GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.151.103 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2047947) arrest van de derde kamer van 31 maart 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hospitality Management Entertainment Group B.V.,, gevestigd te Abcoude, appellante, hierna: HME, advocaat: mr. J. de Koning, tegen: [geïntimeerde], h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [plaatsnaam], geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het verstekvonnis van 27 maart 2013 en het vonnis in oppositie van 19 februari 2014 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht) tussen HME als gedaagde partij in de verstekzaak en als opposante in de onderhavige zaak in eerste aanleg en [geïntimeerde] als eisende partij in de verstekzaak en als geopposeerde in de onderhavige zaak in eerste aanleg heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 mei 2014, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord, met producties, - een akte uitlating producties van HME. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten. 3.2 HME is een houdstermaatschappij die belangen heeft in verschillende vennootschappen, waaronder Brasserie Paardenburg B.V., Brasserie het Bonte Schort B.V., Brasserie Keyzer B.V. en Sophia B.V.. Zij was in de hier relevante periode, direct of indirect, de enige bestuurder van deze vennootschappen. In de vennootschappen werden restaurants geëxploiteerd. 3.3 Bestuurder en enig aandeelhouder van HME is, via diverse holdingvennootschappen, [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder]). 3.4 [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]) was bij HME werkzaam. Op een visitekaartje, dat door [geïntimeerde] is overgelegd (productie 5 bij conclusie van antwoord in oppositie), is vermeld dat [werknemer 1] commercieel/creatief directeur was bij HME. [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]) was bij HME werkzaam als financieel eindverantwoordelijke. [De boekhouder] ([De boekhouder]) was werkzaam als boekhouder en verzorgde namens HME de administratie voor de horecagelegenheden. 3.5 In de jaren 2007 tot en met 2009 heeft [geïntimeerde] werkzaamheden verricht ten behoeve van de restaurants Brasserie ’t Bonte Schort, Brasserie Paardenburg, Sophia en Brasserie Keyzer. 3.6 In een e-mailbericht van 2 januari 2007 (productie 13 bij memorie van antwoord) heeft [geïntimeerde] aan [de bestuurder] en [werknemer 2] een betalingsherinnering verzonden voor een factuur van de opening van ’t Amsterdammertje. [de bestuurder] heeft daarop bij e-mailbericht van 4 januari 2007 geschreven dat deze nota is betaald en bij e-mailbericht van 9 januari 2007 dat de betaling afkomstig was van een rekening ten name van ’t Amsterdammertje 3.7 In een e-mailbericht van 8 november 2007 (productie 8 bij conclusie van antwoord in oppositie) heeft [geïntimeerde] aan [werknemer 1], [werknemer 2], [de bestuurder] en [naam] geschreven: “(…) Naar aanleiding van deze verzoeken gaat [naam] aankomende dinsdag (13 november) aan de slag om, door middel van een technische oplossing, een voller geluid te creëren. (…) Bij zowel het management van HME, als bij de bedrijfsleiding van Sophia, is een verschillende opvatting over hoe luid de muziek op drukke avonden moet zijn. Het is daarom verstandig als alle betrokkenen binnenkort bijeenkomen om in een gesprek te bepalen wat het beleid moet zijn, met betrekking tot het geluidsniveau binnen Sophia. (…) Hiervoor hebben wij nodig: een afvaardiging van het management van HME ([werknemer 1]?), [naam], een bedrijfsleider van Sophia en mijzelf als Music Consultant. (…)” 3.8 [werknemer 2] heeft daarop vanaf een e-mailadres van HME bij e-mailbericht van 9 november 2007 (eveneens productie 8 bij conclusie van antwoord in oppositie) geantwoord: “Beste [geïntimeerde], 20 nov schikt mij.” 3.9 [geïntimeerde] heeft op 22 oktober 2008 een e-mailbericht verzonden aan [De boekhouder], waarin onder meer is vermeld (productie 12 bij memorie van antwoord): “(…) Ik heb deze factuur destijds op de avond zelf afgegeven bij Sophia (…). [werknemer 2] zal vast wel meer uitsluitsel kunnen geven dus ik wacht het even af. (…) Nu de muzieksystemen geïnstalleerd zijn, is het tijd om de facturen van de onderzoeks & implementatie fase op te stellen. De vorige facturen zijn hiervoor altijd op naam van de HME gegaan, maar mij is destijds gevraagd of ik facturen per zaak wou opstellen. Nu is dit uiteraard geen probleem, maar hoe komt het factuuradres er uit te zien? Is dit het postadres van HME Group met een andere aanhef voor elke zaak? Moet het op adres van de zaak zelf? Dit geldt voor Sophia, Keyzer, Paardenburg en ’t Bonte Schort.” 3.10 Daarop heeft [De boekhouder] op 28 oktober 2008 namens HME geantwoord (eveneens productie 12 bij memorie van antwoord): “Het bedrag van factuur 183 ad € 1.308,40 zullen wij overmaken. Inderdaad het postadres van HME Group B.V. met een andere aanhef voor elke zaak, zoals bijv.: [adres] .” 3.11 [geïntimeerde] heeft op 31 december 2009 facturen ten bedrage van € 2.152.71, € 2.152,71, € 5.328,62 en € 6.251,96 verzonden naar het adres: [adres] (productie 1 bij inleidende dagvaarding in de verstekzaak). Op de facturen is respectievelijk als naam van de klant vermeld: Paardenburg (HME Group BV), Bonte Schort (HME Group BV), Brasserie Keyzer (HME Group BV) en Sophia (HME Group BV). 3.12 Bij e-mailbericht van 11 januari 2011 (productie 11 bij conclusie antwoord in oppositie) heeft [werknemer 1] aan [geïntimeerde] gemaild: “(…) Kom net uit overleg met [werknemer 2] en hij deelde mij mee dat jou factuur in drie gedeelte definitief betaald gaat worden. De factuur wordt verdeeld over de maanden februari, maart, april. Wij weten en begrijpen dat het allemaal lang heeft geduurd, dit heeft allemaal zijn redenen gehad, ik hoop dat je blij bent met dit voorstel. [werknemer 2] zal zorgdragen voor de betalingen.” 3.13 HME heeft de facturen onbetaald gelaten. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Bij inleidende dagvaarding in de verstekzaak heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van een bedrag van € 18.298,88, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over een bedrag van € 15.885,90 vanaf 17 januari 2013 tot aan de voldoening, en de proceskosten. In het verstekvonnis van 27 maart 2013 heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen. Op het daartegen door HME ingestelde verzet is, bij het bestreden vonnis van 19 februari 2014, het verstekvonnis bekrachtigd. HME is hiertegen met vijf grieven in hoger beroep gekomen. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4.2 Naar de kern houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre, [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht in opdracht en voor rekening van HME. 4.3 Daarbij gaat het zowel om de vraag of de personen met wie [geïntimeerde] feitelijk handelde, daarbij namens HME optraden of in plaats daarvan voor de afzonderlijke restaurantvennootschappen, als om de vraag of [geïntimeerde] gerechtvaardigd ervan uit is gegaan dat die personen bevoegd waren om HME te vertegenwoordigen. Voor het eerste is beslissend hetgeen de feitelijk handelende personen over en weer hebben verklaard en hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Ook voor het tweede zijn in beginsel alle omstandigheden van het geval van belang en komt het aan op de vraag of [geïntimeerde] op grond van verklaringen of gedragingen van (de bestuurder van) HME heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat de personen met wie hij contracteerde, bevoegd waren om HME te binden. Niet ter zake doet dat een gedeelte van de schijnwekkende feiten zich eerst na de totstandkoming van de overeenkomst hebben voorgedaan. Daarnaast is voor de toerekening van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook plaats indien de wederpartij ([geïntimeerde]) gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-vertegenwoordigde (HME) komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. 4.4 Van de omstandigheden van het geval acht het hof het navolgende in het bijzonder van belang. [geïntimeerde] heeft, onvoldoende weersproken, aangevoerd dat hij met [werknemer 2], [werknemer 1] en [De boekhouder] contact heeft gehad over de door hem te verrichten en verrichte werkzaamheden, de uitvoering daarvan en de betaling daarvan. De onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.