Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003048-14 Uitspraak d.d.: 25 februari 2015 TEGENSPRAAK Promis Arrest van de economische kamer gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2014 met parketnummer 05-701173-12 in de strafzaak tegen [verdacht bedrijf], gevestigd te [plaats], [adres]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. A. Klaassen, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 1 juni 2011 te [plaats], als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voornoemde wet en/of de daarop berustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar in haar, verdachtes, onderneming, op een arbeidsplaats, te weten een loods op het bedrijfsterrein aan de [adres], door een werknemer ([slachtoffer]) arbeid heeft laten verrichten, bestaande uit het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan een defect ventiel van de (nood)daalvoorziening van een schaarhoogwerker, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werden voormelde reparatiewerkzaamheden aan die schaarhoogwerker, zijnde een arbeidsmiddel, uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos gemaakt, terwijl, voor zover het uitschakelen of drukloos maken niet mogelijk was, er ook geen andere doeltreffende maatregelen genomen waren om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, (zoals het aanbrengen van een borging tussen de scharen of tussen de chassisbalken en de werkbak van die schaarhoogwerker, ter voorkoming van het ongewild in beweging komen/blijven van bewegende delen van de machine en het voorkomen van knelgevaar voor personen daarbij), terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer van haar werknemers ontstond of te verwachten was. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij -kort gezegd- betoogd dat geen sprake is van een relatie tussen een werkgever en werknemer in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet), dat niet kan worden gesproken van overtreding van het bepaalde in artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) en evenmin van toerekening van de verboden gedraging aan verdachte. Het verweer zal hierna per onderdeel verder uitgewerkt en beoordeeld worden. Oordeel hof Het hof stelt vier punten voorop. - Het hof verenigt zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank voor wat betreft de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren. Daarom zal het hof de overwegingen van de rechtbank hierna voor een groot deel overnemen. Daar waar het een aanvulling op de overwegingen van de rechtbank betreft, zal dat expliciet worden aangegeven. - Het hof zal de onderhavige zaak en de gevoerde verweren mede beoordelen tegen de achtergrond van de strekking van de Arbowetgeving. De bedoeling van deze wetgeving is dat de werkgever ervoor zorg dient te dragen dat werknemers op een veilige manier hun werk kunnen uitvoeren. De werkgever dient ook preventieve doeltreffende maatregelen te treffen om werknemers veilig te kunnen laten werken. - Het hof begrijpt de tenlastelegging zo dat onder ‘doeltreffende maatregelen’ ook dient te worden verstaan het opmaken van een risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) met een bijbehorend plan van aanpak, het houden van toezicht op de door werknemers te verrichten werkzaamheden en het geven van instructies aan werknemers met betrekking tot veiligheid, zodat zij op een veilige manier kunnen werken. - Verdachte is een rechtspersoon. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon conform artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt is dat de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: 1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; 2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; 3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; 4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. De feiten Het hof gaat -met de rechtbank- uit van de volgende feiten. Waar in het navolgende sprake is van een verklaring van [bestuurder bedrijf] wordt bedoeld de verklaring van [bestuurder bedrijf] als vertegenwoordiger van de rechtspersoon. [verdacht bedrijf] (hierna: verdachte) is sinds 1999 gevestigd in een loods op het bedrijfsterrein aan de [adres] te [plaats]. Verdachte had op 1 juni 2011 elf werknemers in loondienst. De hoofdactiviteit van verdachte bestaat uit het repareren, ontwikkelen en bouwen van machines (waaronder schaarhoogwerkers) ten behoeve van de boomkwekerij. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) was niet in loondienst van verdachte, maar verrichtte wel werkzaamheden in het bedrijf van verdachte. Op 1 juni 2011 verrichtte [slachtoffer] in de loods van verdachte werkzaamheden aan een defect ventiel van de nooddaalvoorziening van een in aanbouw zijnde schaarhoogwerker die getest moest worden. [slachtoffer] had de opdracht gekregen van de chef van de werkplaats, [chef werkplaats] (hierna: [chef werkplaats]), om naar het ventiel te kijken en het probleem op te lossen, omdat de werkbak (het hefplateau) van de schaarhoogwerker bleef zakken, terwijl dit niet de bedoeling was. Het nooddaalventiel, waar een bedieningsknop op zit, dient ertoe om -wanneer geen gebruik kan worden gemaakt van de bedieningsconsole in de werkbak- de werkbak te kunnen laten zakken door aan de knop te trekken. Wanneer de knop losgelaten wordt, is het de bedoeling dat de daalbeweging van de werkbak stopt. Het nooddaalventiel bevindt zich boven het onderstel (het chassis) van de schaarhoogwerker, op de hefcilinder. [slachtoffer] heeft het ventiel uit elkaar gehaald, weer in elkaar gezet en heeft toen, om het nooddaalventiel te testen, aan de bedieningsknop getrokken door zijn arm tussen de scharen door te steken, waarbij hij zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de werkbak bevond. De hoogte van de werkbak bevond zich toen op 40 centimeter van het chassis. Omdat het nooddaalventiel niet goed functioneerde, is de werkbak tijdens het testen blijven zakken en is [slachtoffer] met zijn hoofd bekneld geraakt tussen het onderstel en de werkbak. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer] uitgebreid hersenletsel opgelopen waaraan hij is komen te overlijden. Tijdens het testen van het nooddaalventiel stond de motor van de schaarhoogwerker uit. De hoogwerker was niet drukloos gemaakt. [slachtoffer] had geen borging aangebracht tussen de scharen of de chassisbalken en de werkbak van de schaarhoogwerker. Werkgever en werknemer Was verdachte werkgever? De raadsman heeft betoogd dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen verdachte en [slachtoffer] en dat daarmee niet gesproken kan worden van een werkgever en werknemer in de zin van de Arbowet. [slachtoffer] was een zelfstandige in de zin van artikel 1 lid 3 onder k van de Arbowet en verdachte was opdrachtgever -in de zin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek- in plaats van werkgever. Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt. Vast staat dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [slachtoffer] als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, sub 1 van de Arbowet, en dat ook geen sprake was van de situatie als bedoeld in dit artikel onder lid 1 onder a, sub 2. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van een werkgever en een werknemer in de zin van de Arbowet. Een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 1, lid 2 onder a, sub 1 van de Arbowet wordt immers ook aanwezig geacht wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Voor de vraag of daar sprake van is, is ook de feitelijke situatie van belang. Het gegeven dat iemand als zzp’er ergens is komen werken en dat hij in het bezit is van een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) hoeft derhalve niet doorslaggevend te zijn. Het hof acht op grond van het navolgende bewezen dat tussen verdachte en [slachtoffer] sprake was van een gezagsverhouding als hiervoor bedoeld. [bestuurder bedrijf] (hierna: [bestuurder bedrijf]), bestuurder en vertegenwoordiger van verdachte, heeft verklaard dat [slachtoffer] anderhalf jaar in het bedrijf van verdachte gewerkt heeft. [slachtoffer] is daar, als zzp’er, door [bestuurder bedrijf] aangenomen om een combitrac te bouwen. [slachtoffer] is toen ‘blijven hangen’. Als het druk was, sprong [slachtoffer] bij bij andere werkzaamheden. [bestuurder bedrijf] of [chef werkplaats] gaf [slachtoffer] de opdrachten tot het uit te voeren werk. Op de vraag wie toezicht hield op de werkzaamheden van het slachtoffer en hoe (vaak) dit gebeurde, heeft [bestuurder bedrijf] geantwoord dat hij regelmatig (’s ochtends en ’s middags) door het bedrijf loopt en dat [chef werkplaats] de hele dag over de werkplaats loopt vanuit zijn functie. [slachtoffer] had geen specifieke klus aangenomen. Hij hielp mee. Op de vraag wie opdrachten of werk wijzigde als dat nodig was, heeft [bestuurder bedrijf] geantwoord dat hij of [chef werkplaats] te kennen gaf wanneer er iets anders moest gebeuren. [slachtoffer] werd voor zijn werkzaamheden betaald per uur. Volgens [bestuurder bedrijf] is er in het begin een uurprijs afgesproken en is dat nooit gewijzigd. [slachtoffer] werd elke maand betaald op grond van een door hem aan verdachte gestuurde factuur. Op de vraag wie de werktijden bepaalde heeft [bestuurder bedrijf] verklaard dat de werknemers officieel werken van 08.00 tot 17.00 uur en dat [slachtoffer] vaak al om 07.00 uur begon en om 16.00 uur weer vertrok. [slachtoffer] werkte, volgens afspraak, van maandag tot en met donderdag. Daar vond wel overleg over plaats en zowel [bestuurder bedrijf] als [slachtoffer] was daar makkelijk in. Meestal was [slachtoffer] van maandag tot en met donderdag tussen 07.00 uur en 16.00 uur in het bedrijf aanwezig. Op de vraag wie bepaalde hoe en wanneer het werk gedaan moest worden, heeft [bestuurder bedrijf] geantwoord dat dit door hem en [chef werkplaats] bepaald werd. Als er werk was dat meer urgentie had, sprong [slachtoffer] bij. Als dat niet zo was, werkte hij aan de combitrac. [slachtoffer] fungeerde als ‘vliegende keep’. De opdracht tot bijspringen werd gegeven door [bestuurder bedrijf] of [chef werkplaats]. Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte het gezag voerde over de werkzaamheden die [slachtoffer] uitvoerde náást het werken aan de combitrac waarvoor hij in eerste instantie was aangenomen als zzp’er. De reparatiewerkzaamheden aan het nooddaalventiel vonden plaats in het kader van deze werkzaamheden. Op grond daarvan is het hof -met de rechtbank- van oordeel dat verdachte en [slachtoffer] ten tijde van het ongeval aan te merken waren als werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a sub 1 en onder b van de Arbowet. In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof dat hetgeen de raadsman ter terechtzitting van het hof tegen voormeld oordeel van de rechtbank heeft ingebracht, voorgaande niet anders maakt. Werkzaamheden en arbeidsmiddel De raadsman heeft betoogd dat de werkzaamheden die [slachtoffer] uitvoerde geen onderhouds- reparatie- of reinigingswerkzaamheden betroffen als bedoeld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit. De werkzaamheden aan een nog niet voltooide machine, waarvan in de onderhavige zaak sprake was, zijn productie- c.q. testwerkzaamheden op welk type werkzaamheden dit artikel niet ziet. Bovendien is volgens de raadsman geen sprake van een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1 lid 3 sub h van de Arbowet. Bij een arbeidsmiddel moet het gaan om een middel dat bij het verrichten van arbeid wordt gebruikt en daarvan was bij de schaarhoogwerker geen sprake. Die was immers in aanbouw en zou pas na levering aan de klant als arbeidsmiddel voor het productieproces van die klant worden gebruikt. In aanvulling op het bij de rechtbank gevoerde verweer, heeft de raadsman ter zitting van het hof aangevoerd dat voor fabrikanten van machines -naast de Arbowetgeving- ook diverse andere wetten en regels van toepassing zijn, zoals de Machinerichtlijn 2006/42/EG, welke richtlijn in Nederland is verwerkt in de Warenwet en het Warenwetbesluit Machines. Verder heeft de raadsman gesteld dat artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit het tweede lid van dit artikel slechts van overeenkomstige toepassing verklaart op productiewerkzaamheden met of afstelwerkzaamheden aan een arbeidsmiddel. Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt. Artikel 1 lid 3 aanhef en onder h van de Arbowet geeft de volgende definitie van het begrip arbeidsmiddel: “alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen.” Artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit luidt als volgt: “Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.” Lid 3 van dit artikel luidt: “Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.” Naar het oordeel van het hof dient het begrip ‘arbeidsmiddel’, gelet op de reeds genoemde strekking van de Arbowetgeving, ruim uitgelegd te worden. Alle op de arbeidsplaats van [verdacht bedrijf] aanwezige machines waarmee of waaraan wordt gewerkt, ook de schaarhoogwerker in de onderhavige zaak, dienen als arbeidsmiddel te worden aangemerkt. Het hof vindt hiervoor steun in hetgeen bepaald is in artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit. Daarin staat onder meer dat lid 2 van overeenkomstige toepassing is op “productiewerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel”. Zoals reeds in de weergave van de feiten waarvan het hof uitgaat naar voren is gekomen, gaat het in de onderhavige zaak om een schaarhoogwerker in aanbouw. Daarvan werkte het nooddaalventiel niet goed. [slachtoffer] had de opdracht gekregen om naar dit nooddaalventiel te kijken en het probleem op te lossen. Daartoe heeft hij het ventiel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet. Vervolgens heeft hij willen testen of het probleem ook daadwerkelijk verholpen was. Naar het oordeel van het hof zijn deze werkzaamheden van [slachtoffer] aan te merken als productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel, zoals bedoeld in artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit. Gelezen in samenhang met het bepaalde in lid 2 van dat artikel golden ook voor deze werkzaamheden van [slachtoffer] de daarin genoemde veiligheidsvoor-schriften. In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende. De ter terechtzitting van het hof door de raadsman geponeerde stelling, inhoudende dat het derde lid van artikel 7.5 van het Arbobesluit zo gelezen moet worden dat het tweede lid uitsluitend van overeenkomstige toepassing is op productiewerkzaamheden met of afstelwerkzaamheden aan het arbeidsmiddel -en dus niet op productiewerkzaamheden aan het arbeidsmiddel-, vindt mede gelet op de strekking van de arbeidsomstandighedenwet-geving geen steun in het recht. Voorts stelt het hof vast dat de materie waar het in de onderhavige zaak om gaat niet bestreken wordt door de door de raadsman aangehaalde Machinerichtlijn (2006/42/EG). Dit alles ondersteunt het hof in zijn opvatting dat het begrip arbeidsmiddel extensief dient te worden uitgelegd. Uitgeschakeld en drukloos Het hof acht -met de rechtbank- op grond van het navolgende bewezen dat de productiewerkzaamheden aan de schaarhoogwerker werden uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel in aanbouw niet was uitgeschakeld én drukloos gemaakt, terwijl het drukloos maken niet mogelijk was. [bestuurder bedrijf] heeft verklaard dat de schaarhoogwerker ten tijde van de door [slachtoffer] verrichte handelingen niet drukloos was, omdat deze geheven stond. Het drukloos maken van de schaarhoogwerker was in het kader van de reparatiewerkzaamheden die [slachtoffer] verrichtte op de door hem gekozen wijze niet mogelijk. Het hof heeft hiervoor immers reeds overwogen dat het testen van het nooddaalventiel onderdeel uitmaakte van (het goed doen uitvoeren van) de reparatie waartoe [slachtoffer] de opdracht had gekregen. Dat testen was door de gekozen werkwijze alleen mogelijk terwijl de schaarhoogwerker geheven stond. Doeltreffende maatregelen De raadsman heeft betoogd dat verdachte doeltreffende maatregelen heeft genomen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, immers: in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening zijn afbeeldingen aangebracht die waarschuwden voor knellingsgevaar; op de machine was, ook ten tijde van het ongeval, een rode borgpen aanwezig om het ongewild zakken van de hoogwerker tegen te gaan. Deze borgpen kon gebruikt worden in de werkplaats van verdachte en het was ook een vast gebruik binnen de onderneming om daarvan gebruik te maken; het nooddaalventiel kan worden gerepareerd zonder dat de werknemer zich in de gevarenzone behoeft te begeven; het is een vast gebruik binnen de onderneming van verdachte dat medewerkers houtblokken (balken) of een steunpoot van metaal plaatsen ter borging bij onderhoudswerkzaamheden. De raadsman heeft voorts gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 (ECLI: BK7354) en het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 21 december 2007 (ECLI: BC1666). In deze arresten wordt aangenomen dat als de medewerker zich had gehouden aan de binnen het bedrijf gangbare werkwijze, het niet aannemelijk was dat het ongeval zich zou hebben voorgedaan. Het ongeval zou zich dus niet hebben voorgedaan wanneer [slachtoffer] zich aan de veiligheidsvoorschriften en de gangbare werkwijze binnen de onderneming had gehouden. De raadsman heeft bovendien aangevoerd dat de rechtbank bij de verwerping van het verweer ten aanzien van de doeltreffende maatregelen bijna uitsluitend van de verklaring van getuige [getuige] (hierna: [getuige]), een jonge werknemer die pas net in dienst was, is uitgegaan. Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt. Met betrekking tot het aanbrengen van afbeeldingen die waarschuwen voor knelgevaar in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening merkt het hof op dat dat op zichzelf geen doeltreffende maatregel is om de daadwerkelijke verwezenlijking van knelgevaar te voorkomen. [bestuurder bedrijf] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven dat zich op de bewuste schaarhoogwerker een sticker bevond die aangaf dat het nooddaalventiel (ook) bereikt kon worden via de onderkant van het onderstel van de hoogwerker. [bestuurder bedrijf] heeft dit echter op geen enkele manier weten te onderbouwen. Ook uit het dossier blijkt niet van de aanwezigheid van een dergelijke sticker, noch van een ander stuk waaruit blijkt dat het ventiel ook op deze manier bereikt kon worden. In zoverre is naar het oordeel van het hof geen sprake van een doeltreffende maatregel ter afwending van het knelgevaar. Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gebruik van de rode borgpen van de schaarhoogwerker en de aanwezigheid binnen het bedrijf van houten balken of metalen steunen als borgmiddel -en het beweerde vaste gebruik binnen het bedrijf van verdachte om met gebruikmaking van deze middelen te werken- stelt het hof het volgende voorop. Op grond van de Arbowet is de werkgever verplicht ervoor zorg te dragen dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsook over de maatregelen die erop gericht zijn die risico’s te voorkomen of te beperken. Tevens is de werkgever verplicht om ervoor zorg te dragen dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Indien er op arbeidsmiddelen beveiligingsmiddelen zijn of kunnen worden aangebracht, moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de manier waarop zij die dienen te gebruiken. De werkgever dient tevens toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de hiervoor genoemde risico’s en dus op het gebruik. Op grond van de Arbowet is de werkgever ook verplicht in een RI&E schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. De RI&E bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risicobeperkende maatregelen. Van de RI&E dient een plan van aanpak deel uit te maken. Daarin moet aangegeven zijn welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico’s en de samenhang daartussen. Tevens wordt aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. Als de met de RI&E opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven, dient de RI&E aangepast te worden. De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer kennis kan nemen van de RI&E. De werkgever dient over de RI&E en het daarin opgenomen plan van aanpak ook overleg te voeren met (een vertegenwoordiging van) de werknemers. Met betrekking tot het gestelde vaste gebruik aangaande gebruikmaking van veiligheidsmiddelen binnen het bedrijf van verdachte overweegt het hof als volgt. Vast staat dat [slachtoffer] zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de door hem 40 centimeter geheven werkbak heeft begeven om bij het te repareren ventiel te kunnen komen. Vast staat tevens dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een borging, op welke wijze dan ook. Getuige [getuige] heeft verklaard dat er normaal gesproken -bij grotere klussen waarbij onder de bak wordt gewerkt- wel iets onder wordt gezet. [getuige] geeft aan dat borgen wel veiliger is, maar dat het hier ging om een kleine ingreep en dat het bij dergelijke kleine ingrepen meestal gewoon ‘eventjes’ is. Het hof leidt hieruit af dat er op de werkvloer sprake was van een in de praktijk gegroeide manier van werken waarbij bij de kleine(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.