GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummers 14/00082, 14/00083 en 14/00084 uitspraakdatum: 17 maart 2015 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2014, nummers AWB 13/2282, AWB 13/2283 en AWB 13/2284, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 912.865, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.022 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van €
(2009)zakelijk is. Anders dan belanghebbende stelt ziet het Hof geen reden de rente enkel te berekenen over het saldo op het einde van het jaar. De correcties bedragen derhalve: Beginsaldo Eindsaldo Gemiddeld saldo Factor Rente Bedrag 2007 265.000 226.178 245.589 0,667 7% € 11.461 2008 226.178 209.658 217.918 1 7,5% € 16.344 2009 209.658 191.148 200.403 1 5% € 10.020 Inkomen uit sparen en beleggen 4.34 Belanghebbende bepleit in hoger beroep en in afwijking van zijn aangifte IB/PVV 2008 een inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Voor het jaar 2009 bestrijdt belanghebbende de correctie van de rendementsgrondslag tot € 260.000. Ook voor dat jaar bepleit belanghebbende een inkomen uit sparen en beleggen van nihil. 4.35 Belanghebbende is van mening dat voor het bepalen van de rendementsgrondslag voor de jaren 2008 en 2009 zijn alimentatieverplichting als schuld in aanmerking moet worden genomen. De alimentatieverplichting aan [T] berekent hij op € 669.708 (2008, gemiddeld) en € 582.576 (1 januari 2009) en de kinderalimentatie op € 253.980 (2008 gemiddeld) en € 242.610 (2009 gemiddeld). Voorts moet de vordering op [J] uit de rendementsgrondslag geëlimineerd worden en moet een vordering op een zakenpartner, [HH], worden verhoogd. 4.36 De Inspecteur bestrijdt niet dat de alimentatieverplichting nog niet in de rendementsgrondslag voor de jaren 2008 en 2009 is begrepen, maar stelt zich op het standpunt dat de verplichting aan [T] niet meer dan € 125.000 bedraagt, zijnde de afkoopsom van de alimentatie in oktober 2011. Tegen het in aanmerking nemen van de kinderalimentatieverplichting heeft de Inspecteur ingebracht, dat deze verplichting geen waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt. Met belanghebbende is hij van mening dat de vordering op [J] uit de rendementsgrondslag geëlimineerd moet worden en de vordering op [HH] moet worden verhoogd. Deze twee correcties heeft hij in zijn correctie van de rendementsgrondslag IB/PVV 2009 verwerkt. De Inspecteur berekent de rendementsgrondslag IB/PVV 2008 op € 118.637 (overeenkomstig de aangifte). 4.37 Uit het arrest HR 11 februari 2011, nr. 10/00367, ECLI:NL:HR:2011:BO0403, BNB 2011/166 volgt, dat, anders dan de Inspecteur bepleit, aan kinderalimentatieverplichtingen een waarde in het economische verkeer moet worden toegekend. De Inspecteur heeft de door belanghebbende berekende omvang van de kinderalimentatieverplichting verder niet betwist. Uitgaande van een kinderalimentatieverplichting van € 253.980 (gemiddeld) en een alimentatieverplichting aan [T] van € 125.000 (gemiddeld), bepleit belanghebbende terecht dat de rendementsgrondslag voor de IB/PVV 2008 nihil moet bedragen. 4.38 De Inspecteur berekent de rendementsgrondslag IB/PVV 2009 op € 260.000. Uitgaande van een kinderalimentatieverplichting van € 242.610 (gemiddeld) en een alimentatieverplichting aan [T] van € 67.500 (1 januari 2009: € 125.000, 31 december 2009: nihil), bepleit belanghebbende terecht dat de rendementsgrondslag voor de IB/PVV 2009 nihil moet bedragen. 4.39 Aan de vraag of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel op dit punt heeft geschonden komt het Hof niet toe, nu belanghebbende reeds op andere gronden in het gelijk wordt gesteld. 4.40 De Inspecteur heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een hoger inkomen uit sparen en beleggen heeft genoten dan nihil. Fictief loon 2007 4.41 Ingevolge artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) wordt ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld op € 39 000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. 4.42 De Inspecteur bepleit met een beroep op interne compensatie dat het inkomen uit werk en woning moet worden verhoogd met € 39.000 vanwege de op de [J]-facturen vermelde arbeid die belanghebbende na de beëindiging van zijn werkzaamheden voor [S] heeft verricht in 2007. 4.43 Belanghebbende brengt hiertegen in dat hij eerst in de laatste weken van 2007 enige werkzaamheden voor [J] heeft verricht. Voorts beroept belanghebbende zich op artikel 12a, derde lid, van de Wet LB omdat een zakelijke vergoeding minder bedraagt dan € 5.000. 4.44 Het Hof heeft hiervoor overwogen dat het voordeel uit de arbeid dat heeft geleid tot de [J]-facturen moeten worden toegerekend aan de winst uit onderneming van belanghebbende. Nu de door belanghebbende verrichte arbeid niet in [J] is verricht, kan geen fictief loon ter zake van deze werkzaamheden in aanmerking worden genomen. 4.45 Nu de Inspecteur dienaangaande verder niets heeft gesteld, faalt het beroep van de Inspecteur op toepassing van artikel 12a van de Wet LB. Fictief loon 2009 4.46 Partijen bepleiten beiden primair een verhoging van het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2009 met een bedrag van € 139.000 als fictief loon voor arbeid die belanghebbende verricht heeft ten behoeve van [E] (artikel 12a van de Wet LB). 4.47 Deze verhoging is gebaseerd op de veronderstelling dat [E] de door [J] gefactureerde werkzaamheden tot haar winst rekent (standpunt Inspecteur) dan wel [E] door het factureren van bedragen aan [J] ter zake van de voor [L] en [a-bank] verrichte werkzaamheden, alsnog in Nederland te belasten omzet genereert (standpunt belanghebbende). 4.48 Beide standpunten gaan naar het oordeel van het Hof uit van de onjuiste veronderstelling dat de gefactureerde bedragen (uiteindelijk) tot de ondernemingsuitoefening van [E] behoren. Nu het Hof heeft vastgesteld dat de met de gefactureerde bedragen behaalde winst behoort tot de winst uit onderneming van belanghebbende bestaat er geen grond een bedrag aan fictief loon in aanmerking te nemen. 4.49 Het Hof zal daarom geen fictief loon in aanmerking nemen bij zijn oordeel over de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2009. Omkering bewijslast (vereiste aangifte IB/PVV 2007) 4.50 In het arrest van 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over het doen van de vereiste aangifte. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 20 mei 1987, nr. 23 840, BNB 1987/208). Indien sprake is van een gecombineerde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, is in dit verband het gezamenlijke bedrag van de verschuldigde belasting en premie bepalend. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van de hiervoor gegeven regels slechts in aanmerking genomen, indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220, BNB 2003/264). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan, dient de aangifte als geheel in aanmerking te worden genomen. 4.51 De Inspecteur beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast voor belanghebbende voor de aanslag IB/PVV 2007, omdat belanghebbende daarvoor niet de vereiste aangifte zou hebben gedaan. 4.52 De Inspecteur heeft gelet op hetgeen het Hof hiervoor onder 4.25 en 4.33 heeft overwogen aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2007 winst uit onderneming ten bedrage van € 21.490 en een voordeel uit de terbeschikkingstelling van vermogen van € 11.461 heeft genoten. Deze correcties hebben de volgende gevolgen voor de verschuldigde belasting: Aangegeven inkomen uit werk en woning € 1.012.674 (waarvan € 1.052.462 buitenlands inkomen) Extra winst € 21.490 af: MKB vrijstelling 10,5% - 2.256 - 19.234 Voordeel uit terbeschikkingstelling (rente vordering [J]) - 11.461 Inkomen uit werk en woning € 1.043.369 Af: Persoonsgebonden aftrek - 99.809 Belastbaar inkomen uit werk en woning (noemer inkomen) € 943.560 4.53 Aangezien het vrij te stellen buitenlandse inkomen uit werk en woning van belanghebbende hoger is dan het noemer inkomen – zelfs indien dit vermeerderd zou worden met de persoonsgebonden aftrek – is het gezamenlijk bedrag van de verminderingen op grond van artikel 10, derde lid, van het Besluit gelijk aan de belasting die verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit werk en woning zonder de toepassing van het Besluit. Na toepassing van de vrijstelling resteert geen verschuldigde inkomstenbelasting. Belanghebbende is reeds in de heffing betrokken voor het maximale bedrag aan premie volksverzekeringen, zodat de aanpassingen van het aangegeven inkomen evenmin leiden tot een hoger verschuldigd bedrag aan premie volksverzekeringen dan uit de aangifte van belanghebbende volgt. 4.54 Aangezien de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang vervalt, komt het volgens de aangifte verschuldigde bedrag aan IB/PVV overeen met de werkelijk verschuldigde belasting. De Inspecteur beroept zich derhalve ten onrechte op omkering en verzwaring van de bewijslast en kan dan ook de winst niet op een hoger bedrag vaststellen dan het bedrag dat hij aannemelijk heeft gemaakt. Omkering bewijslast (vereiste aangifte IB/PVV 2008) 4.55 De Inspecteur beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast voor belanghebbende voor de aanslag IB/PVV 2008, omdat belanghebbende daarvoor niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Op grond hiervan heeft hij de door belanghebbende behaalde winst uit onderneming op een hoger bedrag geschat dan uit de facturen en urenverantwoording volgt. 4.56 De Inspecteur heeft gelet op hetgeen het Hof hiervoor onder 4.25 en 4.33 heeft overwogen aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2008 winst uit onderneming ten bedrage van € 194.094 en een voordeel uit de terbeschikkingstelling van vermogen van € 16.344 heeft genoten. Deze correcties leiden tot het volgende verzamelinkomen: Correctie winst € 194.094 Af: ondernemersaftrek - 4.412 € 189.682 Af: MKB-winstvrijstelling 10,5% - 19.917 Winst uit onderneming € 169.765 Aangegeven inkomen - 69.834 Voordeel uit terbeschikkingstelling (rente vordering [J]) - 16.344 € 255.943 Af: persoonsgebonden aftrek - 83.440 Inkomen uit werk en woning € 172.503 Inkomen uit aanmerkelijk belang - 0 Inkomen uit sparen en beleggen - 0 Verzamelinkomen € 172.503 4.57 Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de werkelijk verschuldigde belasting rekening moet worden gehouden met de stallingsbeschikking, zoals belanghebbende bepleit en de Inspecteur betwist. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, nr. 13/03820, ECLI:NL:HR:2015:17 dient het Hof te onderzoeken
- i)of sprake is van één of meer gebreken in die aangifte die ertoe leiden dat de volgens die aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting,
- ii)of het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, en iii) of belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte dit laatste wist dan wel zich dit laatste bewust moet zijn geweest. De stallingsbeschikking of de toepassing daarvan vloeit niet voort uit de aangifte IB/PVV voor het jaar 2008; deze vloeit voort uit de aangifte IB/PVV voor het jaar 2007. Daarom moet voor de berekening van de verschuldigde belasting, zoals de Inspecteur terecht bepleit, aangesloten worden bij de volgens de aangifte IB/PVV 2008 verschuldigde belasting, zonder rekening te houden met de stallingsbeschikking. 4.58 Bij de berekening van de verschuldigde belasting is het volgende van belang. De inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen zijn afzonderlijke heffingen. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag de premie volksverzekeringen vastgesteld op nihil en deze beslissing in zijn uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Indien, zoals in het onderhavige geval, een gecombineerde aanslag voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is vastgesteld, moet de beslissing ter zake van elk van deze afzonderlijke heffingen worden aangemerkt als een besluitonderdeel. Een dergelijke aanslag moet daarom in zoverre worden beschouwd als een meerledig besluit. Door zijn subsidiaire standpunt in hoger beroep te baseren op interne compensatie tussen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verlaat de inspecteur de grondslag van het bezwaar in de zin van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Het vorenstaande geldt ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van die wet ook voor de beslissing van de rechter op een (hoger)beroepschrift (vgl. HR 2 december 2011, nr. 10/03645, ECLI:NL:HR:2011:BU6490, BNB 2012/43). Het Hof acht interne compensatie van inkomstenbelasting met premie volksverzekeringen niet mogelijk, zodat hij hierna enkel de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting zal berekenen. 4.59 Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, nr. 13/03820, ECLI:NL:HR:2015:17 moet bij de beoordeling of de door belanghebbende ingediende aangifte één of meer gebreken heeft die ertoe leiden dat de volgens die aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, worden uitgegaan van het te betalen bedrag aan belasting na verrekening van eventuele voorheffingen en heffingskortingen. Voor het jaar 2008 houdt het Hof rekening met de voorheffingen van € 15.553 (loonheffing) en € 9 (dividendbelasting) alsmede een heffingskorting van € 4.375. 4.60 Volgens de aangifte van belanghebbende zou hij geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Over het onder 4.56 berekende inkomen uit werk en woning van € 172.503 is € 72.976 (= € 11.282 + 52% van (€ 172.503 - € 53.860)) inkomstenbelasting verschuldigd. Rekening houdende met de voorheffingen van € 15.553 (loonheffing) en € 9 (dividendbelasting) alsmede een heffingskorting van € 4.375 is het verschil tussen de volgens belanghebbendes aangifte verschuldigde inkomstenbelasting van nihil en de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting van € 53.039 (= € 72.976 - € 15.553 - € 9 - € 4.375) op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Uiteraard is ook voldaan aan het vereiste dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. 4.61 De Inspecteur beantwoordt de vraag of belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dan wel zich bewust moet zijn geweest, dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van het ten onrechte niet aangeven van de opbrengst van de [J]-facturen niet zou worden geheven zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk is geweest. Hij wijst daarbij erop dat belanghebbende heeft gezocht naar een structuur waarbij de opbrengsten onbelast zouden blijven, eventueel tot een door hem gewenst tijdstip en binnen een door hem eventueel gekozen jurisdictie. Belanghebbende heeft - aldus de Inspecteur – daarbij ervoor gekozen de geldstroom in [J] te laten vallen en het belang dat hij in [J] had voor zowel zijn echtgenote als de Inspecteur en zijn gemachtigde te verzwijgen. 4.62 Belanghebbende is van mening dat hij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen door de [J]-facturen niet in zijn aangifte IB/PVV te verwerken. Hij stelt dat hij in dienstbetrekking arbeid heeft verricht voor [J]. [J] heeft voor de door belanghebbende in dienstbetrekking verrichte arbeid facturen aan cliënten gestuurd. De omzet komt daarom aan [J] en niet aan belanghebbende of [E] toe. Het is nooit de bedoeling van belanghebbende geweest de door [J] ontvangen bedragen buiten de Nederlandse belastingheffing te houden. Om pragmatische redenen is er in 2010 voor gekozen [E] de omzet te laten doorbelasten aan [J]. Ter zake van de door belanghebbende verrichte werkzaamheden heeft [E] belanghebbende een loonvergoeding toegekend van € 139.000, die in de rekeningcourantverhouding tussen belanghebbende en [E] is verrekend. Het niet aangeven van de rente op de vordering op [J] als r.o.w. is volgens belanghebbende eveneens pleitbaar, omdat het voor belanghebbende onduidelijk was of [J] al dan niet transparant was en of hij een aanmerkelijk belang in [J] bezat. 4.63 Belanghebbende stelt, en het Hof volgt hem daarin, dat de omzet van de [J]-facturen niet aan [E] kunnen worden toegerekend. De stelling van belanghebbende dat de omzet uit deze facturen aan [J] toekomt, strookt niet met de door hem afgelegde verklaringen. Belanghebbende heeft verklaard geen arbeidsrelatie met [J] te hebben. Belanghebbende kenschetst [J] als een lege huls, enkel opgericht om beslag op zijn privévermogen door [T] te voorkomen. In het echtscheidingsconvenant is belanghebbende met [T] overeengekomen dat hij gedurende langere tijd een aanzienlijk bedrag aan alimentatie aan haar moet gaan betalen. Belanghebbende was, gelet op het onder 2.16 genoemde SMS-bericht, niet van zin zonder meer aan dit convenant gevolg te geven. Dit blijkt vervolgens ook uit zijn handelen. Om beslaglegging te voorkomen heeft hij [J] opgericht en heeft aan deze vennootschap het pand [de a-straat] 16 te [I] overgedragen. Om dezelfde reden heeft hij de effectenportefeuille van [de b-bank] Nederland overgedragen aan [de b-bank] Luxemburg. Hij heeft [J] een Luxemburgse bankrekening laten openen en [J] facturen laten versturen. Nu de betaling op deze facturen op een Luxemburgse bankrekening zijn binnengekomen, kon belanghebbende beslag op die bedragen door [T] voorkomen. In 2008 heeft belanghebbende verzocht om de door hem verschuldigde alimentatie aan [T] op nihil te stellen en in 2009 is het verzoek om nihilstelling van de kinderalimentatie gevolgd. Gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangedragen, acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende ervoor heeft gekozen [J] facturen op te laten stellen en te innen om de inkomsten uit zijn werkzaamheden aan het zicht van [T] te onttrekken en daarmee zijn verzoeken om vermindering van de alimentatieverplichting kracht bij te zetten. 4.64 Gelet op het vorenoverwogene, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende bij het doen van zijn aangifte IB/PVV 2008 op 31 augustus 2009 wist dat de betalingen op de [J]-facturen niet aan [E] noch aan [J] toekwamen. Dan kunnen de betalingen enkel aan belanghebbende zelf toegerekend worden. Een ervaren advocaat die op financieel terrein werkzaam is, weet, althans moet zich ervan bewust zijn geweest, dat de inkomsten uit de door hem verrichte werkzaamheden belast zijn. Belanghebbende was er ook mee bekend dat hij inkomsten voor de IB/PVV aan diende te geven. In 2007 dreef belanghebbende immers nog een onderneming en gaf hij de winst daaruit aan, hij genoot resultaat uit overige werkzaamheden en vanaf 2008 verrichtte hij in loondienst (juridische) werkzaamheden voor cliënten van [E]. Het is mogelijk dat belanghebbende heeft getwijfeld op welke wijze hij de betalingen op de [J]-facturen in de aangifte IB/PVV moest verwerken: als winst uit onderneming, r.o.w. of loon. Hij heeft echter ervoor gekozen niets aan te geven. Door de inkomsten uit de [J]-facturen niet op een of andere wijze in zijn aangifte IB/PVV 2008 tot uitdrukking te brengen wist belanghebbende, althans moest hij zich ervan bewust zijn geweest, dat de werkelijk verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd aanzienlijk hoger was dan uit de ingediende aangifte voortvloeide. Belanghebbende heeft derhalve de vereiste aangifte niet gedaan. 4.65 Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van de vraag of belanghebbende bewust was of zich ervan bewust moet zijn geweest dat door het niet aangeven van een rentevergoeding over de vordering op [J] een zowel absoluut als relatief aanzienlijk te lage bedrag aan IB/PVV uit de aangifte voortvloeide. Uit het niet aangeven van de winst uit onderneming vloeit reeds voort dat de werkelijk verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk hoger is dan uit de ingediende aangifte voortvloeit. 4.66 De Inspecteur beroept zich daarom terecht op omkering en verzwaring van de bewijslast. De Inspecteur heeft een bedrag van € 195.089 (€ 169.500 verhoogd met € 25.589 (interne compensatie)) aangemerkt als omzet. De Inspecteur heeft daarbij opgemerkt dat hij geen volledig beeld heeft van de financiële situatie van belanghebbende. 4.67 De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de winstcorrecties gebaseerd op de door [J] verstuurde facturen en deze naar boven afgerond. Onder 4.25 heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een winst van € 194.094 aannemelijk heeft gemaakt, zodat de door hem gemaakte schatting van € 195.089 niet onredelijk is. 4.68 Het ligt op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting van de Inspecteur betwist, daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e van de AWR bedoelde wijze (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181). Het Hof acht belanghebbende niet erin geslaagd overtuigend aan te tonen dat de geschatte omzet lager is, de kosten hoger zijn of dat de gefactureerde verschotten zien op daadwerkelijk door hem betaalde kosten. Derhalve dient ervan te worden uitgegaan dat de schatting van de Inspecteur inzake de winst uit onderneming niet te hoog is. 4.69 De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008 uitgegaan van een inkomen uit sparen en beleggen van € 118.625. Gelet op hetgeen het Hof onder 4.36 heeft overwogen, ziet het Hof geen aanleiding het inkomen uit sparen en beleggen op een hoger bedrag dan nihil te stellen. 4.70 Een en ander leidt tot het volgende belastbare inkomen uit werk en woning: Correctie winst € 195.089 Af: ondernemersaftrek - 4.412 € 190.677 Af: MKB-winstvrijstelling 10,5% - 20.021 Winst uit onderneming € 170.656 Aangegeven inkomen - 69.834 Voordeel uit terbeschikkingstelling (rente vordering [J]) - 16.344 € 256.834 Af: persoonsgebonden aftrek - 83.440 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 173.394 Omkering bewijslast (vereiste aangifte IB/PVV 2009) 4.71 De Inspecteur beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast voor belanghebbende voor de aanslag IB/PVV 2009, omdat belanghebbende daarvoor niet de vereiste aangifte heeft gedaan. 4.72 De Inspecteur heeft, gelet op hetgeen het Hof hiervoor onder 4.25 en 4.33 heeft overwogen, aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2009 winst uit onderneming ten bedrage van € 134.225 en een voordeel uit de terbeschikkingstelling van vermogen van € 10.020 heeft genoten. Voor een correctie van fictief loon uit [E] is geen plaats gelet op hetgeen het Hof onder 4.48 heeft overwogen. Deze correcties hebben de volgende gevolgen voor de verschuldigde belasting: Correctie winst € 134.225 Af: ondernemersaftrek - 4.488 € 129.737 Af: MKB-winstvrijstelling 10,5% - 13.622 Winst uit onderneming € 116.115 Aangegeven inkomen - 61.397 Voordeel uit terbeschikkingstelling (rente vordering [J]) - 10.020 € 187.532 Af: persoonsgebonden aftrek - 73.590 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 113.942 4.73 Anders dan voor de aanslag IB/PVV 2008 geldt, is in de aanslag IB/PVV 2009 wel een positief bedrag aan premie volksverzekeringen begrepen. Voor de aanslag IB/PVV 2009 slaagt het beroep op interne compensatie van de Inspecteur daarom wel voor de premie volksverzekeringen. 4.74 Volgens de aangifte van belanghebbende zou hij geen IB/PVV verschuldigd zijn. Over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.942 is € 52.251 (= € 21.485 + 52% van (€ 113.942 - € 54.776)) IB/PVV verschuldigd. Rekening houdend met de voorheffingen van € 18.370 en een heffingskorting van € 3.487 is het verschil tussen de volgens belanghebbendes aangifte verschuldigde IB/PVV van nihil en de werkelijk verschuldigde IB/PVV van € 30.394 (= € 52.251 - € 18.370 - € 3.487) op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Voorts moet worden geconcludeerd dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. 4.75 De Inspecteur beantwoordt op dezelfde gronden als voor de aangifte IB/PVV 2008 de vraag bevestigend of belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2009 op 25 mei 2010 wist dan wel zich ervan bewust moest zijn, dat het bedrag van de IB/PVV dat als gevolg van het ten onrechte niet aangeven van de opbrengst van de [J]-facturen niet zou worden geheven zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk is geweest. 4.76 Belanghebbende is op dezelfde gronden als voor de aangifte IB/PVV 2008 van mening dat hij pleitbaar standpunten heeft ingenomen. 4.77 Gelet op hetgeen het Hof voor de aangifte IB/PVV 2008 heeft overwogen – hetwelk ook heeft te gelden met betrekking tot de aangifte voor het jaar 2009 -, is het Hof van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat de werkelijk verschuldigde belasting absoluut aanzienlijk hoger is dan uit de ingediende aangifte IB/PVV 2009 voortvloeit. Belanghebbende heeft derhalve de vereiste aangifte niet gedaan. 4.78 De Inspecteur beroept zich daarom terecht op omkering en verzwaring van de bewijslast. De Inspecteur heeft een bedrag van € 134.225 (€ 126.500 verhoogd met € 7.725 (interne compensatie) aangemerkt als omzet. Nu hij dit bedrag reeds via de normale regels van bewijslast aannemelijk heeft gemaakt, leidt dit niet tot een wijziging van het onder 4.72 berekende belastbare inkomen uit werk en woning. 4.79 De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2009 uitgegaan van een inkomen uit sparen en beleggen van € 260.000. Gelet op hetgeen het Hof onder 4.38 heeft overwogen, ziet het Hof geen aanleiding het inkomen uit sparen en beleggen op een hoger bedrag dan nihil te stellen. Proceskostenvergoeding 4.80 Belanghebbende is van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit proceskosten) zodat grond bestaat voor een integrale vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt. 4.81 In het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260 is geoordeeld dat voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten grond bestaat indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Voorts kan een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten aanwezig worden geacht, indien de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103). 4.82 Het standpunt van de Inspecteur heeft de Rechtbank onderschreven en de aanslagen en uitspraken op bezwaar blijven in hoger beroep in ieder geval ten dele in stand. Van een situatie dat de Inspecteur de aanslagen tegen beter weten in heeft opgelegd of gehandhaafd is geen sprake. Evenmin heeft de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld. Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten, is geen sprake. Het Hof ziet geen reden af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire normen. Heffingsrente 4.83 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep inzake de heffingsrente slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde verminderingen van de aanslagen betreft. De in rekening gebrachte heffingsrente zal dienovereenkomstig worden verminderd door het Hof. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. 5Proceskosten De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten te berekenen op € 1.470 (2 punten (beroepschrift, zitting) € 490 wegingsfactor 1,5 factor 1 voor samenhangende zaken) voor de kosten in eerste aanleg en € 1.470 (2 punten (hogerberoepschrift, zitting) € 490 wegingsfactor 1,5 factor 1 voor samenhangende zaken) voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 2.940. 6Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond, – vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, – vermindert de aanslag IB/PVV 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 943.559, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, – vermindert de aanslag IB/PVV 2008 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.394, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, – vermindert de aanslag IB/PVV 2009 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.943, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, – vermindert de beschikkingen heffingsrente die bij de aanslagen IB/PVV 2007, 2008 en 2009 zijn vastgesteld dienovereenkomstig, – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.940 en – gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 44 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 122 in verband met het hoger beroep bij het Hof. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. C.M. Ettema, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (R.F.C. Spek) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 maart 2015 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.