GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.095.805/02 arrest van de tweede kamer van 10 maart 2015 in de zaak van 1 [eiseres sub 1], kantoorhoudende te Wierden, 2. [eiser sub 2], wonende te Enter, 3. [eiser sub 3], wonende te [plaatsnaam], eisers tot herroeping, hierna afzonderlijk: [eiseres sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en gezamenlijk: [eisers], advocaat: mr. J.W. van der Horst, tegen: [gedaagde] , wonende te [plaatsnaam], gedaagde tot herroeping, hierna: [gedaagde], advocaat: mr. P.L. Nijmeijer. 1Het geding 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding tot herroeping d.d. 2 april 2014 (met producties), - de akte houdende eisvermeerdering (met producties), - de conclusie van antwoord (met producties), - de conclusie van repliek (met een productie), - de conclusie van dupliek (met een productie), - de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. 1.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald. 2De motivering van de beslissing 2.1 [eisers] vorderen, op de voet van artikel 382 Rv, de door dit hof tussen partijen gewezen (en in kracht van gewijsde gegane) arresten van 16 oktober 2012 en 26 november 2013 te herroepen en de vorderingen van [gedaagde] alsnog geheel of ten dele af te wijzen dan wel het geding tussen [eisers] en [gedaagde] (met zaaknummer 200.095.805) te heropenen. 2.2 Bij voormeld eindarrest van 26 november 2013 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2013:8997) heeft het hof – kort gezegd – geoordeeld dat [eiser sub 2] in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht om [gedaagde] te informeren over en/of te wijzen op het risico van een te lage dekkingswaarde van de grond Roden (waarop [gedaagde] een recht van hypotheek kreeg als zekerheid voor een geldlening van € 1.000.000,-). Daartoe overwoog het hof dat het notarisklerk [de notarisklerk], voor wiens handelen [eiser sub 2] verantwoordelijk was, op grond van een op 15 mei 2008 doorgestuurde e-mail en een met [persoon 1] – tussen de ontvangst door [gedaagde] van de concept-hypotheekakte en het passeren van die hypotheekakte op 2 juni 2008 – gevoerd telefoongesprek, duidelijk moest zijn dat [gedaagde] de transactie alleen door wilde laten gaat indien hij voldoende zekerheid (in de vorm van een hypotheekrecht met voldoende dekking) zou hebben voor het geval de schuldenaren niet in staat zouden blijken het geleende bedrag van € 1.000.000,- terug te betalen. Voorts overwoog het hof dat het [de notarisklerk], omdat hij op 29 mei 2008 een koopovereenkomst had opgesteld waar diezelfde grond slechts een bedrag van € 12,50 per centiare opbracht, terwijl om voldoende dekking te verkrijgen de grond een waarde van ruim € 29,- per centiare had moeten hebben, duidelijk had moeten zijn dat de dekkingswaarde van de grond naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende zou zijn. Desondanks heeft hij [persoon 1] daar niet op gewezen, maar heeft hij hem juist gerustgesteld door hem voor te houden dat hij zich ervan overtuigd had dat het recreatieve grond was en dat hij was uitgegaan van de minimale waarde van € 29,- per centiare. Het hof overwoog daarbij dat de mogelijkheid tot eigen onderzoek door [gedaagde], het feit dat [gedaagde] eigen adviseurs had en [gedaagde] wetenschap dat de grond Roden onderwerp was van grondspeculatie, de zorgplicht van de notaris (in de vorm van een waarschuwingsplicht) niet wegnamen. Aangezien [eiser sub 2] de stelling van [gedaagde] dat hij de geldlening niet zou zijn aangegaan indien [eiser sub 2] hem op de juiste wijze zou hebben voorgelicht omtrent de risico’s betreffende de dekkingswaarde van het onderpand, onvoldoende gemotiveerd had weersproken, moest het er naar het oordeel van het hof voor gehouden worden dat de schade die voortvloeit uit een te lage dekkingswaarde van de grond Roden in causaal verband staat tot de door [eiser sub 2] gemaakte beroepsfout. Het hof heeft de zaak tussen [gedaagde] en [eiser sub 2] verwezen naar de schadestaatprocedure en heeft in het eindarrest reeds de mate waarin de aan beide partijen toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade vastgesteld op 70% (voor [eiser sub 2]) en 30% (voor [gedaagde]). Daartoe heeft het hof overwogen dat [gedaagde] (bijgestaan door zijn adviseurs), wetende dat met de grond Roden gespeculeerd zou worden, de risico’s van een te lage dekkingswaarde onvoldoende heeft onderzocht en lichtvaardig heeft vertrouwd op de geruststellende mededelingen van [de notarisklerk], maar dat deze te passieve houding minder zwaar weegt dan de schending van het daadwerkelijk doen van onzorgvuldige/onvolledige mededelingen door [de notarisklerk]. Het hof heeft in dat kader nog overwogen dat handelen en/of nalaten van de adviseurs (waaronder advocaten) van [gedaagde] die van hem opdracht hadden gekregen risico’s af te dekken en zich binnen de risicosfeer van [gedaagde] bevonden, in de verhouding tussen [gedaagde] en [eiser sub 2] aan [gedaagde] dient te worden toegerekend. 2.3 [eisers] stellen in de onderhavige procedure – kort samengevat – dat [gedaagde] bedrog heeft gepleegd, althans stukken van beslissende aard heeft achtergehouden door: - de (aansprakelijkheids)procedure tegen zijn toenmalige advocaten te verzwijgen; - e-mails van 22 november 2007 en 28 mei 2008 te verzwijgen; - een in mei/juni 2008 verrichte taxatie te verzwijgen. In de e-mail van 22 november 2007, die zag op een eerdere (soortgelijke) investering door [gedaagde], schreef [gedaagde] aan zijn advocaten: “Als ik het goed begrijp (wederom misschien ook niet) is het onderpand ongeveer twee hectare (…) groot, hetgeen betekent dat er dus ongeveer Eur. 43,-/m2 betaald wordt, aangezien [persoon 2] in zijn gesprek met ons sprak over Eur. 17,- voor landbouwgrond. M.a.w. mocht het mis gaan en de grond blijft landbouwgrond als bestemming houden verliezen wij dan meer als de helft van het geld aangezien de aankoopprijs dus op Eur. 17 zit? Dit is uiteraard voor ons belangrijk om te weten.” Daarop hebben zijn advocaten later die dag geantwoord: “Met betrekking tot de landbouwgrond geldt dat de waarde van de grond op dit moment nog niet van belang is; het gaat om de waarde van de grond, indien in de toekomst noodzakelijkerwijs tot uitwinning van de grond dient te worden overgegaan. Deze toekomstige waarde is op dit moment door geen van de partijen te voorspellen. (…)” Bij e-mail van 28 mei 2008 hebben zijn advocaten aan [gedaagde], ten aanzien van de onderhavige investering met de grond Roden als onderpand, geschreven: “Terzake van de mogelijke uitwinning van de grond geldt wederom dat dit slechts noodzakelijk zal zijn, wanneer noch Alasco Vastgoed B.V., noch Holland Estate B.V., noch de heer en mevrouw (…) in privé de geldlening, inclusief de rente kunnen terugbetalen.” Deze e-mails heeft [gedaagde] in de procedure die is geëindigd in het eindarrest van 26 november 2013 (hierna: de eerdere procedure) niet in het geding gebracht. [eisers] zijn van die e-mails pas op de hoogte geraakt nadat zij kennis hadden gekregen van de arresten van het hof ’s-Hertogenbosch in de procedure die [gedaagde] tegen zijn advocaten had geëntameerd en welke procedure hij, ondanks vragen daartoe van het hof, verzwegen had in de eerdere procedure. Pas nadat de eerdere procedure in staat van wijzen voor eindarrest verkeerde, raakten [eisers] bekend met de procedure tegen de advocaten. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft bij tussenarrest van 9 juli 2013 overwogen dat de advocaten (die zoals [gedaagde] redelijkerwijs mocht aannemen de waarde van het onderpand en de risico’s in dit kader hadden betrokken bij hun werkzaamheden) zijn tekort geschoten in de uitvoering van hun diensten als advocaat. Voorts heeft dat hof overwogen dat het beroep op eigen schuld gegrond is omdat [gedaagde] tegen de achtergrond van de e-mail van 28 mei 2008 moest begrijpen dat de waarde van de aangeboden zekerheid in de toekomst onzeker was, waardoor hij bijzondere oplettendheid moest betrachten en heeft het hof de mate van eigen schuld gesteld op 50%. Volgens [eisers] blijkt uit die e-mails dat [gedaagde] zich (ook) bij de investering met de grond Roden als onderpand bewust was van de onzekerheid van de waarde van het onderpand. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat uit een schadeoverzicht overgelegd bij de dagvaarding in kort geding (van 27 maart 2014) waarin [gedaagde] een voorschot op de schadevergoeding van [eiser sub 2] vorderde, blijkt dat [gedaagde] anders dan hij in de eerdere procedure heeft gesteld, wel een taxatie naar de grond Roden had laten verrichten. In die opstelling staat immers “[de makelaardij] 11/06/2008 taxatiekosten grond 595,00”. [eisers] stellen zich op het standpunt dat deze feiten voor [eisers] tot een gunstige afloop van de eerdere procedure hadden kunnen leiden. Volgens hen blijkt hieruit dat [gedaagde] op de hoogte was van de waarde van de grond Roden, zodat het causaal verband tussen de fout van [eiser sub 2] en de schade van [gedaagde] ontbreekt. Ook stellen [eisers] dat het hof, indien het met deze feiten bekend was geweest, een andere mate van eigen schuld zou hebben bepaald. 2.4 [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij in mei/juni 2008 een taxatie naar de waarde van de grond Roden heeft laten uitvoeren. Met betrekking tot het door [eisers] aangehaalde schadeoverzicht (waarvan vaststaat dat het is opgesteld door [persoon 3] van Mazars Paardekoper Hoffman N.V.) heeft [gedaagde] aangevoerd dat [persoon 3] per abuis een verkeerde datum aan de factuur van [de makelaardij] (van 10 maart 2010) heeft gekoppeld. [gedaagde] heeft de factuur van [de makelaardij] van 10 maart 2010 overgelegd (productie 3 bij antwoord). Verder heeft hij erop gewezen dat [persoon 3] zijn fout inmiddels heeft hersteld en op 26 mei 2014 een rectificatiebericht aan [gedaagde] heeft gestuurd (productie 2 bij antwoord) waarin staat dat er abusievelijk een fout in het schadeoverzicht is opgenomen en dat de datum bij de factuur van [de makelaardij] niet 11/06/2008 maar 10/03/2010 dient te zijn. Daarnaast heeft hij als productie 4 bij dupliek een e-mailwisseling tussen [persoon 1] en [de makelaardij] overgelegd. Op de e-mail van [persoon 1] van 28 augustus 2014 waarin hij schreef: “Daardoor beweerd de tegenpartij nu in een andere zaak dat wij dus al in 2008 een taxatierapport door U zouden hebben laten maken (dus voor het passeren van de hypotheekakte) en dus op de hoogte zijn geweest van de waarde van het onderpand” heeft [de makelaardij] bij e-mail van 29 augustus 2014 aan [persoon 1] geantwoord dat zij de grond te Roden begin maart 2010 hebben getaxeerd (voor een bedrag van € 595,-) en “dat wij in 2010 en dus niet in 2008 voor u een taxatie hebben uitgebracht”. 2.5 Het hof is van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben ingebracht tegen het gemotiveerde verweer dat in het schadeoverzicht een typefout is geslopen. Dat [persoon 3] niet heeft verklaard dat er in mei/juni 2008 geen taxatie is verricht, dat [de makelaardij] niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij in 2008 niet voor [gedaagde] sr. een taxatie heeft verricht en dat [eiser sub 2] het moeilijk te geloven vindt dat er een typefout zou zijn gemaakt, biedt daartoe een onvoldoende duidelijke noch gemotiveerde stellingname. [eisers] lijken veeleer – bij wege van hypothese – te suggereren dat de verklaringen ruimte openlaten voor een andere (minder voor de hand liggende) uitleg. Dat is echter onvoldoende om een gemotiveerd verweer te weerspreken. De stelling dat [gedaagde] een eerdere taxatie in mei/juni 2008 heeft verzwegen zal derhalve worden gepasseerd. 2.6 Met betrekking tot de vraag of het verzwijgen van de procedure tegen de advocaten en het achterhouden van e-mailcorrespondentie op de voet van artikel 382 Rv sub a en sub c kan leiden tot heropening van de procedure overweegt het hof als volgt. In voormeld artikel is bepaald dat een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij kan worden herroepen indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.