen een salaris van € 3.136,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. 3.3 In de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn de CAO voor de Sociale Verzekeringsbank en het Handboek Sociale Zaken - kennelijk nadien geheten Handboek Human Resources - van toepassing verklaard. In hoofdstuk 21van dat handboek wordt het beoordelingssysteem beschreven, waaronder de procedures die de werknemer kan volgen als hij het met een beoordeling niet eens is. 3.4 [appellant] krijgt bij brief van 17 augustus 2010 een berisping voor het ten onrechte verwijderen van relevante documenten uit een dossier, het ten onterechte afboeken van een vordering en het niet afhandelen van een klacht. 3.5 In zowel 2010 als 2011 wordt het functioneren van [appellant] door SVB aan de hand van het beoordelingsformulier beoordeeld en een eindscore van een 3 (matige prestatie) gegeven. Bij de beoordeling over 2011 is een uitvoerige toelichting van zijn toenmalige leidinggevende [leidinggevende 1] gevoegd. 3.6 Op 26 oktober 2012 houdt SVB met [appellant] een voortgangsgesprek. Afgesproken wordt dat [appellant] een plan van aanpak opstelt, waarin [appellant] aangeeft hoe hij zijn integriteit verbetert, zijn kennis van de gewijzigde Algemene Kinderbijslag Wet (AKW) op peil brengt en hoe hij een balans tussen zijn werkzaamheden met betrekking tot de AKW en de Algemene Ouderdomswet vindt. In het vervolgens door [appellant] opgestelde plan van aanpak van 30 november 2012 geeft hij onder meer aan dat hij zijn dagindeling aanpast en zijn werk zodanig zal organiseren dat er geen verwijtbare overschrijdingen in de werkvoorraad komen. Kort nadien wordt op 12 december 2012 met [appellant] een beoordelingsgesprek gehouden. Blijkens het door SVB ingevulde beoordelingsformulier is het functioneren van [appellant] in 2012 met een eindscore van een 2 (slechte prestatie) beoordeeld. 3.7 Op 21 juni 2013 voert [leidinggevende 1] met [appellant] een gesprek over (onder meer) de vraag waarom hij zijn AKW werkzaamheden niet oppakt. In het door [leidinggevende 1] opgestelde gespreksverslag wordt opgemerkt dat hij er geen vertrouwen meer in heeft dat [appellant] het AKW werk gaat oppakken en zich daarmee ontwikkelt tot een volwaardig medewerker [functie 2]. Het vervolggesprek vindt op 26 augustus 2013 plaats. In het door [leidinggevende 1] opgestelde en door [appellant] voor gezien getekende verslag is onder meer opgenomen: “In dit gesprek gevraagd wat maakt dat hij afspraken niet nakomt. Ik heb grote twijfel uitgesproken of hij zich wel wil ontwikkelen. Hij geeft echter aan dat hij dit wel wil (…) Ik heb vervolgens gezegd dat wanneer hij er voor wil gaan dat we dit dan volgens een PvA gaan doen waarin duidelijk is gesteld wat er van hem verwacht wordt en dat dit niet eenvoudig zal worden. (…) Het plan van aanpak is inmiddels aan [appellant] toegezonden. Ik heb daarbij duidelijk gemaakt dat wanneer de afspraken zoals ze in het plan van aanpak staan beschreven, niet nagekomen worden, dat dan ontslag zal volgen.” 3.8 Op 6 november 2013 heeft [appellant] een evaluatiegesprek met zijn nieuwe leidinggevende, [leidinggevende 2] (locatiemanager). In het verslag van dat gesprek is onder meer opgenomen: “[appellant] geeft aan dat hij zich realiseert dat in zijn functioneren zaken geconstateerd zijn die leiden tot de conclusie dat hij onvoldoende functioneert, dat hij de in het verleden gemaakte afspraken niet in voldoende mate na is gekomen en nakomt en dat de consequentie daarvan een eenzijdig ontslag zal zijn. (….). Vrijwel al zijn resultaten (uitstroom, integraliteit, kwaliteit, doorloopsnelheid) lopen achteruit. Zijn voorraad neemt toe, gevallen blijven langer dan afgesproken hangen. Het feit dat hij de afspraken daarmee niet nakomt, maakt dat ik verwacht had dat hij aan de bel zou trekken. [appellant] erkent dat hij dit had moeten doen en niet gedaan heeft. (…) Niet alleen in de AKW (waarin [appellant] naar zijn zeggen een kennisachterstand heeft) gaan deze zaken mis. Ook in de voor hem bekend veronderstelde AA gaan dezelfde zaken mis. (…..) Er wordt vastgesteld dat het op dit moment niet goed gaat en dat er verandering moet komen, omdat anders de consequentie dat er ontslag volgt onontkoombaar is. (…).” 3.9 Bij afwezigheid van locatiemanager [leidinggevende 2] vindt op 3 december 2013 een gesprek tussen [X] (operationeel manager) en [appellant] plaats. In het gespreksverslag is onder meer opgenomen: “Er is een lichte ontwikkeling zichtbaar in de productiviteit en integraliteit. (…) De hoeveelheid afkeuringen nemen helaas niet af. (…). [X] confronteert [appellant] met de bijgevoegde bijlage. (…) [appellant] geeft aan het eens te zijn met deze bevindingen. (...) De afspraak om de dag te beginnen met de AKW is helaas ook niet nagekomen. (…). [X] spreekt zijn zorg uit over zijn (hof: [appellant]) toekomst.” 3.10 Bij brief van 19 december 2013 wijst SVB [appellant] erop dat hij zonder toestemming van zijn leidinggevende verlof heeft opgenomen. [appellant] wordt gesommeerd vrijdag 20 december 2013 zijn werkzaamheden te hervatten bij gebreke waarvan een disciplinaire maatregel zal worden opgelegd en een dag op zijn verloftegoed in mindering zal worden gebracht. Aan deze sommatie geeft [appellant] gevolg waardoor een door hem gepland bezoek aan zijn huisarts wordt afgezegd. 3.11 [appellant] heeft op 15 januari 2014 een gesprek met [X] en [leidinggevende 2]. Uit een in verband met dit gesprek door [X] en [leidinggevende 2] opgestelde notitie d.d. 16 januari 2014 blijkt dat bij een beoordeling over het functioneren van [appellant] in 2013 een 2 als eindscore zou worden gegeven. Voor SVB is het doel van het gesprek de gevolgen te bespreken van het onvoldoende functioneren van [appellant]. Het besprokene bevestigt SVB bij brief van 15 januari 2014: “ Security awareness: De heer [X] deelt mee dat hij recentelijk van verschillende kanten signalen heeft ontvangen dat er door u en een collega van u, over en weer, onder elkaars account is gewerkt. (…) U erkent dat u dossiers die over de normeinddatum zouden gaan voor de betreffende collega heeft behandeld. U bent daartoe fysiek op de plek van de betreffende collega gaan zitten en heeft onder het account van de collega dossiers afgerond. (…) De SVB kwalificeert uw handelwijze als een ernstige overtreding van haar integriteitsregels. (...) Functioneren: De heer [X] deelt mee dat hij heeft moeten vaststellen op basis van de over uw functioneren beschikbare informatie dat uw functioneren als serviceteammedewerker in de afgelopen 4 jaren als onvoldoende is beoordeeld. (…..) Dit heeft ertoe geleid, dat u tot nader order met ingang van heden vrijgesteld bent voor het verrichten van werkzaamheden voor de SVB met behoud van loon c.a. Uitnodiging gesprek op 20 januari 2014 (….) Het streven van de SVB is er allereerst op gericht om eventuele mogelijkheden te beproeven om langs minnelijke weg te komen tot beëindiging van uw arbeidsovereenkomst met de SVB. (….)” 3.12 Op 20 januari 2014 vindt het in de brief van 15 januari 2014 aangekondigde vervolggesprek plaats. SVB heeft [appellant] bij brief van 20 januari 2014 - per abuis gedateerd 15 januari 2014 - over het die dag besprokene bericht en in die brief tevens een beëindigingsvoorstel opgenomen. 3.13 Mr. [gemachtigde], de toenmalige gemachtigde van [appellant], laat bij uitvoerig e-mailbericht van 24 januari 2014 onder meer weten dat verondersteld wordt dat op 20 januari 2014 ook over een beëindigingsvergoeding is gesproken. Verder vraagt mr. [gemachtigde] naar de regeling over de bovenwettelijke uitkering. SVB zendt bij brief van 28 januari 2014 de bij SVB geldende bovenwettelijke werkloosheidsregeling toe. Voorts meldt SVB dat op de bespreking van 15 januari 2014 niet over een beëindigingsvergoeding is gesproken en dat SVB daartoe ook niet bereid is. Na enige e-mailwisseling zendt SVB bij e-mailbericht van 4 maart 2014 een concept vaststellingsovereenkomst en het indicatieve overzicht van het Werk naar Werk (Wnw)-traject van het mobiliteitscentrum Perspectief. Nadat een reactie uitblijft laat SVB bij e-mailbericht van 19 maart 2014 weten dat een reactie op uiterlijk 26 maart 2014 tegemoet wordt gezien. 3.14 Bij brief van 31 maart 2014, per koerier en e-mailbericht verzonden, heeft SVB het dienstverband met [appellant] tegen 1 juni 2014 opgezegd. In de brief is onder meer opgenomen: “De reden van het ontslag uit de dienst van de SVB is gelegen dat u reeds geruime tijd onvoldoende functioneert als [functie 1]. Ondanks begeleiding en ondersteuning van de zijde van de SVB bent u er niet in geslaagd uw functioneren structureel en wezenlijk te verbeteren. (…..) Een andere voor u passende functie binnen de SVB is thans niet beschikbaar en zal evenmin binnen afzienbare termijn beschikbaar komen. (….) Gelet op de publiekrechtelijke status van de SVB, is op grond van artikel 2 van het BBA jo artikel 34 van de wet SUWI, geen ontslagvergunning vereist voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. De SVB heeft aldus voor opzegging van de arbeidsovereenkomst geen toestemming nodig van het UWV Werkbedrijf. De SVB zal u aanmelden bij het Landelijk Mobiliteits Centrum van de SVB, Perspectief. Een van de medewerkers van bureau Perspectief zullen contact met u opnemen voor het maken van een afspraak om het begeleidingstraject van-werk-naar-werk op te starten.” 3.15 Mr. [gemachtigde] reageert alsnog bij e-mailbericht van 1 april 2014 op de toegezonden concept-vaststellingsovereenkomst en doet enige wijzigingsvoorstellen. SVB gaat bij brief van 15 april 2014 in op de in het e-mailbericht van 1 april 2014 genoemde punten. SVB verklaart zich bereid de door haar gedane opzegging van het dienstverband tegen 1 juni 2014 in te trekken als [appellant] onvoorwaardelijk instemt met de gewijzigde vaststellingsovereenkomst. Vervolgens wendt [appellant] zich tot zijn huidige advocaat, die de SVB bij e-mailbericht van 25 april 2014 laat weten dat hij het voorstel van SVB te mager vindt en dat de grondslag voor de beëindiging van het dienstverband ontbreekt. SVB trekt bij brief van 29 april 2014 haar beëindigingvoorstel in en laat weten vast te houden aan de opzegging van het dienstverband tegen 1 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.