GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.161.857/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/107636/KG ZA 14-212) arrest in kort geding van de tweede kamer van 24 februari 2015 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. F.Y van der Pol, kantoorhoudende te Tynaarloo, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, verweerder in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren, kantoorhoudende te Leusden. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 8 december 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling privaatrecht Locatie Assen (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 december 2014 (met grieven en producties), - de memorie van antwoord (met producties). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering in hoger beroep van [appellant] luidt: ‘dat het (het) Gerechtshof te Leeuwarden/Arnhem moge behagen te vernietigen het vonnis in kort geding door de Rechtbank Assen d.d. 8 december 2014, tussen partijen onder zaak-/rolnummer C/19/107636/KG ZA 14-212 gewezen, en opnieuw recht doende alsnog moge behagen bij arrest (het hof begrijpt: de vordering in oorspronkelijke conventie van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en voorts): I. primair: [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte van de pups indien en zodra geboren, althans binnen 10 dagen na de geboorte, tot in een bodemprocedure door de rechter een eindvonnis is gewezen, althans tot enig moment, als U in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [geïntimeerde] na betekening van dit (het hof leest: arrest) in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen; subsidiair: Het bestreden vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen tot staken en gestaakt houden van afgifte van [hond 1] zodat de normale situatie bij een bevalling heeft te gelden en [hond 1] bij [appellant] thuis kan bevallen, althans kan verblijven vanaf de geboorte van de pups en in ieder geval tot 8 weken nadien, maar ook totdat in een bodemprocedure door de rechter een eindvonnis is gewezen, althans tot enig moment, als U in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [geïntimeerde] na betekening van dit (het hof leest: arrest) in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen; meer-subsidiair: [geïntimeerde] te veroordelen de aangekondigde executiemaatregelen uit hoofde van het vonnis d.d. 8 december 2014 per direct (of gedeeltelijk) te schorsen en geschorst te houden, tot in een bodemprocedure door de rechter een eindvonnis is gewezen, althans tot enig moment, als U in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks op straffe van verbeurte van betaling van een dwangsom aan [appellant] van € 1.000,00 voor elke dag, een deel van de dag daaronder begrepen, dat [geïntimeerde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen. II. alsmede/althans zodanige voorzieningen te treffen als het Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren; III. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten vallende op beide instanties, alsmede in de nakosten ad € 131,00 zonder en € 199,00 ingeval van betekening, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex 6:119 BW indien betaling binnen veertien dagen na betekening van het arrest uitblijft tot de dag der algehele voldoening; IV. het arrest in al diens onderdelen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.’ 2.4 De conclusie van de memorie van antwoord luidt: ‘dat het uw gerechtshof moge behagen, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis in eerste aanleg van 8 december 2014 te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.’ 3De feiten 3.1. De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil. 3.2 [appellant] in hondenfokker en fokt onder meer zogenoemde flatcoated retrievers. 3.3 Circa vijf jaar geleden heeft [appellant] twee pups (teefjes) van dit ras aan [geïntimeerde] overhandigd. De beide teefjes – roepnamen [hond 1] en [hond 2] – hebben inmiddels ieder twee nestjes pups geworpen. Volgens afspraak heeft [appellant] deze pups van [hond 1] en [hond 2] gekregen. 3.4 Op 29 mei 2014 en op 2 juni 2014 heeft [appellant] telefonisch aan [geïntimeerde] gevraagd [hond 1] te latenonderzoeken bij de dierenarts met het oog op een nieuw nestje pups. [geïntimeerde] heeft dat verzoek van [appellant] afgewezen, omdat dit in strijd zou zijn met de gemaakte afspraken. [geïntimeerde] voelde zich door het gesprek met [appellant] op 2 juni 2014 zodanig bedreigd, dat hij hiervan aangifte heeft gedaan bij de politie. 3.5 Bij brief van 1 juli 2014 heeft de (toenmalige) advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven: ‘Cliënten deelden mij mede, dat zij een hondenkennel drijven. Omstreeks 2009, zo deelden cliënten mij mede, hebben zij aan u twee rashonden (...) beide van het ras Flatcoated Retriever, in bruikleen gegeven, waarbij zij met u hebben afgesproken dat u voor cliënten vier nestjes per hond zouden fokken. Hier is sprake van een mondelinge overeenkomst in de zin van artikel 213 BW Boek 6. De twee honden zijn steeds bij cliënten in eigendom gebleven. Kopieën van de eigendomsbewijzen voeg ik als bijlage 1 en bijlage 2 hierbij. Beide honden hebben inmiddels twee nestjes gehad. Echter, thans heeft u aangegeven niet langer bereid te zijn om nog twee nestjes per hond ten behoeve van mijn cliënten te fokken. Ook hebt u aangegeven niet bereid te zijn de twee honden aan cliënten af te geven, nadat cliënten u hebben laten weten de honden van u terug te willen ontvangen. Nu de honden aan u slechts conform artikel 1777 BW Boek 7A in bruikleen zijn gegeven, zijn cliënten op grond van artikel 1778 BW Boek 7A de eigenaren van de honden gebleven. Nu u – zoals u ook in uw brief van 30 mei jl. aan cliënten ondubbelzinnig aangeeft – niet bereid bent om nog twee nestjes per hond te fokken, begrijpen cliënten, dat u blijvend in de nakoming van voormelde overeenkomst tekort zult schieten. Derhalve is sprake van een tekortkoming door u in de nakoming van een verbintenis als bedoeld in artikel 6:74 BW, voor welke wanprestatie u hierbij door cliënten in gebreke en wettig verzuim wordt gesteld. Cliënten roepen daarom hierbij tevens met onmiddellijke ingang op grond van artikel 265 BW Boek 6 de buitengerechtelijke ontbinding van voormelde overeenkomst in. Door ontbinding van een overeenkomst worden op grond van artikel 271 BW Boek 6 partijen bevrijd van hun verbintenissen en ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen, voor zover er op het moment van ontbinding reeds prestaties zijn verricht. Op grond van artikel 269 BW Boek 6 heeft de ontbinding geen terugwerkende kracht. Cliënten menen, dat dit in het onderhavige geval betekent, dat u thans gehouden bent tot afgifte aan hen van de twee voormelde honden. (...) Gezien het voorgaande verzoek, zonodig sommeer, ik u namens mijn cliënten om binnen tien dagen na heden voormelde honden (...) alsmede de paspoorten van deze honden aan hen af te geven, bij gebreke waarvan cliënten u reeds nu voor alsdan in gebreke en wettig verzuim stellen. (...)’ 3.6 [geïntimeerde] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven. 3.7 Bij brief van 17 juli 2014, gericht aan de advocaat van [geïntimeerde], heeft de (toenmalige) advocaat van [appellant] zich wederom op het standpunt gesteld dat de beide honden eigendom zijn gebleven van [appellant] en enkel in bruikleen aan [geïntimeerde] zijn afgestaan. [geïntimeerde] werd andermaal in de gelegenheid gesteld de honden binnen tien dagen af te geven. Op 12 augustus 2014, voor het verstrijken van de tweede termijn, is [appellant] naar de woning van [geïntimeerde] gereden, heeft hij [hond 1] geroepen en haar in zijn auto meegenomen. Hiervan heeft [geïntimeerde] opnieuw aangifte gedaan. 3.8 Partijen hebben, mede via bemiddeling van de wijkagent, geprobeerd om tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt. [appellant] heeft [hond 1] inmiddels met succes laten dekken. [geïntimeerde] heeft zonder medeweten van [appellant] [hond 2] laten steriliseren. 3.9 Bij vonnis van 10 november 2014 is 2014 is [appellant] strafrechtelijk veroordeeld voor bedreiging tot een geldboete van € 1.000,- met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Voorts is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast is aan [appellant] een straatverbod van 3 jaar opgelegd. 3.10 De voorzieningenrechter heeft [appellant] bij het bestreden vonnis geboden om binnen drie dagen na betekening van het vonnis [hond 1] aan [geïntimeerde] terug te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom. [appellant] heeft aan het vonnis voldaan en [hond 1] aan [geïntimeerde] terug gegeven. Nadien is [hond 1] is bevallen van een aantal pups. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft in (oorspronkelijke) conventie gevorderd, samengevat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.